Er waren eens een man en een vrouw die geen kind hadden, hoewel ze daar wel erg naar verlangden. Op een dag, toen de man weg was, legde de vrouw een grote stok hout in de wieg en begon ermee te wiegen en voor te zingen. Toen ze even wegkeek en weer omkeek, zag ze dat de stok armen en benen had. Vervuld van vreugde begon ze er weer te wiegen en te zingen. Ze hield het een hele tijd vol, en toen ze weer keek, lag daar, in plaats van het stuk hout, een lief klein jongetje in de wieg.

De vrouw nam het kind op en verzorgde het, en daarna was hij voor haar als haar eigen zoon. Ze noemde hem Peter en maakte een truitje, een jas, een broek en een muts voor hem.

Op een dag trok Peter zijn jas aan en ging in een bootje vissen, op de rivier. Tegen de middag ging zijn moeder naar de oever van de rivier en riep: “Peter, Peter, breng je boot naar de wal, want ik heb een kleine taart voor je meegebracht om te eten.”

Toen zei Peter tegen zijn boot: “Bootje, bootje, drijf wat dichterbij. Bootje, bootje, drijf wat dichterbij.” En de boot dreef naar de kust, Peter nam de taart en ging weer vissen.

Nu gebeurde het dat een Baba Jaga, dat is een vreselijke heks, zich in de struiken, vlakbij, had verstopt. Ze hoorde alles wat er gebeurde tussen de vrouw en het kind. Dus nadat de vrouw naar huis was gegaan, wachtte de Baba Jaga een tijdje, en toen ging ze naar de rand van de rivier en verborg zich daar, en riep: “Peter, Peter, breng je boot naar de kust, want ik heb nog een kleine taart voor je meegebracht.”

Maar toen Peter haar stem hoorde, die heel grof en luid was, wist hij dat het een Baba Jaga moest zijn die hem riep, dus zei hij: “Bootje, bootje, drijf een beetje verder. Bootje, bootje, drijf een beetje verder.” Toen dreef de boot nog verder weg, buiten het bereik van de Baba Jaga.

De oude heks had al snel door wat er aan de hand was en haastte zich naar een smid. “Smid, smid, smeed voor mij zo snel mogelijk een kleine mooie stem”, riep ze, “of ik stop je in mijn vijzel en maal je in stukken met mijn stamper.”

De smid was bang. Hij maakte voor haar, zo snel als hij kon, een kleine, fijne stem, en de Baba Jaga nam het aan en haastte zich terug naar de rivier. Daar verstopte ze zich, dichtbij de oeve,r en riep met haar kleine nieuwe stemmetje: “Peter, Peter, breng je boot naar de kust, want ik heb nog een kleine taart voor je meegebracht.”

Toen Peter de Baba Jaga hem hoorde roepen met haar fijne, zachte stem, dacht hij dat het zijn moeder was, dus zei hij tegen zijn boot: “Bootje, bootje, drijf wat dichterbij. Bootje, bootje, drijf wat dichterbij.” Toen kwam het bootje aan land. Peter keek overal om zich heen, maar zag niemand. Hij vroeg zich af waar zijn moeder was gebleven en stapte uit zijn boot om haar te zoeken.

Onmiddellijk greep de Baba Jaga hem. Als een wervelwind snelde ze met hem weg door het bos en hield niet op tot ze haar eigen huis bereikte. Daar sloot ze hem op in een kooi achter het huis om hem daar vast te houden tot hij dik werd. Nadat ze hem had opgesloten, ging ze terug naar binnen, en haar kleine kat was daar. “Mevrouw”, zei de kat, “ik heb eten voor u gekookt en ik heb erge honger. Wilt u me niet iets te eten geven?”

“Alles wat ik niet opeet, mag jij hebben”, antwoordde de Baba Jaga. Ze ging aan tafel zitten en at alles op behalve een botje. Dat was alles wat de kat had.

Ondertussen wachtte de moeder, thuis, tot Peter met zijn vis terug zou komen van de rivier. Uiteindelijk ging ze naar beneden om hem te zoeken. Daar lag zijn boot leeg op de oever, en rondom waren er sporen van de voeten van de Baba Jaga, en de bomen en struiken waren kapot, waar ze door het bos was weggesneld. Toen wist de moeder dat een heks haar kleine jongen had weggevoerd.

