Het Verloren Halfuurtje

Er was eens een weduwe die drie zonen had. De oudste twee waren redelijk slim. Maar Bobo, de jongste zoon, was heel erg dom. Op een dag reed prinses Zenza langs het huis. Ze hoorde dat de weduwe vreselijk tekeer ging tegen haar jongste zoon. Ze stapte van haar paard en vroeg wat er aan de hand was. Toen ze hoorde dat Bobo zo verschrikkelijk dom was, vroeg ze de weduwe of ze hem mee mocht nemen. De domheid van de jongen zou ze misschien juist wel heel vermakelijk vinden. Bobo ging mee.

In het kasteel werd het al snel duidelijk hoe dom Bobo was. Ze lieten hem de gekste opdrachten uitvoeren. Daarmee maakte Bobo zich belachelijk tot groot vermaak van iedereen in het kasteel. Maar Tilda, het keukenmeisje, vond het helemaal niet leuk dat Bobo steeds om zijn domheid belachelijk werd gemaakt. Tilda was een lief, mooi meisje met een goed hart. Ze was net als Bobo ook op een dag naar het kasteel gebracht om daar te blijven. ‘Laat je toch niet steeds zo vernederen,’ zei ze tegen Bobo.

Op een ochtend had prinses Zenza zich een halfuurtje verslapen. Ze haastte zich naar de kasteeltuin waar haar bedienden met het ontbijt stonden te wachten. ‘Lieve help,’ zei ze, ‘ik heb vanochtend een halfuurtje verloren.’ Bobo hoorde dat en zei: ‘Uwe Hoogheid, misschien kan ik het terug voor u vinden?’ Bij het idee een verloren halfuurtje te vinden, lachte de prinses en de hele hofhouding schaterde met haar mee. ‘Ja, laat Bobo het verloren halfuurtje zoeken,’ gierden ze het uit. En zo werd Bobo de wijde wereld ingestuurd. Voordat Bobo het kasteel verliet, nam hij afscheid van Tilda.‘ De prinses heeft een halfuur verloren en ik ga het zoeken. Ik mag er de hele wereld voor afreizen,’ vertelde hij met trots. Tilda zei daarop niet veel. Ze wenste hem veel geluk en toen hij even niet keek, stopte ze een verse krentenbol in zijn zadeltas.

Daarna reed Bobo over de heuvels het land door. Af en toe stopte hij om voorbijgangers te vragen of ze een verloren halfuur hadden gezien. De eerste persoon die hij het vroeg was een oude man. ‘Een verloren halfuur?’ zei de oude man. ‘Ik heb iets veel ergers verloren, ik ben mijn reputatie kwijt. Heb je hier een verloren reputatie zien rondslingeren?’ Nee, dat had Bobo niet. Een andere dag ontmoette hij een vreselijke man, die zijn beleefde vraag met veel agressie beantwoordde. ‘Een halfuur?’ brulde hij, ‘nee, die heb ik niet gezien! Ik zoek ook iets dat ik zelf verloren ben. Ik ben mijn geduld verloren! Heb jij ergens een driftbui gezien? Geef antwoord, domoor! Het is ongeveer zo groot als een watermeloen en het heeft scherpe, kleine punten.’ Toen Bobo met ‘nee’ antwoordde, schreeuwde de man het uit van woede. Het paard schrok er zo van dat hij er dagenlang van slag door was.

Bobo reisde door naar Zizz, de hoofdstad van het Koninkrijk der Zeven Beken. Daar werd hij begroet door de koning. ‘Ik heb je verloren halfuur niet gezien,’ sprak de koning tot Bobo, ‘maar nu je toch de hele wereld afreist, zou je kunnen vragen of iemand nieuws heeft over mijn dochter? Ze is vijftien jaar geleden gestolen door de feeën. Als je haar vindt, zal ik je rijkelijk belonen.’ Dus verliet Bobo de stad Zizz om verder te zoeken. Drie lange jaren gingen voorbij. Bobo was intussen een knappe jongeman geworden, maar wel helaas nog steeds erg dom.

Bobo kon vanuit Sprookjesland meereizen op een boot naar IJzereiland. Mogelijk dat hij daar het verloren halfuur zou vinden. De reis was gevaarlijk. Een storm had de boot tegen de klippen kapotgeslagen. Toch was het Bobo gelukt om aan land te komen. Het schip was weg. De bemanning was weg. Bobo was helemaal alleen. Het eiland waar hij terecht was gekomen was prachtig. Er was geen huis, geen weg of een wandelpad te zien. Plotseling zag Bobo in de bast van een grote boom een deurtje. Bobo opende het deurtje en zag er een paar klompen staan met daarboven een briefje, waarop stond:

TREK ONS AAN

Dus deed Bobo de klompen aan en toen gebeurde er iets wonderlijks. De klompen pasten precies en zaten heel erg lekker. Ze zorgden ervoor dat Bobo begon te lopen in een richting. Twee dagen liep Bobo landinwaarts richting een grote berg tot hij aankwam bij een prachtig kasteel. Plotseling sloeg een grote klok zeven uur. Bobo zag een jongen op een zwart paard bliksemsnel het kasteel uit stormen waarna hij verdween in het bos. Een oude man met een witte baard stond aan de poort. Naast hem stonden elf jonge mannen. Bobo verzamelde moed, viel op zijn knie voor de oude man en vertelde zijn verhaal.

