Janneman Robinson organiseert een ‘expositie’ naar de Noordpool

Op een mooie lentedag ging Winnie de Poeh een bezoek brengen aan zijn vriend Janneman Robinson. Terwijl hij zo zijn wandeling aan het maken was, verzon hij een liedje:

“Hiep hoi voor het berenbestaan…”

Maar veel verder kwam hij niet met zijn tekst. Daar zag hij Janneman Robinson al op de stoep voor de deur van zijn huis zitten. “Ah, Winnie de Poeh, je komt net op tijd!” zei Janneman Robinson. Poeh zag dat Janneman Robinson zijn grote laarzen aan het aantrekken was, wat voor Poeh betekende dat er een avontuur in aantocht was. “Ik krijg mijn laars niet aan,” zei Janneman Robinson, “zou je zo vriendelijk willen zijn tegen mijn rug aan te leunen, dan heb ik houvast om wat harder aan mijn laarzen te trekken, zonder dat ik achterover val.”



Dus Poeh ging op de grond zitten, en duwde met zijn achterlijf stevig tegen de rug van Janneman Robinson en deze duwde hard terug tegen de zijne, tot Janneman Robinson het eindelijk lukte zijn laars aan te krijgen. “Zo, dat is gedaan,” zei Winnie de Poeh, “en wat gaan we nu doen?” ‘We gaan op expeditie,’ zei Janneman Robinson, terwijl hij opstond en wat zand van zich afveegde. “Dank je, Poeh.”

“Gaan we naar een tentoonstelling?” vroeg Poeh opgewonden, “Volgens mij ben ik nog nooit eerder bij een tentoonstelling geweest.”

“Geen expositie, gekke oude beer, maar een exPEditie,” lachte Janneman Robinson, “er zit geen ‘O’ in het woord.”

“Oh!” zei Poeh. “dat weet ik natuurlijk ook wel.” Maar hij wist het eigenlijk niet.

“We gaan de Noordpool ontdekken,” zei Janneman Robinson.

“Oh!” zei Poeh weer. “Wat is de Noordpool?”

‘Het is gewoon iets dat je ontdekt,’ zei Janneman Robinson achteloos, zelf niet helemaal zeker.

“Oh! Ik begrijp het,” zei Poeh. ‘Zijn beren er goed in om het te ontdekken?’

“Natuurlijk zijn ze dat. En Konijn en Kanga en jullie allemaal. Het is een expeditie. Een expeditie bestaat uit een lange rij van iedereen. Ga de anderen halen en zeg dat ze zich klaar moeten maken. En laat iedereen iets meenemen!” zei Janneman Robinson.

“Wat moet iedereen meenemen?” vroeg Poeh.

“Dingen om te eten.”

“Oh!” zei Poeh blij. “Iets te eten is altijd goed. Ik zal het ze gaan vertellen.” En hij ging op pad.

Konijn was de eerste die Poeh tegenkwam.



“Hallo Konijn,” zei hij, “ben jij dat?”

“Laten we doen alsof dat niet zo is,” zei Konijn, “en kijken wat er gebeurt.”

“Ik heb een bericht voor je,” zei Poeh met opgewonden stem. “We gaan allemaal op een tentoonstelling met Janneman Robinson!”

“We zijn ‘we’?” vroeg Konijn.

“Wij allemaal,” antwoordde Poeh, “we gaan iets ontdekken, een Pool of zoiets, ik weet het niet zeker, maar we gaan iets ontdekken. En we moeten allemaal eten meenemen. Ik ga nu naar Knorretje om het te vertellen. Wil jij het Kanga vertellen?”

Meteen daarna haastte Winnie de Poeh zich naar het huis van Knorretje. Knorretje zat op de grond voor het huis de witte pluisjes van een paardenbloem weg te blazen. Hij vroeg zich af of het dit jaar, volgend jaar, ooit of nooit zou zijn. Maar ‘wat’ dat zou zijn, dat was hij vergeten.



‘Oh! Knorretje,’ zei Poeh opgewonden, ‘we gaan met z’n allen op expositie en nemen dingen mee om op te eten. Om iets te ontdekken.”

“Om wat te ontdekken?” zei Knorretje angstig.

“Oh! Gewoon iets.”

“Niets heftigs?”

“Janneman Robinson heeft niets gezegd over iets heftigs. Alleen dat er geen ‘O’ in zit.”

“Oh, als Janneman Robinson het zegt, dan zal ik het niet erg vinden,” zei Knorretje.

Even later stonden ze allemaal op de afgesproken plek in het bos en begon de expeditie. Janneman Robinson en Konijn arriveerden als eerste, toen Knorretje en Poeh, daarna Kanga met Roe in haar buidel, en Uil en toen Iejoor en daarachter een hele boel kleine dieren: alle vrienden en relaties van Konijn.



