Een Leeuw was zwaar gewond geraakt door de horens van een Geit, toen hij de Geit aan het opeten was. De Leeuw werd erg boos toen hij bedacht dat een dier dat Hij voor een maaltijd koos, zo brutaal was om gevaarlijke dingen als hoorns te hebben. Hoorns die steeds zijn keel stuk zouden krabben terwijl hij at. Dus beval hij dat alle dieren met horens zijn grondgebied, binnen vierentwintig uur, moesten verlaten.
Dit commando van de Leeuw zaaide angst onder de dieren. Al degenen die zo ongelukkig waren dat ze hoorns hadden, begonnen snel in te pakken en te vertrekken. Zelfs de Haas, die, zoals je weet, geen hoorns heeft en dus niets te vrezen had, bracht een zeer rusteloze nacht door met vreselijk angstige dromen over de Leeuw.
Toen de Haas in de vroege ochtendzon uit de wirwar van de gangen van zijn hol naar buiten kwam, zag hij, in het zonlicht, de schaduw van zijn lange en puntige Oren, en beving hem een verschrikkelijke schrik.
“Tot ziens, buurman Krekel,” riep hij. “Ik ga er snel vandoor. De Leeuw zal zeker denken dat mijn Oren horens zijn, wat ik hem ook zeg.”

Auteursvermelding
Aesopus was een oude Griekse fabelverteller die vermoedelijk leefde in de zesde eeuw voor Christus en wiens verhalen al meer dan tweeduizend jaar worden doorgegeven. Zijn fabels, waaronder De Haas en zijn Oren, zijn kort van opzet maar groot in zeggingskracht — steevast afgesloten met een moraal die het menselijk gedrag spiegelt in de wereld van dieren.
