De jongen die naar de noordenwind ging

Er was eens een oude vrouw die alleen woonde met haar zoon. Omdat de oude vrouw ziek was, vroeg ze haar zoon om meel uit de schuur te halen en een maaltijd klaar te maken. De zoon ging het meel halen, maar op weg naar het huis blies de noordenwind alles uit zijn handen en nam al het meel mee de lucht in. De jongen ging terug naar de schuur en haalde er een nieuwe hoeveelheid meel. Nogmaals kwam daar de noordenwind en nam het meel weer in een windvlaag mee. En zo gebeurde dat ook een derde keer.

De jongen begreep er niets van. Dit was toch niet iets wat je van de noordenwind zou verwachten. Daarom besloot hij de noordenwind op te zoeken. Meteen ging hij op weg tot hij na een nacht en een dag lopen bij het huis van de noordenwind aankwam. ‘Wat moet je?’, vroeg de noordenwind hem nors. ‘Ik wil u bedanken dat u ons gisteren heeft opgezocht,’ antwoordde de jongen beleefd. ‘Maar u heeft al het meel van ons tot drie keer toe meegenomen. Ik wil u vragen of u zo goed wilt zijn mij het eten terug te geven. We hebben namelijk niet veel om van te leven. En als we niets te eten hebben, zullen we verhongeren.’

‘Ik heb je eten niet,’ zei de noordenwind. ‘Maar ik kan je er wel iets voor in de plaats geven. Omdat je het eten zo nodig hebt, zal ik je een tafelkleed geven. Daarmee krijg je al het eten wat je maar wilt. Je hoeft alleen te zeggen: ‘Tafeltje dek je en geef me het beste eten.’ De jongen vond het een goede ruil en ging met het tafelkleed onder zijn arm naar huis. Onderweg stopte hij bij een herberg om er de nacht te slapen. Daar aangekomen spreidde hij zijn tafelkleed over een tafeltje en zei: ‘Tafeltje dek je en geef me het beste eten.’ Nauwelijks had hij dit gezegd of de tafel stond vol verschillende heerlijkheden.

Nu had de waard van de herberg het allemaal gezien. ’s Nachts toen de jongen in diepe slaap was, ruilde hij het tafelkleed voor eentje die er precies op leek, maar niet dezelfde waarde had. De volgende ochtend vertrok de jongen vroeg naar huis. Hij vertelde zijn moeder dat hij van de noordenwind een tafelkleed had gekregen waarmee ze nooit meer honger hoefden te lijden. ‘Ik geloof het pas als ik het zie,’ zei zijn moeder. Dus pakte de jongen het kleed en zei: ‘Tafeltje dek je en geef me het beste eten.’ Maar er gebeurde niets. ‘Nou,’ zei de jongen, ‘er zit niets anders op dan weer naar de noordenwind te gaan.’ En opnieuw ging hij op weg.

Uren later kwam hij weer aan bij het huis van de noordenwind. ‘Goedenavond,’ zei de jongen. ‘Goedenavond, antwoordde de noordenwind. ‘Ik heb helemaal niets aan het tafelkleed. Het is nog geen cent waard. Ik wil nog steeds mijn meel terug wat je van mij hebt genomen, of iets goeds in ruil daarvoor.’ ‘Ik heb geen meel,’ zei de noordenwind, ‘maar ik kan je een ezel geven. Hij spuugt munten als je zegt: ‘Ezel, geef me je geld.’ De jongen ging daarmee akkoord. Weer besloot hij in dezelfde herberg te overnachten.

Om de overnachting te betalen vroeg hij de ezel om geld. De waard zag hoe de ezel gouden munten uitspuugde. Die nacht haalde hij de ezel uit de stal en zette zijn eigen ezel er voor in de plaats. De volgende ochtend ging de jongen op weg naar huis. Bij zijn moeder aangekomen, zei hij: ‘Moeder, de noordenwind heeft mij een ezel gegeven die gouden munten uitspuwt als ik hem dat vraag.’ ‘Dat kan wel zijn,’ antwoordde zijn moeder, ‘maar ik moet het eerst zien om het te geloven.’ ‘Ezel, geef me je geld,’ beval de jongen de ezel. Maar er gebeurde niets.

Dus ging de jongen voor de derde keer naar de noordenwind. Dit keer zei de noordenwind: ‘Ik heb niets anders te geven dan een oude stok. Je kunt er iemand een pak rammel mee geven en dat stopt als je het vraagt.’ Dus ging de jongen met de stok langs dezelfde herberg. Intussen was hem wel duidelijk dat de waard van de herberg hem had bedrogen. Hij hing zijn stok boven het bed waar hij zou slapen. De waard had hem met de stok zien binnenkomen en was erg nieuwsgierig geworden naar wat de stok waard zou zijn. In de nacht sloop hij naar de kamer van de jongen die net deed alsof hij sliep.

De waard pakte de stok en op dat moment zei de jongen: ‘Geef de waard een pak rammel.’ En de stok deed wat hij vroeg. De waard ontkwam niet aan de klappen van de stok. Hij sprong over de stoelen en de tafel, maar wat hij ook deed, de stok kwam met rake klappen achter hem aan. ‘Laat hem stoppen,’ riep hij uit, ‘ik geef je er het tafelkleed en de ezel in ruil voor terug!’

En zo kwam het dat de jongen met het magische tafelkleed in zijn zak en een goudezel aan zijn zijde terugkeerde bij zijn moeder. De noordenwind had nu aan zijn verplichting voldaan en de moeder en de jongen leefden nog lang en gelukkig.

0Shares
0 replies on “De jongen die naar de noordenwind ging”