‘Je zou de stormfeeën moeten bedanken,’ zei de oude man, ‘want zij hebben je hiernaartoe gebracht. Ik ben Vadertje Tijd. Dit zijn mijn twaalf zonen, de uren. Elke dag, de een na de ander, rijden ze een uur de hele wereld rond. Zeven uur is zojuist vertrokken. Ik geef je het verloren halfuur. Je moet dan wel een heel jaar lang voor de paarden van mijn zonen zorgen.’ En dus zorgde Bobo een jaar lang voor de paarden van de uren van de dag. Toen het jaar om was, kreeg hij van Vadertje Tijd een klein vierkant kistje van ebbenhout. ‘Het halfuur zit erin,’ zei de oude man. ‘Probeer er niet in te kijken of de doos te openen voordat het juiste moment is gekomen. Als je dat doet, vliegt het halfuur weg en verdwijnt het voor altijd.’

Twaalf uur was in het jaar goed bevriend met Bobo geraakt. Hij gaf Bobo een beker water. ‘Drink deze helemaal op,’ zei hij. Het was het water van wijsheid wat Bobo van Twaalf uur had gekregen. En omdat hij nu helemaal niet dom meer was, herinnerde hij zich de man die zijn reputatie had verloren, de man die zijn geduld was verloren en de koning wiens dochter door de feeën was gestolen. Bobo vroeg Vader Tijd om raad, want Vadertje Tijd is degene die alles weet. ‘De man die zijn reputatie is verloren, zou een goed gesprek met zijn buren moeten hebben. Daarmee vindt hij zijn reputatie terug. Vertel de tweede man dat zijn driftbui in het gras ligt, vlakbij de plek waar je hem ontmoette. Wat betreft de koningsdochter. Dat is Tilda, het keukenmeisje in het paleis van prinses Zenza.’ Bobo bedankte Vader Tijd. Twaalf uur bracht hem op zijn paard terug naar Sprookjesland waar ze afscheid van elkaar namen.

Op de tweede ochtend van zijn reis naar huis kwam hij de man met de verloren reputatie tegen. Hij gaf hem het advies van Vadertje Tijd. De man met het verloren geduld zag hij niet. Wel vond hij de driftbui, verpakt in een grote meloen die helemaal bedekt was met stekels. Hij nam het vreselijke ding mee in de hoop de boze bezitter alsnog te vinden. Hierna bezocht hij de koning, Tilda’s vader. De koning was zo blij met het nieuws, dat hij Bobo meerdere vorstelijke titels gaf. Zo werd Bobo Lord van de Saffieren Heuvels, Markies van de Bergen van de Maan en Prins van de Vallei van Gouden Appels. Met deze titels werd hij de grootste edelman in heel Sprookjesland. De koning liet een rijtuig klaarmaken om samen met Bobo naar prinses Zenza te gaan om zijn vermiste dochter op te eisen.Vreemd genoeg hingen er zwarte rouwlinten aan de bomen in het land van prinses Zenza. Op de trappen van een van de huizen zat een oude vrouw. Ze snikte van verdriet. ‘Wat is er aan de hand, goede vrouw?’ vroeg de koning.

De vrouw antwoordde: ‘Drie dagen geleden werd ons koninkrijk bezocht door een draak. Deze vroeg prinses Zenza om een huishoudelijke hulp voor het bereiden van zijn maaltijden en het schoonhouden van zijn grot. Hij zou het land verbranden als hij er geen zou krijgen. Maar wie is nu dapper genoeg om het huishouden te runnen van een draak? De keukenmeid Tilda is vrijwillig met hem meegegaan. Het is om haar dat we rouwen. Een halfuur geleden is ze door de draak meegenomen.’

‘Snel,’ riepen de koning en Bobo, ‘laten we ons haasten naar het kasteel. Misschien is ze er nog en kunnen we haar redden.’ Maar ze waren te laat. De draak had Tilda meegenomen. Plotseling dacht Bobo aan het halfuur. Hij was een halfuur te laat aangekomen, maar dat halfuur kon hij weer terugkrijgen! De dingen zouden precies moeten zijn zoals ze een halfuur eerder waren. Hij opende het deksel van de ebbenhouten kist. De wijzers van de klokken zoemden een halfuur terug. En ja hoor, daar stond de mooie Tilda voor het kasteel te wachten tot de draak haar zou komen halen. Bobo rende naar haar toe en ging naast haar staan om haar tot het einde te verdedigen.

De draak kwam dichterbij en sperde zijn grote bek open. Bobo graaide in zijn tas, haalde er de driftbui uit en smeet hem in de vurige adem. Er volgde een enorme knal. De draak was ontploft. Iedereen begon ‘Hoera! Hoera!’ te roepen. De koning vertelde dat Tilda zijn dochter was en dus een echte prinses. Prinses Zenza vroeg om vergiffenis aan Bobo voor het feit dat ze hem zo ellendig behandeld had. Bobo vergaf het haar.

Er werd een groot feest gegeven. Toen de vreugde voorbij was, waren Bobo en Tilda getrouwd. Ze leefden nog lang en gelukkig.

0Shares
0 replies on “Het Verloren Halfuurtje”