Het was een hete zomermiddag.

Lilato waaide zichzelf koeler.

“Als het toch maar kon regenen,” zei haar broer, Mayamiko.
Het was te heet om de kinderen buiten te laten spelen.

Plons, plons!
Lilato hoorde het als eerste. Het klonk als een steen die op het dak van het huis stuiterde. Lilato keek naar Mayamiko, maar hij keek niet naar haar.

Ze liep op haar tenen naar het raam en keek omhoog naar de lucht.
De lucht was grijs, bijna zwart van kleur.

Lilato begon het lied te zingen dat haar beste vriendin, Mwansa, haar had geleerd.
Wemfula isa isa

Oh regen, kom

Twangale na mainsa
Zodat we in de regen kunnen spelen

Wemfula isa isa

Oh regen, kom

Twangale na mainsa

Zodat we in de regen kunnen spelen
Lilato zong, terwijl ze haar vingers tegen elkaar wreef.