“Ik heb ze niet gevraagd om te komen,” verontschuldigde zich Konijn, ‘Ze zijn gewoon met me meegekomen. Dat doen ze altijd. Ze kunnen aan het einde van de rij aansluiten, achter Iejoor.”

“Oh,” zei Iejoor, “ik weet niet of ik daar nu zo blij mee ben. Ik wilde al helemaal niet meedoen met deze expositie. Maar hier ben ik toch. En ik heb geen idee waar we het over hebben. Goed, laat me dan ook maar de laatste in de rij zijn. Maar als ik even wil zitten om wat uit te rusten, hoop ik dat die rust me ook wordt gegeven.”



“Ik begrijp precies wat Iejoor bedoelt,” zei Uil, “En als je het mij vraagt….”

“ik vraag het aan niemand,” zei Iejoor, “Ik vertel het gewoon aan ons allemaal. We kunnen de Noordpool zoeken, of we kunnen het niet doen. Mij maakt het niet uit.”

Toen riep Janneman Robinson iedereen bij elkaar.

“We gaan beginnen!” zei hij.

“We gaan beginnen,” zei nu ook Konijn, en hij liep snel naar voren om plaatst te nemen vooraan in de rij.

Daarna begonnen ze in een rij te marcheren en Poeh zong ‘zijn’ lied: “Hiep hoi, voor het berenbestaan, hiep hoi…”

Daarna zei Poeh tegen Knorretje: “Dit is de eerste zin van mijn lied.”

“Welk liedje?” vroeg Knorretje.

“Deze,” antwoordde Poeh.

“Welke?” vroeg Knorretje weer.

“Nou, als je luistert, Knorretje, zul je het horen,” antwoordde Poeh.

“Hoe weet je dat ik niet luister?” vroeg Knorretje.

Poeh wist daar geen antwoord op, dus begon hij weer te zingen.

“Wees eens stil,” zei Janneman Robinson tegen Poeh, “we komen net aan bij een Gevaarlijke Plaats.”



“Stil!” zei Poeh, zich snel omdraaiend naar Knorretje.

“Stil!” zei Knorretje tegen Kanga.

“Stil!” zei Kanga tegen Uil, terwijl Roe het een paar keer zei: “Stil! Stil! Stil!”

“Stil!” zei Uil tegen Iejoor.

“Stil!” zei Iejoor tegen alle vrienden en relaties van Konijn. En zij zeiden het weer tegen elkaar tot de laatste in de rij het hoorde en daar zo van schrok, dat hij zich in de aarde begroef en daar twee dagen bleef tot het gevaar voorbij was. Zijn naam was Alexander Kever.



Ze bevonden zich nu bij een klein beekje waarin water stroomde vanuit de berg. Er lagen rotsen her en der verspreid in het water. Janneman Robinson zag meteen hoe gevaarlijk het er was.

“Dit is precies de plek,”legde hij uit, “voor een hinderlaag.”

“Wat voor haag bedoelt hij?” fluisterde Poeh tegen Knorretje.

“Mijn beste Poeh,” zei Uil op zijn superieure manier, “weet je niet wat een hinderlaag is?”

Zonder het antwoord van Poeh af te wachten ging Uil verder: “Een hinderlaag is een soort verrassing.”

“Een hinderlaag, zoals ik Poeh wilde uitleggen,” zei Knorretje, “is een soort verrassing.”

“Als mensen plotseling naar je toe springen, is dat een hinderlaag, “ zei Uil.

Ze klommen nu heel voorzichtig de stroom op, van rots naar rots, tot ze bij een plek kwamen waar de oevers aan weerskanten breder werden. Er lag gras langs de oevers en ze besloten om daar even te gaan zitten.

“Laten we nu ons eten maar gaan eten,” zei Janneman Robinson, “dan hoeven we het verder niet meer met ons mee te dragen.”

“Dat is een goed idee,” zei Poeh.

“Hebben jullie allemaal eten mee?” vroeg Janneman Robinson.

“Allemaal, behalve ik,” zei Iejoor. “Mag ik vragen of misschien iemand van jullie op een distel zit?”

“Ik geloof van wel,” zei Poeh. “Au!” Hij stond op en keek achter zich. “Ja, dat ben ik aan het doen. Dat dacht ik al.”

“Dank je Poeh,” zei Iejoor en hij liep naar de plek waar Poeh zat en begon te eten.



“Weet je,” zei Iejoor, “ze smaken er niet beter door als je erop gaat zitten. Je haalt er als het ware al het leven uit, dus onthoud dat bij deze, jullie allemaal. Een beetje aandacht en een beetje nadenken, maakt het grote verschil.”

