De Drie Biggetjes

Er was eens een varken dat met haar drie kinderen op een heerlijk groot, ouderwets, boerenerf woonde. De oudste big heette Browny, de tweede Whitey, en de jongste Blacky.
De jongste big was het mooist om te zien.

Browny was een heel vies varkentje. Hij bracht de tijd het liefst door met rollen en wentelen in de modder. Hij was het gelukkigst op een natte regendag als de modder op het erf zacht en plakkerig werd door de regen.

Op zo’n dag sloop hij stiekem bij zijn moeder vandaan en zocht de modderigste plek in de tuin op. Hij rolde dan lekker rond in de modder en vermaakte zich uitstekend.
Zijn moeder vond dat helemaal geen goed idee. Ze schudde bedroefd haar hoofd en zei:
“Ach Browny, op een dag zul je er spijt van krijgen dat je je oude moeder niet gehoorzaamde.”
Maar geen enkel advies of een waarschuwing kon Browny van zijn slechte gewoonten af brengen.

de drie biggetjes

Whitey was een heel slim varkentje maar ze was hebzuchtig. Ze dacht altijd aan eten en verheugde zich de hele dag op haar avondeten. Als ze het boerenmeisje zag, dat de emmers over het erf droeg, ging ze op haar achterpoten staan. Ze danste en huppelde dan van blijdschap en vreugde.
Zodra het eten in de trog was gegoten, duwde ze Blacky en Browny gewoon opzij.
Ze was zo gretig en hebberig dat ze altijd probeerde de beste en grootste stukjes voor zichzelf te krijgen. Haar moeder gaf haar dan een flink standje omdat ze alleen aan zichzelf dacht. Ze zei ook dat Whitey op een dag zou boeten omdat ze zo hebberig was.

Blacky was een goed en vriendelijk varkentje. Hij was niet vies en hij was ook niet hebzuchtig.
Hij had, voor een varken, mooie en elegante manieren. Zijn huid was altijd zo glad en glanzend als zwart satijn. Hij was veel slimmer dan Browny en Whitey.
Zijn moeder was enorm trots op hem. Ze werd nog trotser toen ze de vrienden van de boer hoorde zeggen dat het kleine zwarte varken zeker veel geld waard zou zijn.

Op een dag riep het moedervarken de drie Biggetjes bij zich. Ze voelde zich oud en zwak en haar einde was nabij. Ze zei:
“Mijn lieve kinderen, ik ben oud en ik voel dat ik steeds zwakker aan het worden ben.
Ik zal niet lang meer leven. Voordat ik sterf, zou ik graag voor ieder van jullie een huis bouwen. Deze oude, dierbare varkensstal, waarin we zo gelukkig geleefd hebben, zal aan een nieuwe varkensfamilie worden gegeven. Dus jullie moeten dan vertrekken.

Browny, wat voor soort huis zou jij willen hebben?

“Een huis van modder”, antwoordde Browny. Hij keek verlangend naar een natte plas in de hoek van de tuin.

“En jij, Whitey?”, vroeg het moedervarken. Haar stem klonk wat triest omdat ze een beetje teleurgesteld was dat Browny zo’n dwaze keuze had gemaakt.
“Een huis van kool”, antwoordde Whitey, met een mond vol. Ze haalde daarbij amper haar snuit uit de trog waarin ze naar aardappelsnippers op zoek was.
“Dwaas, dwaas kind”, zei het moedervarken en ze keek weer een beetje bedroefd.

“En jij, Blacky?”, vroeg ze, zich tot haar jongste zoon wendend. “Wat voor huis wil jij?”
“Alsjeblieft graag een huis van baksteen, moeder. Het zal daar warm zijn in de winter, koel in de zomer en het hele jaar door veilig.”
“Jij bent nog eens een verstandig varkentje”, antwoordde zijn moeder. Ze keek hem liefkozend aan. “Ik zal ervoor zorgen dat de drie huizen in orde komen.”

“Nu nog een laatste advies voor jullie allemaal. Jullie hebben me al vaak horen praten over onze oude vijand de Vos. Als hij hoort dat ik dood ben, zal hij zeker proberen jullie te pakken te krijgen en jullie mee naar zijn hol nemen. Hij is erg sluw. Hij zal zich vermommen.
Hij doet dan alsof hij een vriend is. Jullie moeten me beloven hem onder geen enkel voorwendsel in jullie huizen binnen te laten.”