Ze ging, huilend en jammerend, terug naar huis. Nu had de vrouw een zeer trouw dienstmeisje, en toen dit meisje haar mevrouw hoorde jammeren, vroeg ze wat er aan de hand was. De vrouw vertelde haar alles wat ze bij de rivier had gezien en dat ze er zeker van was dat er een Baba Jaga met Peter was weggevlogen.

“Mevrouw”, zei het meisje, “er is geen reden voor u om te wanhopen. Geef me maar een taart zodat ik wat energie heb, en ik zal op pad gaan om Peter te vinden, zelfs als ik daarvoor naar het einde van de wereld moet reizen.”

Dat troostte de moeder. Ze gaf haar een taart en het meisje ging op zoek naar Peter. Ze liep maar door en na een tijdje kwam ze bij het huis van de Baba Jaga. Het huis stond op kippenpoten en draaide naar welke kant de wind ook waaide. Het meisje klopte op de deur en de Baba Jaga deed open.

“Wat wil je?”, vroeg ze. “Zoek je werk of ben je juist te lui om te werken?”

“Ik zoek werk”, antwoordde het meisje. “Kun je me iets te doen geven?”

De heks keek haar vreselijk boos aan. “Je mag binnenkomen”, zei ze, “en mijn huis schoonmaken, maar waag het niet rond te snuffelen, anders loopt het slecht met je af.”

Het meisje ging naar binnen en begon meteen het huis schoon te maken, terwijl de Baba Jaga het bos in ging en haar sporen achter zich wegveegde met een bezem. Toen de heks weg was, zei de kleine kat tegen het meisje: “Ik smeek je mij wat te eten te geven anders verhonger ik.”

“Hier is een kleine taart, het is alles wat ik heb, maar ik zal het je geven.”

De kleine kat nam de taart aan en at alles op, elk kruimeltje. “Luister eens”, zei de kat. “Ik weet waarom je hier bent en dat je op zoek bent naar de kleine jongen die Peter heet. Hij zit in een kooi achter het huis, maar je kunt nu niets doen om hem te helpen. Wacht tot na het eten, wanneer de Baba Jaga gaat slapen. Wrijf dan haar ogen in met zwarte teer zodat ze ze niet open kan krijgen en dan kun jij met het kind, door het bos, ontsnappen.”

Het meisje bedankte de kleine kat en beloofde te doen wat hij haar opdroeg. Toen de Baba Jaga thuiskwam, zei ze: “Nou, heb je gegluurd en rondgesnuffeld in huis?”

“Nee, dat heb ik niet gedaan”, antwoordde het meisje.

De Baba Jaga ging zitten en at alles op wat er op tafel lag, ook alle botjes en restjes. Toen ging ze liggen en viel in slaap. Ze snurkte vreselijk. Het meisje nam wat teer en smeerde daarmee de oogleden van de heks in. Toen ging ze naar buiten waar Peter was en liet hem uit de kooi, en ze renden snel samen weg door het bos.

De Baba Jaga sliep lang. Eindelijk geeuwde ze en werd wakker, maar ze kon haar ogen niet open krijgen. Ze zaten strak vast. Ze was woedend, ze stampte rond en brulde vreselijk. “Ik weet wie dit heeft gedaan”, riep ze, “en zodra ik mijn ogen open krijg, zal ik achter haar aan gaan en haar aan stukken scheuren.” Toen riep ze naar de kat om te komen en haar ogen open te krabben met haar scherpe klauwtjes.

“Dat doe ik niet”, antwoordde de kat. “Zolang ik bij je ben, heb je me niets anders gegeven dan harde botten om op te knagen, jij hebt niet goed voor mij gezorgd. Het meisje streelde mijn vacht en gaf me een taart om op te eten. Krab jij je eigen ogen maar open, want je zult geen hulp van mij krijgen. En toen rende de kleine kat weg het bos in.

Het trouwe dienstmeisje en Peter reisden veilig verder door het bos, en je kunt wel raden dat de moeder blij was dat haar kleine Peter weer veilig thuis was!

Wat de oude Baba Jaga betreft: voor zover ik weet, schreeuwt en stampt zij nog steeds woedend rond en probeert nog steeds de teer uit haar ogen te wrijven.

image_pdfDownloadimage_printPrint