Twee reizigers, wandelend in de middagzon, zochten de schaduw op van een hele grote en hele brede boom, om daaronder even uit te rusten. Terwijl ze omhoog lagen te kijken tussen het aangename bladerdek door, zagen ze dat het een Plataan was.

“Hoe nutteloos is deze Plataan”, zei één van hen. “Het draagt geen enkele vrucht en dient alleen om de grond met bladeren te bezaaien.”
“Ondankbare wezens!” zei een stem uit de Plataan. “Je ligt hier in mijn verkoelende schaduw, en toch zeg je dat ik nutteloos ben! Hoe ondankbaar! “
“O, Jupiter, laat deze mensen hun zegeningen eens gaan tellen.”
Auteursvermelding
Aesopus was een legendarische Griekse fabeldichter, vermoedelijk levend in de zesde eeuw voor Christus, wiens verhalen al eeuwenlang worden doorverteld om morele lessen op een toegankelijke manier te verbeelden. De Plataan is een van zijn meest directe fabels: de boom zelf krijgt een stem om de ondankbaarheid van de mens te benoemen — een zeldzaam moment van dramatische omkering binnen zijn werk.
