Het Meisje met de Zwavelstokjes

Hans Christian Andersen


Het Meisje met de Zwavelstokjes


Op de laatste avond van het jaar was het ijzig koud, het sneeuwde en het was al bijna helemaal donker. Door de schemering liep een arm klein en hongerig meisje. Ze droeg geen muts en haar blote voeten zagen blauw van de kou. Ze was van huis gegaan op de pantoffels van haar moeder maar ze had er eentje verloren en eentje had een pestkop meegenomen.

In haar schort had ze een heleboel zwavelstokjes. Ze had nog niks verkocht. Daarom durfde ze niet naar huis want daar stond haar vast een pak slaag te wachten en daar was het ook koud. Uit alle ramen van de huizen scheen licht en de geur van heerlijk gebraden gans kwam haar tegemoet. De sneeuw viel op haar haren en ze hurkte neer in een hoekje tussen twee huizen. Haar ijskoude handen deden erg zeer.


Het Meisje met de Zwavelstokjes

Als ze nu eens een zwavelstokje zou durven afstrijken dan zou ze haar handen kunnen warmen. Skrrrtttt het vuurtje sputterde en vlamde. Het leek net een kleine kaars. Maar wat een vreemd licht...het leek net alsof ze voor een heerlijk warme kachel zat. O wat was dat fijn! Toen ging het vlammetje uit en zat ze weer in het hoekje in de kou.

Ze streek een nieuw stokje aan. Toen... kon ze opeens door de muren van het huis de kamer in kijken. Op tafel lag een dikke gebraden gans en er was nog veel meer lekkers. De gans kwam zelfs naar het meisje toe gewaggeld. Maar ook nu ging het vlammetje uit en zat ze op de koude straat.


Het Meisje met de Zwavelstokjes

Opnieuw brandde ze een zwavelstokje. Nu... zat ze plotseling onder een prachtige kerstboom met kleurige ballen en wel duizend kaarsjes. Toen ze haar handen uitstak naar de kaarsjes ging het stokje uit. De duizend kaarsjes stegen op en veranderden in heldere sterren. Een van de sterren begon te vallen en trok een lichtspoor langs de hemel. Ze dacht: “Als er een ster valt dan gaat er iemand dood.” Dat had ze geleerd van haar grootmoeder.

Ze stak weer een stokje aan. Opnieuw was er een vreemd licht. Daar... zag ze plotseling haar grootmoeder, schitterend en stralend en met een lieve blik in haar ogen. “Grootmoeder neem me alsjeblieft mee”, riep het meisje. “Als het vlammetje uitgaat dan bent u weer weg, net als de gans, de kachel en de kerstboom.”

Snel stak ze alle zwavelstokjes aan want ze wilde dat haar grootmoeder bleef. Het licht was nog helderder dan daglicht. Nog nooit was grootmoeder zo mooi geweest. Ze nam het meisje in haar armen en steeg samen met haar op. Steeds hoger en hoger, naar daar waar alleen nog blijdschap is en geen kou en honger. Ze waren nu samen bij God.


Het Meisje met de Zwavelstokjes

De volgende morgen vonden de mensen in het hoekje tussen de huizen een klein meisje met roze wangen en een glimlach op haar lippen. Ze was doodgevroren op de laatste avond van het jaar. Het eerste licht van het nieuwe jaar scheen over haar.

Ze heeft zeker geprobeerd zich een beetje op te warmen zeiden de mensen. Maar niemand wist van de prachtige dingen die het meisje had gezien. En niemand wist dat ze samen met haar grootmoeder het nieuwe jaar in de vreugdevolle hemel was begonnen.

Download de PDF van Het Meisje met de Zwavelstokjes met plaatjes