Lucas en het donkere bos

Er was eens, in een bos, een jongen genaamd Lucas. Hij woonde in een knus huisje met zijn ouders omringd door hoge bomen en wilde bloemen. Lucas hield van het leven in het bos, hij bracht uren door met het verkennen van het bos, spelen in de kreek en zoeken naar wilde bessen.

Maar er was één ding waar Lucas bang voor was, en dat was het donker. Als de zon onderging, werd het bos erg donker en eng. De schaduwen strekten zich lang uit en de dieren van het bos maakten vreemde geluiden die Lucas bang maakten. Hij zorgde er altijd voor dat hij voor het donker werd weer in zijn huisje was, zodat hij niet in het donker buiten hoefde te zijn.

Op een dag was Lucas aan het spelen en had hij zoveel plezier dat hij de tijd uit het oog verloor. Voordat hij het wist, was de zon onder en was het bos donker. Lucas realiseerde zich dat hij te ver weg was van zijn huisje en in het donker naar huis zou moeten lopen. Zijn hart begon te bonzen en hij voelde een brok in zijn keel.

Maar toen herinnerde hij zich alle keren dat hij overdag het bos had verkend en hij wist dat hij het bos goed genoeg kende om niet te verdwalen. Hij herinnerde zich ook dat niet alleen het licht de dingen mooi maakt, maar ook het donker. Dus besloot hij dat hij dapper zou zijn en zich niet meer door het donker zou laten afschrikken.

Toen Lucas naar huis liep, zag hij hoe de sterren schitterden aan de hemel en de maan helder scheen als een lantaarn. Hij hoorde de krekels zingen en de uilen roepen. Het was eigenlijk best rustig. Hij was trots op zichzelf omdat hij zijn angst had overwonnen en de schoonheid van het donker had gezien.

Toen Lucas eindelijk zijn huisje bereikte, realiseerde hij zich dat het donker toch niet zo eng was. Vanaf die dag bleef hij later op de avond vaak buiten en was hij nooit meer bang in het donker. Hij leerde dat door zijn angst onder ogen te zien, hij zichzelf had opengesteld voor een hele nieuwe wereld van schoonheid en verwondering.

image_pdfDownloadimage_printPrint