De Gouden Gans

Gebroeders Grimm


De Gouden Gans

Lang geleden leefde er een gezin met drie kinderen aan de rand van een bos. Het jongste kind werd Domoor genoemd omdat ze hem in het gezin allemaal erg dom vonden. Op een dag vroeg de vader aan de oudste zoon om het bos in te gaan om daar hout te hakken. Zijn moeder gaf hem koek en een fles wijn mee.

Onderweg kwam de jongen een kabouter tegen. ‘Zeg jongen, zou je mij iets kunnen geven van die koek van jou?‘, vroeg de kabouter. ’En misschien een drupje van de wijn erbij?’ ‘Ben je mal,’ antwoordde de jongen, ‘dat ga ik toch zeker lekker zelf opeten! Maak dat je wegkomt!’

Kort daarna begon de oudste zoon het hout te hakken tot hij op een gegeven moment voelde dat zijn arm erg pijn begon te doen. Hij kon niet anders dan stoppen met het werk en zonder hout naar huis te gaan. Nu de oudste zoon zonder hout was thuisgekomen, stuurde de vader zijn middelste zoon op pad. Ook hij kreeg van zijn moeder koek en een fles wijn mee.

Daar zag de zoon in de verte de kabouter. ‘Goedendag,’ zei de kabouter, ‘zou ik een stukje van je koek mogen eten? Mogelijk met een slokje wijn erbij?’ ‘Geen sprake van,’ zei de jongen, ‘dan houd ik minder voor mezelf over! Dat kan niet de bedoeling zijn!’ En zo liep de jongen verder. Opeens kreeg hij zo’n kramp in zijn benen, dat het hem moeite kostte om verder het bos in te lopen. Dus strompelde hij terug naar huis. Zonder hout.

Er was nu geen hout om vuur en eten te maken. Dus vroeg Domoor zijn vader: “Zal ik het hout voor ons hakken?’ De vader vond dat Domoor daar te onhandig voor was. Maar de jongste zoon bleef aandringen en zijn vader liet hem uiteindelijk gaan. Van zijn moeder kreeg Domoor droge koek mee en een flesje oud bier.

‘Goedendag,’ begroette de kabouter Domoor. ‘Kun je mij iets te eten geven en mag ik misschien ook een beetje drinken? Ik heb zo’n honger en dorst.’ ‘Ik heb maar een gewone koek en een oud flesje bier,’ antwoordde Domoor, ‘maar als je dat niet erg vindt, dan kunnen we hier samen wat eten en drinken.’

De koek smaakte prima en dat gold ook voor het bier. ‘Omdat je zo’n goed hart hebt en je eten en drinken met mij wilde delen, zal ik je geluk geven’ zei de kabouter. ‘Hak die oude boom om en je zult tussen de wortels je geluk vinden.’ Hierna nam de kabouter afscheid en vertrok.

Domoor ging de boom omhakken en vond tussen de wortels een gans met gouden veren. Hij wist dat hij de gans niet naar huis moest brengen, want zijn ouders zouden hem van hem afpakken. Daarom liep hij naar een herberg om er te overnachten en na te denken over wat hij het beste met de gans kon doen.

De waard van de herberg had drie dochters. Deze wilden maar al te graag een veer van de gouden gans plukken. En toen de eerste dochter een veer tussen haar vingers had, bleef haar hele hand aan de gans plakken. De twee andere dochters wilden het ook proberen en ook zij kleefden vast aan de gans.


De Gouden Gans

De volgende dag wilde Domoor vertrekken, maar zag de drie dochters aan de gans kleven. Domoor besefte dat het in de herberg niet veilig was, dus ging hij snel op pad met de gans. Hij trok zich daarbij niets aan van de dochters die eraan vastgeplakt waren.

Onderweg kwamen ze allemaal mensen tegen die stuk voor stuk een veer van de gans wilden pakken. Allemaal bleven ze aan elkaar vastgekleefd. En zo ontstond er een hele lange stoet met mensen die allemaal aan elkaar vastgeplakt zaten.

Op een gegeven moment bereikte Domoor een stad. In de stad stond een paleis van een koning met een dochter die altijd verdrietig was. Toen het prinsesje de optocht van aan elkaar vastgeplakte mensen zag, moest ze heel hard lachen. Nu had de koning eerder een beloning openbaar gemaakt voor degene die zijn dochter aan het lachen kon krijgen. Hij had beloofd dat deze persoon met zijn dochter mocht trouwen. Domoor wilde dat maar al te graag, want hij was heel erg verliefd geworden op de prinses. Maar hij was geen prins. De koning was er daarom niet blij mee.

Dus zei de koning: ‘Domoor, je bent geen prins en daarom vraag ik je eerst iemand te brengen die mijn hele wijnkelder in één keer opdrinkt en mijn hele voorraad brood daarbij opeet.’

Domoor dacht meteen aan de hongerige kabouter en haastte zich naar het bos. Daar zag hij een oude, treurige man zitten. ‘Ik heb zo’n grote dorst en honger,’ zei de oude man, ‘ik heb al een vat wijn op, maar het voelt alsof ik nog maar een druppeltje gedronken heb.’

Domoor vroeg de man mee naar het paleis te komen. Daar dronk de oude man de volledige wijnvoorraad leeg en liet zich daarna alle broden van de koning goed smaken.


De Gouden Gans

Maar de koning wilde er niet aan geloven dat Domoor met zijn dochter zou trouwen. ‘Kom terug met een schip dat zowel over het water als over het land kan varen,’ was zijn onmogelijke eis.

Toen veranderde het oude mannetje in de kabouter en zei: ‘Ik heb alle wijn voor je gedronken en alle broden gegeten. Nu zal ik je ook dat schip geven. Dit doe ik omdat je een goed hart hebt.’

Het schip kwam en de koning was nu tevreden en ging akkoord met het huwelijk.


De Gouden Gans

Het huwelijk volgde snel. De gans kreeg een goed leven in de koninklijke vijver. De kabouter kwam af en toe langs om samen met Domoor te genieten van koek en een goed glas wijn. Domoor werd later koning en de koningin moest vaak lachen om zijn grapjes. Samen leefden ze nog lang en heel gelukkig.

Download de PDF van De Gouden Gans met plaatjes