Iejoor verliest een staart en Poeh vindt er één

De oude, grijze ezel Iejoor stond in zijn eentje in een hoek van het bos. Zijn voorpoten zochten ver uit elkaar gestrekt een plaatsje tussen de distels.  Zijn hoofd hield hij omlaag. Zijn gedachten hielden hem bezig met vragen als, “Waarom? Waarvoor? Hoezo?” Soms wist hij zelf niet eens precies waarmee hij het met zijn gedachten zo druk had.

Dat Winnie de Poeh voorbij kwam, was dan ook een aangename onderbreking van de gedachten die maalden in zijn hoofd. “Hoe gaat het?” begroette de ezel hem op een wat sombere manier.

“En hoe gaat het met jou?” informeerde Winnie de Poeh. Iejoor schudde zijn hoofd heen en weer. “Het ‘hoe’ is de grote vraag”, antwoordde Iejoor overpeinzend.” Het lijkt alsof ik sinds lange tijd niet meer weet hoe ik me voel.” “Oh jee,” sprak Poeh, “laat mij eens goed naar je kijken.” Dus Iejoor stond daar, bedroefd naar de grond kijkend, terwijl Poeh een rondje om hem heen liep.

“Maar wat is er met je staart gebeurd?” riep Poeh verbaasd uit. “Nou, wat is er met mijn staart gebeurd?” vroeg Iejoor. “Hij is weg!”

“Weet je het zeker?”

“Nou hij is er of hij is er niet. Daar kun je jezelf niet in vergissen. En ik zie dat die van jou er niet is!”

“Maar wat is er dan wel?”

“Niets!”

“Laat mee eens kijken,” zei Iejoor en hij draaide zich langzaam naar de plek om waar zijn staart zich enige tijd geleden had bevonden. Toen hij daar opmerkte dat de staart ontbrak, draaide hij zich langzaam de andere kant op en boog zijn hoofd naar beneden om tussen zijn poten te kijken. Met een zucht concludeerde hij: “Je hebt gelijk Poeh, mijn staart is weg.”

“Natuurlijk heb ik gelijk,” zei Poeh.

“Het verklaart een hele hoop,” mopperde Iejoor. “Sterker nog, het verklaart alles!”

“Je moet hem ergens verloren zijn,” sprak Winnie de Poeh.

“Iemand moet hem gestolen hebben,” bromde Iejoor. “Echt zo!” voegde hij er na een lange stilte aan toe.

Poeh vond dat hij er iets zinvols over moest zeggen, maar hij wist niet precies wat. Dus besloot hij iets nuttigs te doen. “Iejoor,” sprak hij plechtig, “Ik, Winnie de Poeh, beloof je dat ik je staart voor je zal vinden.” “Dank je,” antwoordde Iejoor. “Je bent een echte vriend,” vervolgde hij, “en dat is iets wat je niet van iedereen kunt zeggen.” En zodoende vertrok Winnie de Poeh op zoek naar de staart van Iejoor.

Het was een prachtige lentemorgen waarop Winnie de Poeh zijn zoektocht begon. Zachte, kleine wolkjes dansten vrolijk in de strakblauwe lucht. Poeh genoot van het zonnetje dat de blaadjes en de takken en het hout van de beukenbomen deed glanzen en vervolgde zijn weg naar het Honderd Bunderbos. Want het was in dit bos waar Uil woonde.

“Als er iemand is die alles weet, dan is Uil het!” sprak Winnie de Poeh tot zichzelf, “Zo is het, of mijn naam zou niet Winnie de Poeh zijn, en dat is het, dus dat zegt genoeg.” Uil woonde op een prachtige plek in een grote kastanjeboom, de oudste en meest gerespecteerde boom in het Honderd Bunderbos. Het was het grootste en indrukwekkendste verblijf in het bos. Tenminste, zo dacht Poeh erover. Het had immers een deurklopper plus een deurbel met een decoratieve slinger.

Onder de deurklopper bevond zich een briefje met de volgende woorden:

GEBRIK DE DERBEL INDIEN NODEG

Onder de deurbel bevond zich een briefje met de volgende woorden:

PLEZ CNOKINDIEN DE BEL NIET NODEG IS, GEBRIK DE DURKLOPPER

De briefjes waren geschreven door Janneman Robinson Hij was de enige in het bos die kon schrijven. Uil mocht dan in vele opzichten een zeer wijs dier zijn, hij was niet in staat de woorden op de juiste manier te spellen. Hoewel Uil graag gebruik maakte van moeilijke woorden als ‘mazelen’ en ‘wentelteefjes’.

Winnie de Poeh las de mededelingen met de grootste aandacht. Eerst van links naar rechts, en daarna, voor het geval hij er iets van gemist had, van rechts naar links. Toen, om er zeker van te zijn, klopte hij aan de deur met de deurklopper en gebruikte hij de slinger voor het geluid van de bel. Daarna riep hij met luide stem: “Uil, ik ben het, Winnie de Poeh! Ik heb je hulp nodig!”

