De Verloren Jaren

Er was eens een koning die heel goed voor zijn onderdanen zorgde. Hij regelde dat iedereen voldoende geld had, legde mooie wegen aan en bouwde goede ziekenhuizen. Alle mensen in het land moesten hard werken, maar leefden in comfort en vrede. En wat ze het allerliefst deden, was tegen elkaar zeggen: ‘Wat hebben we het hier toch goed.’

De koning zelf stond ook midden in het leven. Het liefst ging hij ’s morgens in zijn tuin wandelen om aan de bloemen te ruiken, ’s middags lekker zwemmen en spelen met zijn kinderen en ’s avonds koekjes bakken met zijn vrouw en vrienden. En de koning kon het nooit laten om te zeggen: ‘Wat hebben we het hier toch goed.’

Maar op een dag werd de rust in het land hevig verstoord door een nieuw soort, hele kleine trol. Deze trollen verspreidden zich razendsnel over het land en overal lieten ze mensen verdwijnen. De koning en zijn onderdanen waren doodsbang. En hoewel de koning geen idee had wat hij aan de trollen kon doen, zei hij toch: ‘Wees gerust, ik ga dit oplossen.’

Al snel begon de koning drastische maatregelen te nemen:

  • Er mochten geen bloemen meer bloeien, want er zou zomaar een trol in kunnen zitten
  • Er mochten geen koekjes meer gebakken worden, want er zou zomaar een trol in kunnen zitten
  • Er mocht niet meer gezwommen worden, want er zou zomaar een trol in het water kunnen zitten
  • Er mocht niet meer gespeeld worden, want dat zou trollen kunnen lokken

En hoewel de mensen van het land hier erg verdrietig over waren, zei men tegen elkaar: ’De koning heeft altijd voor ons gezorgd. Hij zal het ook nu het beste weten.’ En zodoende deden de meeste mensen precies wat de koning vroeg. Maar dit hielp allemaal maar mondjesmaat. Angstig en ten einde raad, plofte de koning in zijn troon, toen er opeens een boze tovenaar verscheen die zei: ‘In ruil voor uw schatkist, geef ik u een toverdrankje. Iedereen die dit drinkt, wordt voor even onzichtbaar voor trollen.’

Dol van blijdschap riep de koning zijn onderdanen bijeen en deelde het toverdrankje uit. In vreugde dronken de meeste mensen het toverdrankje en waanden zich veilig voor trollen. Ze waren tenslotte onzichtbaar. Ook de koning was in de wolken: hij had zijn onderdanen gered. Een geweldige prestatie.

Maar na een tijdje bleek, dat het drankje van de boze tovenaar al snel was uitgewerkt en dat er steeds meer mensen gegrepen werden door trollen. Bang en boos gaf de koning de mensen die geen toverdrankje hadden genomen hier de schuld van. Alles kwam door hen! Zij deden niet exact wat hij wilde! Hij plofte in zijn troon en opnieuw verscheen de boze tovenaar die zei: ‘Ik heb een nieuw toverdrankje gemaakt waarmee mensen nog langer onzichtbaar zijn voor trollen. Geef mij uw schatkist en verban de mensen die het vorige drankje niet hebben gedronken, dan geef ik u het nieuwe drankje.’

De koning was dolblij! Hij riep zijn onderdanen bijeen en zei: ‘U die het drankje niet hebt genomen, bent hierbij verbannen. Voor de rest van u: hier is een nieuw drankje dat u langer onzichtbaar houdt voor trollen.’ De bevolking danste van vreugde en zei weer tegen elkaar: ‘Wat hebben we het hier toch goed.’ Een kleine groep mensen wilde geen tweede toverdrankje en zij werden belachelijk gemaakt door de rest van de mensen en verbannen door de koning.

Wat men echter niet wist, is dat het drankje van de boze tovenaar er ook voor zorgde, dat iedereen die het drankje dronk, een zwarte vlek voor de ogen kreeg. Hierdoor kon de boze tovenaar ongemerkt veel meer uit de schatkist stelen. Toen ook het nieuwe toverdrankje was uitgewerkt, kwam de boze tovenaar met een derde drankje aanzetten, opnieuw wilde een kleine groep mensen het drankje niet meer drinken en opnieuw werden zij belachelijk gemaakt door de anderen en verbannen door de koning.

Zo ging het jaren door, totdat de koning zelf ernstig ziek werd. Op zijn sterfbed dacht hij terug aan de jaren voordat de nieuwe trollen er waren en opeens realiseerde hij zich dat hij al jaren geen bloem meer had geroken, geen koekjes meer had gebakken, niet had gezwommen, niet met zijn kinderen had gespeeld en zijn vrienden niet had gezien. Snikkend zei hij: ‘Ik zou er alles voor over hebben om al die mooie dingen nog één keer te ervaren.’

Toen de koning op het punt stond om in verdriet zijn ogen voor het laatst te sluiten, verscheen er opeens een vriendelijke fee die zei: ‘Koning, draai al uw besluiten terug en vertel uw onderdanen om niet in angst te leven en van al het moois in de wereld te genieten zolang het nog kan, dan laat ik u nog één keer de bloemen ruiken, bakken we nog één keer samen koekjes, gaan we nog één keer zwemmen, nog één keer met uw kinderen spelen en bezoeken we nog één keer uw vrienden.’

Zo gezegd zo gedaan. De koning stierf een vredige dood, de verbannen onderdanen keerden terug en, hoewel er soms nog mensen verdwenen, leefde niemand meer in angst voor trollen.

0Shares
0 replies on “De Verloren Jaren”