Een Ezel en een Vos waren hechte kameraden geworden. Ze verbleven steeds graag in elkaars gezelschap. Terwijl de Ezel op een lekker stukje groen knabbelde, verslond de Vos een kip van een naburig erf of jatte een stukje kaas bij de melkerij.
Op een dag ontmoette het paar onverwacht een Leeuw. De Ezel was erg bang maar de Vos bleef kalm. “Ik zal wel met hem praten”, zei hij. Dus liep de Vos dapper naar de Leeuw toe.
“Hoogheid”, zei hij op gedempte toon, zodat de Ezel hem niet kon horen, “ik heb een goed plan in mijn hoofd. Ik heb een prooi voor je op een plek waar hij niet weg kan. Jij kunt je er dus lekker te goed aan doen.”
De Leeuw stemde toe en de Vos keerde terug naar de Ezel.
“Ik heb hem laten beloven ons geen pijn te doen”, zei de Vos. “Maar kom, ik weet een goede plek waar we ons kunnen verstoppen tot hij weg is.”
Dus leidde de Vos de Ezel een diepe kuil in. Maar toen de Leeuw zag dat de Ezel voor het oprapen lag, sloeg hij eerst, met zijn klauw, de verraderlijke Vos neer.
Auteursvermelding
Aesopus was een legendarische Griekse fabeldichter die vermoedelijk leefde in de zesde eeuw voor Christus. Hij staat bekend om zijn korte, puntige fabels waarin dieren menselijke eigenschappen belichamen en morele lessen overdragen. "De Ezel, de Vos en de Leeuw" is een van zijn scherpste vertellingen over de gevaren van verraad en het gevaar van overmoedige sluwheid.
