De Sneeuwman en de jongen

Er was eens een man die van sneeuw was gemaakt. Hij had stokken als armen en stenen als ogen. Zijn neus was gemaakt van een ijspegel, en zijn mond was een stukje gebogen tak, dat aan de uiteinden opkrulde, zodat hij eruitzag alsof hij glimlachte.

“Hij is de beste Sneeuwman die we ooit hebben gezien”, zeiden de kinderen die hem gemaakt hadden. Ze sloegen de handen ineen en dansten om hem heen tot hun moeder hen binnenriep voor het avondeten.

“Tot ziens”, riepen ze naar hem terwijl ze over het hek klommen dat het veld van het erf scheidde. “Tot ziens! We brengen je morgen een hoed.”

Er waren zes kinderen, en de jongste van hen was een kleine jongen die nog nooit eerder had geholpen met het maken van een Sneeuwman. Hij dacht aan de Sneeuwman terwijl hij aan het eten was, en zelfs nadat hij die avond naar bed was gegaan. Hij wist precies hoe de Sneeuwman eruitzag met zijn lachende mond en stokarmen.

“Ik wilde dat we hem vanavond al een hoed hadden gegeven”, dacht hij, terwijl zijn oogleden als twee gordijntjes voor zijn ogen naar beneden vielen.

“Hatsjoe! Hatsjoe! Ik wilde ook dat je dat gedaan had”, zei iets buiten het raam en – je kunt het geloven of niet – het was de Sneeuwman die zo hard niesde!

“Dit krijg je ervan als je met een bloot hoofd in de kou staat”, zei hij. “Ik zal mijn hoofd er nog eens af niezen – ik weet zeker dat dat zal gebeuren – hatsjoe, hatsjoe, hatsjoe.”

“Lieve Sneeuwman”, zei de kleine jongen. “Ik zal meteen een hoed voor je halen, maar het zal mijn matrozenhoed worden, want ik draag mijn nieuwe hoed naar feestjes, en mijn dagelijkse pet zal je niet passen, vrees ik, we hebben je hoofd te groot gemaakt.”

“De matrozenhoed is goed”, zei de Sneeuwman, “als ik hem maar meteen mag hebben. Zoals het nu is, zonder iets op mijn hoofd, blijf ik verkouden en wordt het alleen maar erger. Hatsjoe, hatsjoe, hatsjoe.”

Toen de kleine jongen dit hoorde, sprong hij uit bed en rende naar de kast, pakte de matrozenhoed van de bovenste plank en gaf die aan de Sneeuwman.

“Hoe zie ik eruit?”, vroeg hij zodra hij hem op had gezet.

“Goed genoeg”, antwoordde de Maan, die al die tijd had gekeken, “maar je zult haast moeten maken als je voor daglicht nog ergens heen wilt.”

“Hoor je niet wat de Maan zegt?”, zei de Sneeuwman tegen de kleine jongen. “Waar wacht je nog op?”

“Ga ik dan ook ergens heen?”, vroeg het kind.

“Natuurlijk”, antwoordde de Sneeuwman. “Waarom zou je niet gaan?”

De kleine jongen kon hier geen antwoord op bedenken en voor hij het wist was hij uit het raam geklommen en ging met de Sneeuwman op pad.

“Waar gaan we naartoe?”, vroeg hij.

“Wel,” zei de Sneeuwman, die zich de straat op haastte, “daar heb ik nog nooit over nagedacht, maar aangezien je er nu over praat, denk ik dat we vandaag het beste naar het paleis van de Winterkoning kunnen gaan en hem vragen of hij niet iets kan doen om de sneeuw te behouden. Morgen gaat de Zon schijnen en dan smelt ik.”

“Oh”, zei de kleine jongen, want hij had zijn moeder beloofd dat hij naar zijn grootmoeder zou gaan als het een mooie dag was. Hij had echter geen tijd om er iets over te zeggen, want juist op dat moment riep de Sneeuwman verschrikt: “Ik heb een oog verloren en ik kan echt niet meer zonder.”

“Lieve Sneeuwman”, zei de kleine jongen. “Hoe kunnen we het oog ooit vinden?”