De Biggetjes beloofden het graag. Ze waren altijd erg bang geweest voor de Vos, van wie ze vreselijke verhalen hadden gehoord. Korte tijd daarna stierf het oude varken.
En de Biggetjes gingen alledrie in hun eigen huis wonen.

Browny was heel blij met zijn zachte muren van modder en zijn vloer van klei.
Alles leek al gauw op een grote moddertaart. Maar dat vond Browny juist heerlijk.
Vol geluk rolde hij de hele dag rond in de modder, tot hij er duizelig van werd.
Op een dag, terwijl hij half slapend in de modder lag, hoorde hij zacht geklop op de deur.

Een vriendelijke, zachte stem zei:
“Mag ik misschien even binnenkomen, meneer Browny? Ik wil graag je prachtige nieuwe huis zien.”
“Wie ben jij?”, zei Browny. Hij was van schrik opgesprongen. Hoewel de stem vriendelijk klonk maakte hij zich grote zorgen. Hij wist zeker dat de stem maar zogenaamd vriendelijk klonk.
Hij vreesde dat het de Vos was.
“Ik ben een vriend die jou komt bezoeken”, antwoordde de stem.
“Nee hoor, nee”, antwoordde Browny, “ik geloof niet dat je een vriend bent.
Jij bent de boze Vos waar onze moeder ons voor waarschuwde. Ik laat je echt niet binnen.”

“Aha, is dat de manier waarop jij mij antwoord geeft?”, zei de Vos, nu met zijn rauwe, natuurlijke stem sprekend. “We zullen straks wel eens zien wie hier de baas is.”
Vervolgens begon hij met zijn poten aan de muur van modder te schrapen en maakte er zo een groot gat in. Korte tijd later sprong hij door het gat heen.
Hij greep Browny is zijn nekvel en sleepte hem, op een drafje, naar zijn eigen hol.

De volgende dag, terwijl Whitey een paar blaadjes kool uit de hoek van haar huis kauwde, sloop de Vos naar haar deur. Hij was vastbesloten haar ook te grijpen en bij haar broer in zijn hol te leggen. Hij praatte met dezelfde, zogenaamd vriendelijke stem, als waarmee hij tegen Browny had gesproken. Maar het varkentje werd erg bang toen hij zei:
“Ik ben een vriend die jou op komt zoeken. Ik wil graag wat van jouw lekker kool hebben, voor mijn avondeten.”

“Raak alsjeblieft de kolen niet aan”, riep Whitey in grote nood. “Die kolen zijn de muren van mijn huis. Als je ze opeet, maak je een gat en dan stort mijn huis in elkaar.
De wind en de regen komen dan naar binnen en maken mij dan ook nog verkouden.
Ga weg, ik weet zeker dat je geen vriend bent, maar onze boze vijand de Vos.”

De arme Whitey begon te jammeren en te jammeren. Ze wenste dat ze niet zo’n hebzuchtig varkentje was geweest. Dan zou ze steviger materiaal dan kool voor haar huis gekozen hebben. Maar nu was het te laat. Nog geen minuut later had de Vos zich een weg gebaand door de muren van kool en Whitey in haar nekvel gegrepen. Hij bracht ook haar, op een drafje, naar zijn hol.

De volgende dag ging de Vos naar het huis van Blacky. Hij had besloten dat hij alle drie de Biggetjes in zijn hol wilde hebben. Hij zou ze dan doden en vrienden uitnodigen voor een lekker feestmaal. Bij het stenen huis aangekomen, ontdekte hij dat de deur op slot was.
Dus hij probeerde het weer op zijn sluwe manier: “Laat me toch binnen, beste Blacky.
Ik heb een cadeautje voor je meegebracht. Lekkere eieren die ik, onderweg hierheen, heb opgehaald bij het boerenerf.”

“Nee,nee, meneer Vos”, antwoordde Blacky, “ik ga mijn deur niet voor u opendoen.
Ik ken je sluwe manieren. Je hebt de arme Browny en Whitey meegenomen, maar mij krijg je niet te pakken hoor.”