Uil opende de deur, en zei: “Hallo Poeh, hoe gaat het?” “Verschrikkelijk en ik ben erg verdrietig,” antwoordde Poeh, “omdat mijn vriend Iejoor zijn staart verloren heeft. En hij heeft het er zwaar mee. Dus zou je zo vriendelijk willen zijn mij te vertellen hoe ik zijn staart voor hem kan vinden?” “Oké,” zei Uil, “de gebruikelijke procedure in dergelijke gevallen is als volgt.”

“Wat betekent ‘de gebruikelijke procedure’?” vroeg Poeh. “Ik ben maar een eenvoudige beer en ik hou niet van lange, moeilijke woorden, want ik begrijp ze niet.”

“Het betekent: de dingen die gedaan moeten worden.”

“Zolang het dat betekent, vind ik het niet erg,” zei Poeh.

“Je moet het volgende doen. Eerst moet je een beloning toebedelen…… Daarna…”

“Wacht even!” riep Poeh en stak zijn poot op. “Wat zei je precies? Ik kon het eerste niet horen vanwege je niezen.”

“Ik niesde niet.”

“Nou dat deed je zeker wel, Uil.”

“Neem me niet kwalijk, Poeh, maar dat was ik niet. Ik kan niet niezen zonder dat ik er zelf iets van af weet….

…. wat ik zei, was dat er een beloning moet worden toebedeeld.”

“Nu doe je het weer!” riep Poeh verdrietig.

“Een beloning!” riep Uil heel hard. “We schrijven een bericht om te zeggen dat we een groot bedrag zullen geven aan iedereen die Iejoor’s staart vindt.”

“Ik begrijp het.” Poeh knikte met zijn hoofd. ”Nu we toch over zoiets groots praten,” vervolgde Poeh, “meestal begin ik met iets kleins in de ochtend rond deze tijd.” Zijn blik richtte zich naar de kast in de hoek van de kamer. “Misschien een slokje melk… met een theelepeltje honing… als dat mogelijk is?”

“Goed dan,” zei Uil, “we schrijven onze mededeling op briefjes en deze hangen we overal in het bos op.”

“Een likje honing,” mompelde Poeh in zichzelf, “of niet, zolang het beschikbaar is…” En hij slaakte een diepe zucht en probeerde heel hard te luisteren naar wat Uil zei.

Maar Uil draafde door, daarbij gebruik makend van langere en steeds moeilijkere woorden en uiteindelijk kwam hij tot de conclusie dat Janneman Robinson het bericht zou moeten schrijven.

“Janneman Robinson heeft de berichten voor op mijn voordeur geschreven. Heb je ze gezien, Poeh?”

Al enige tijd had Poeh met zijn ogen gesloten achtereenvolgens met ‘ja’ en ‘nee’ op de woorden van Uil gereageerd, zonder echt te horen wat werd gezegd. Nu antwoordde Poeh met “Geen idee!” op hetgeen Uil zojuist gezegd had. Poeh had geen idee waar Uil het over had.

“Heb je de berichten niet gezien?” vroeg Uil verbaasd. “Kom, ik laat ze je zien!”

En zo gingen ze naar buiten. Poeh keek naar de klopper en het briefje eronder en hij keek naar de deurbel met het briefje eronder. En nog een keer keek hij naar de deurbel en in het bijzonder naar de decoratieve slinger van de deurbel en plotseling kreeg hij het gevoel dat hij dit al eens eerder had gezien.

““Mooie deurbel, vind je niet?” vroeg Uil.

Poeh knikte.

“De slinger van je deurbel herinnert me aan iets,” zei Poeh, “maar ik kom er niet op waarvan. Waar heb je het vandaan?”

“Ik kwam het toevallig tegen in het bos. Het hing aan een kleine struik. Ik dacht eerst dat er iemand woonde, dus ik trok er aan. Maar er gebeurde niets en toen trok ik er weer aan. Dit keer trok ik wat harder en toen had ik het in mijn hand. En omdat niemand het bleek te willen, heb ik het mee naar huis genomen…”

““Uil!” onderbrak Poeh hem, “je hebt je vergist. Er is wel degelijk iemand die het wilde!”

“Wie dan?” vroeg Uil.

“Iejoor! Mijn vriend Iejoor. Het is hem zelfs zeer dierbaar.”

“Is hij er dan zo aan gehecht?”

“Letterlijk en figuurlijk,” antwoordde Poeh.

En met deze woorden haalde Poeh de slinger van de bel en bracht de staart terug naar Iejoor. Nadat Janneman Robinson de staart van Iejoor met een punaise weer op de juiste plek had vastgemaakt, stuiterde de ezel zo blij in het rond dat ook Poeh er vrolijk van werd.

Snel daarna haastte Poeh zich naar huis voor een kleine snack voordat hij om zou vallen van de trek. En een half uur later zijn mond afvegend, zong hij zichzelf trots toe: “Wie heeft de staart van Iejoor gevonden? Dat was ik! Om kwart voor twee (maar eigenlijk was het nog maar kwart voor elf in de ochtend) vond ik zijn staart!”

0Shares
0 replies on “Iejoor verliest een staart en Poeh vindt er één”