Maar terwijl ze stonden te praten, kwam er een hondje langs dat hij heel goed kende. Zijn naam was Fido, en hij kon altijd alles vinden wat verloren was. Hij had het balletje gevonden toen het onder het huis door rolde, en de schoenen van zijn meester toen niemand ze kon vinden. Toen hij hoorde van het verloren oog, ging hij meteen zoeken.

“Maak je geen zorgen”, zei de kleine jongen, “Fido zal het vinden!” En inderdaad, in een oogwenk was het hondje terug met de steen in zijn bek! De kleine jongen legde hem zo snel mogelijk weer op zijn plaats, want de Sneeuwman leek haast te hebben.

“Zag je niet dat we bij een bakker waren?”, zei hij. “Ik weet dat ik ook in de buurt van de oven moet zijn geweest, want één van mijn oren is bijna weggesmolten.”

“Dat kan helemaal niet want je hebt geen oren!”, zei de kleine jongen. “We wisten niet hoe we oren moesten maken.”

“Geen oren?”, riep de Sneeuwman. “Hoe hoor ik dan wat je zegt? Maar ja je bent ook nog maar een kleine jongen en je kunt niet alles weten. Trouwens, we zijn nu bij het paleis en je moet stil zijn.”

De kleine jongen dacht dat hij langs het schoolgebouw van zijn grote broers en zussen liep, maar toen hij naar binnen ging, zag hij dat hij ongelijk had en dat de Sneeuwman gelijk had. Op de plek van het bureau van de leraar stond nu een troon, en op de troon zat de Winterkoning met ijspegels in zijn baard.

Zodra hij de Sneeuwman en de kleine jongen zag, begon hij heel snel te praten: “Wat heeft deze kleine jongen gedaan? Waarom ligt hij niet in bed? Kom hier, Jack Frost, en kriebel onder zijn tenen.”

“Oh! Nee, nee”, riep de Sneeuwman. “Hij heeft niets verkeerds gedaan. Hij is één van mijn beste vrienden en ik heb hem hierheen gebracht om je te vragen morgen de zon niet te laten schijnen. Ik wil niet smelten.”

“Ahum! Aha”, bromde de koning. “Ik weet niet of ik dat kan doen. Je zult toch een keer moeten smelten, nietwaar?”

“Natuurlijk”, zei de Sneeuwman, “maar ik wil het graag zo lang mogelijk volhouden.” Het maakte de kleine jongen erg verdrietig om hem op deze manier te horen praten. Hij dacht dat hij nog liever niet naar zijn grootmoeder ging dan de Sneeuwman in de zon te laten smelten.

“We zijn erg gesteld op hem”, zei hij tegen de koning. “Hij is de beste Sneeuwman die we ooit hebben gezien, en hij ziet eruit alsof hij glimlacht.”

“Dat doet hij ook”, zei de koning, opnieuw naar de Sneeuwman kijkend, “en aangezien jij het vraagt, zal ik je vertellen wat ik zal doen. Ik kan de Zon niet laten stoppen met schijnen, maar ik zal de Noordenwind vragen om de Sneeuwman te bevriezen, en misschien houdt hij het toch vol dan.”

Toen de Sneeuwman dit hoorde, begon hij te dansen, en omdat de kleine jongen een van zijn stokarmen vasthield, moest hij ook dansen. Samen dansten ze het paleis van de Winterkoning uit, door de straten, het veld in, waar de Noordenwind op hen wachtte. Het eerste wat hij deed was de hoed van het hoofd van de Sneeuwman blazen. “Hatsjoe, hatsjoe”, nieste de Sneeuwman. “Ik weet zeker dat ik verkouden zal worden.”

En “hatsjoe” nieste de kleine jongen, en hij niesde zo hard dat hij er zelf wakker van werd, want – je kunt het geloven of niet – hij had de hele tijd geslapen en alles gedroomd! Maar een deel van zijn droom kwam uit, want toen hij de volgende ochtend uit het raam keek, stond de Sneeuwman er nog en hij was hard bevroren!

image_pdfDownloadimage_printPrint