Toen Janneman Robinson klaar was met zijn lunch, fluisterde hij iets tegen Konijn. En Konijn zie: “Ja, ja, natuurlijk,” en samen liepen ze een eindje stroomopwaarts.

“Ik wilde niet dat de anderen het hoorden,” zei Janneman Robinson.

“Precies,” zei Konijn, die zich direct heel bijzonder voelde.

“Ik vroeg me af Konijn, ik neem aan dat je het niet weet, maar… hoe ziet de Noordpool eruit?”

“Nou,” zei Konijn, zijn bakkebaarden strelend, “daar vraag je me wat!”

“Ik heb het ooit eens geweten, alleen ben ik het een beetje vergeten,” zei Janneman Robinson op een wat nonchalante manier.

“Het is grappig,” zei Konijn, “maar ik ben het ook een beetje vergeten. Hoewel ik het ooit wel eens wist.”

“Ik neem aan dat het gewoon een paal in de grond is?” vroeg Janneman Robinson.

“Zeker een paal,” zei Konijn, “omdat een paal een paal is, en ik zou denken dat een paal in de grond zou steken.”

“Ja, dat dacht ik ook,” zei Janneman Robinson enigszins opgelucht.

“Maar waar vinden we deze paal?” vroeg Konijn.

“Dat is waar we naar op zoek zijn”, antwoordde Janneman Robinson.

Daarna liepen ze terug naar de anderen. Op datzelfde moment hoorden ze een plons en een luide kreet van Kanga. Het was Roe die in het beekje was gevallen.



“Kijk mij eens zwemmen!” piepte Roe vanuit het midden van het beekje en hij werd door de stroom naar een volgende plek gebracht.

“Gaat het lieve Roe?” riep Kanga angstig.

“Ja!” zei Roe, “kijk mij eens zwemmen”, en opnieuw bracht de stroom hem een stukje verder.

Iedereen deed iets om te helpen. Iejoor had zich omgedraaid en zijn staart over de beek gehangen, waar Roe in het water was gevallen. Daar kon Roe zich aan vastgrijpen, maar het lukte hem niet. “Ga iets halen, iets lager aan de overkant van de stroom,” riep Konijn.

Poeh haastte zich en kreeg iets te pakken. Daar stond hij iets lager Roe mee op te wachten. Hij stond met een lange paal in zijn poten. Kanga kwam naar voren en pakte het andere uiteinde ervan en tussen hen in hielden ze de paal boven de stroom. “Kijk me eens zwemmen,” riep Roe nog steeds opgewonden en pakte de paal, waarmee hij uit de beek kon worden getrokken.



“Gaaf! Heb je me zien zwemmen?” vroeg Roe aan Janneman Robinson, maar hij luisterde niet. Hij keek naar Poeh.

“Poeh,” zei hij, “waar heb je die paal gevonden?”

Poeh keek naar de paal in zijn handen.

“Ik heb het zojuist gevonden,” zei hij, “ik greep het, omdat ik dacht dat het nuttig zou zijn, om Roe uit het water te halen.”

“Poeh!” riep Janneman Robinson met ernstige stem, “de expeditie is voorbij, je hebt de Noordpool gevonden!”

“Oh!” zei Poeh.

Iejoor zat met zijn staart in het water toen ze allemaal bij hem terugkwamen.



“Mijn staart is zo koud, dat ik hem niet meer voel,” zei Iejoor toen de anderen hem zagen.

“Arme oude Iejoor,”zei Janneman Robinson, “ik zal je helpen.” Hij haalde zijn zakdoek tevoorschijn en wreef zijn staart ermee droog.

“Poeh heeft de Noordpool gevonden,” zei Janneman Robinson. “Is dat niet geweldig?”

Poeh hield de stok in zijn handen en keek bescheiden naar beneden.

“Is dat het?” vroeg Iejoor.

“Ja,” zei Janneman Robinson.

“Is dat wat we zochten?”

“Ja,” zei Poeh.

Daarna staken ze de paal in de grond en Janneman Robinson hing er een bericht aan op.

NOORDPOOL

ONTDEKT DOOR POEH

POEH HEEFT HET GEVONDEN.



Daarna gingen ze allemaal weer naar huis. En ik denk, maar ik weet het niet zeker, dat Roe een warm bad nam en meteen naar bed ging. Maar Poeh ging snel terug naar zijn eigen huis, en omdat hij erg trots was op wat hij had gedaan, vond hij een beloning in de vorm van een kleine versnapering het minste wat hij voor zichzelf kon doen.

0Shares
0 replies on “Janneman Robinson organiseert een ‘expositie’ naar de Noordpool”