Prins Chéri

Madame Jeanne-Marie Leprince de Beaumont


Prins Chéri

Er was eens een koning die zo goedhartig was, dat hij ‘de Goede Koning’ werd genoemd. Op een dag sprong tijdens de jacht een konijntje in zijn armen, bang om door de honden gedood te worden. De koning streelde het beestje en zei: ‘ik zal ervoor zorgen dat niemand je kwaad kan doen.’

Die avond verscheen in de kamer van de koning een fee. Ze sprak tot de koning: ‘Ik ben fee Candide. Ik wilde zien of je zo goedhartig bent als iedereen zegt. Daarom heb ik mijzelf veranderd in een konijn en rende ik in mijn nood naar je toe. Ik wil je bedanken voor wat je hebt gedaan. Uit dank mag je een wens doen.’

De koning antwoordde: ‘Lieve fee, ik heb maar één zoon. Hij heet Chéri. Mag ik in plaats van voor mezelf, voor hem een wens doen?’ ‘Natuurlijk,’ zei de fee. ‘Zal ik van je zoon de knapste prins maken? De rijkste? De machtigste?’

‘Nee,’ zei de koning, ‘niets daarvan. Wat heeft hij aan schoonheid, rijkdom of macht, als hij een slecht mens zou zijn? Het is goedheid wat het leven zin geeft. Ik zou je dankbaar zijn als je een goed mens van hem maakt.’

‘Ik begrijp het,’ zei de fee, ‘maar dat kan ik niet. Chéri moet zelf ernaar streven een goed mens te zijn. Ik kan hem goede raad geven en hem straffen voor zijn fouten, als hij ze zelf niet corrigeert.’ ‘Goed dan,’ zei de koning en nam daarmee afscheid van de fee.

Niet lang daarna stierf de Goede Koning en kreeg Chéri bezoek van de fee. ‘Ik heb je vader een belofte gedaan,’ zei ze. ‘Hier is een speciale ring. Zorg er goed voor, want het is meer waard dan je lief is. Elke keer als je iets verkeerds doet, zal het je prikken.’

De eerste tijd gedroeg Chéri zich zo goed, dat de ring helemaal niet prikte. Maar toen hij op een dag terugkeerde van de jacht en niets had gevangen, was hij zo geïrriteerd dat hij zijn trouwe hond schopte. Op dat moment prikte de ring als een speld in zijn vinger.


Prins Chéri

‘Wat is dit?’ riep hij. ‘Die fee houdt me voor de gek! Wat heeft het voor zin om heerser van een groot rijk te zijn als ik mijn hond niet mag behandelen zoals ik wil?’ ‘Ik bespot je niet,’ klonk het antwoord in zijn hoofd. ‘Je bent chagrijnig en je hebt je misdragen. Een groot heerser regeert met goedheid en laat zich niet beïnvloeden door een slecht humeur.’ Het gedrag van Chéri werd er niet beter op. De ring prikte hem vaker tot bloedens toe. Op een dag gooide hij de ring in woede weg.

Chéri ging zich daarna zo slecht gedragen, dat er niemand was die hem nog mocht. Op een dag ontmoette hij een beeldschoon meisje, genaamd Zélie. Smoorverliefd vroeg hij haar met hem te trouwen. Maar Zélie zei: Al ben ik nog zo arm, ik kan niet trouwen met iemand met die zich zo slecht gedraagt.’ De prins was radeloos en gaf opdracht aan zijn officieren Zélie naar zijn paleis te brengen.

Op een dag besloot hij naar haar kamer te gaan, waar ze opgesloten was. Maar ze was verdwenen. Een van de raadsleden van het koninkrijk heette Suliman. Het was een wijze man en de enige die Chéri van zijn fouten durfde te vertellen. De andere raadsleden wilden alleen maar de prins behagen met mooipraterij. Ze zeiden dat het Suliman was die Zélie hielp te ontsnappen. De prins beval woest zijn soldaten Suliman gevangen te nemen.

Chéri trok zich terug in zijn kamer waar met een grote donderslag de fee Candide voor hem verscheen. ‘Je bent een monster geworden, ’zei ze streng. Ik verander je in de beesten die je laat zien dat je bent. Een leeuw vanwege je woede. Een wolf vanwege je hebzucht. Een slang om je gebrek aan respect en een stier vanwege je wreedheid.’

En zo veranderde Chéri in een merkwaardig beest en bevond zich in een door jagers gegraven kuil. Hij werd gevangengenomen en naar de hoofdstad van zijn koninkrijk gebracht. Daar aangekomen hoorde hij een groot gejuich. Prins Chéri zou in zijn kamer dodelijk getroffen zijn door een bliksemschicht. Het volk had als nieuwe heerser gekozen voor de wijze Suliman. Chéri hijgde van woede. Daar zat Suliman op zijn troon, aangemoedigd door het volk die hem omhelsden.

‘Ik accepteer tijdelijk de troon,’ zei Suliman, ‘want hij is bedoeld voor prins Chéri. Een fee vertelde me dat hij niet dood is, maar goedhartig zal terugkeren. Hij werd omringd door slechte mensen die een slechte invloed op hem hadden. Vanbinnen is het een goed mens.’ Deze woorden maakten Chéri verdrietig en hij kreeg enorm veel spijt van zijn gedrag.

Daarom gehoorzaamde degene die de leiding over hem had en hem voortdurend sloeg. Op een dag werd deze man door een tijger overvallen. Chéri nam het gevecht tegen het woeste beest op en redde daarmee het leven van de man. ‘Een goede daad zal beloond worden!’ klonk een stem. En tot Chéri’s vreugde veranderde hij in een hondje. Zijn nieuwe baasje was blij met hem, maar had amper geld voor eten. Chéri stierf bijna van de honger.

Op een dag wilde hij zijn kleine dagelijks stukje brood eten, toen zijn oog viel op een vermagerd jong meisje. Hij gaf haar het brood en hoorde opeens luide kreten. Het was Zélie die gegrepen werd door vier mannen. Chéri verlangde er hevig naar om haar te helpen en bleef hard blaffen, ook al werd hij meedogenloos geschopt. Op dat moment zei een stem: ‘Een goede daad wordt beloond.’ En Chéri veranderde in een witte duif.

Dagenlang vloog hij rond in de hoop Zélie te zien. Hij vond haar gehurkt naast een zwerver en fladderde neer op haar schouder. Ze streelde zijn veren en fluisterde dat ze altijd van hem zou houden. Op dat moment kreeg Chéri zijn natuurlijke gedaante terug. De zwerver veranderde in de fee Candide. ‘Kom,’ zei ze. ‘Ik breng jullie naar het paleis waar Chéri zijn kroon kan ontvangen, die hij nu waardig is.’ Chéri en Zélie regeerden lang en gelukkig. De ring, die hij vanaf dat moment weer droeg, heeft hem zelden nog geprikt.

Download de PDF van Prins Chéri met plaatjes