Toen werd de Vos zo boos dat hij met al zijn kracht tegen de muur rende en deze omver wilde te werpen. Maar de muur was sterk en goed gebouwd. De Vos schraapte er wel met zijn poten langs maar moest het verder opgeven. Hij deed alleen zichzelf pijn.
Hij strompelde, met pijnlijke, bloedende voorpoten, naar huis.

“Laat ook maar zitten”, riep hij, “ik zie je vast en zeker nog wel een andere keer in mijn hol.” Hij gromde fel en liet zijn tanden zien.

De volgende dag moest Blacky naar de naburige stad om wat etenswaren te halen en een grote waterketel te kopen. Terwijl hij naar huis liep, hoorde hij achter zich het geluid van voetstappen. Even stond zijn hart stil van angst. Het zou vast en zeker de Vos zijn.
Toen kreeg Blacky een goed idee.

Hij had net de top van de heuvel bereikt en zag zijn eigen huisje wat onder de bomen stond.
Hij rukte de deksel van de waterketel af en sprong er zelf in. Hij rolde zich lekker op tegen de bodem van de ketel en trok het deksel dicht.

Van binnen uit gaf hij de ketel een duw en deze rolde vervolgens met volle kracht de heuvel af. Toen de Vos achter hem de heuvel op kwam, zag hij alleen een grote zwarte ketel die in hoog tempo van de heuvel rolde. Hij wilde zich net, zeer teleurgesteld, omdraaien, toen hij zag dat de ketel dichtbij het kleine stenen huis stopte. Even later sprong Blacky eruit.
Hij ging snel met de ketel het huis in. Hij zette de ketel voor de deur en deed de deur stevig op slot. Het luik boven het raam deed hij ook dicht.

“Oh, o”, riep de Vos bij zichzelf uit, “jij denkt zeker dat je me op deze manier kunt ontlopen.
Dat zullen we nog wel eens zien, mijn vriend.” Hij sloop stil en heimelijk rond het huis, op zoek naar een manier om op het dak te klimmen.

In de tussentijd had Blacky de ketel met water gevuld. Nadat hij deze op het vuur had gezet, ging hij rustig zitten wachten tot het water kookte. Net toen de ketel begon te zingen en er stoom uit de tuit kwam, hoorde hij een geluid boven zijn hoofd. Een gedempte stap en toen een hoop gekletter. Het volgende moment zag hij de kop en de voorpoten van de Vos door de schoorsteen komen.

Blacky had gelukkig, heel wijs, de deksel niet op de ketel gedaan. Met een kreet van pijn viel de Vos in het kokende water. Voordat de Vos kon ontsnappen, deed Blacky het deksel op de ketel. Nu was de Vos gevangen en hij zou verbrand worden door het hete water.

Zodra Blacky er zeker van was dat hun boze vijand echt dood was en hen geen kwaad meer kon doen, ging hij Browny en Whitey redden. Bij het vossenhol aangekomen hoorde hij het jammerlijke gegrom en harde gekrijs van zijn arme kleine broertje en zusje.
Zij hadden constant in angst geleefd. Ze waren zo bang geweest dat de Vos hen zou opeten.

Maar toen ze Blacky bij de ingang van het hol zagen verschijnen, kende hun vreugde geen grenzen. Blacky pakte snel een scherpe steen en sneed de touwen door waarmee ze aan een paal in de grond waren vastgebonden. Toen gingen ze alle drie naar Blacky’s huis.
Ze leefden daar samen nog lang en gelukkig.

Browny gaf het rollen in de modder op. Whitey hield ermee op zo hebberig te zijn.
Want ze zouden, van nu af aan, nooit meer vergeten dat deze fouten bijna hun dood hadden betekend.

de drie biggetjes sprookje

Luister naar Het verhaal van de drie biggetjes

Wie is de schrijver van De Drie Biggetjes?

De schrijver is onbekend.

Voor welke leeftijd is het sprookje?

Wij vinden dit sprookje het meest geschikt voor kinderen van 4 jaar, 5 jaar en 6 jaar.

Wat is de leestijd van het verhaal?

10 minuten

Het is onbekend door wie De Drie Biggetjes is geschreven. Lees, luister of print dit sprookje gratis via onze website.
0 replies on “De Drie Biggetjes”