Een machtige Adelaar zat hoog in de takken van een grote eikenboom. Ze oogde erg verdrietig. Ze smachtte namelijk naar partner. Een Wouw, een veel kleinere roofvogel met korte pootjes en zwakke klauwen, zag haar.

“Waarom kijk je zo droevig?” vroeg de Wouw.
“Ik wil graag trouwen”, antwoordde de Adelaar, “en ik kan geen partner vinden die voor me kan zorgen.”
“Neem mij”, zei de Wouw. “Ik ben oersterk, zelfs sterker dan jij!”
“Denk je echt dat je voor mij zou kunnen zorgen?” vroeg de Adelaar gretig.
“Maar natuurlijk”, antwoordde de Wouw. “Dat is geen enkel probleem. Ik ben zo sterk, dat ik met gemak een struisvogel optil.”
De Adelaar accepteerde de Wouw direct. Maar toen de Wouw na de bruiloft op jacht om eten te zoeken voor zijn bruid, kwam hij slechts terug met een klein Muisje.
“Is dat die struisvogel waar je het over had?” zei de Adelaar vol afkeer.
“Om jou voor me te winnen, had ik alles gezegd en beloofd”, antwoordde de Wouw.
Auteursvermelding
Aesopus was een legendarische Griekse fabeldichter, vermoedelijk levend in de zesde eeuw voor Christus, wiens moraalverhalen eeuwenlang mondeling werden doorgegeven voordat ze op schrift werden gesteld. 'De Adelaar en de Wouw' is een van zijn minder bekende fabels, maar treft raak met zijn boodschap over holle woorden en de gevaren van te snel vertrouwen schenken.
