Toinette en de elfen

Het was de avond voor Kerstavond. Toinette stond bij de put in het bos om water voor het gezin te halen. ‘Dit is het perfecte moment om een wens te doen,’ dacht ze. ‘Er wordt gezegd dat je een bepaald rijmpje drie keer moet opzeggen.’ Maar de woorden van het rijmpje kende Toinette niet. ‘Hoe leuk zou het zijn als ik mooi zou zijn, als ik rijk zou zijn, als ik een goed mens zou zijn.’

Toinette wist dat ze niet de makkelijkste was. Ze was snel slecht gehumeurd en niet altijd even aardig tegen haar broertjes en zusjes. Opeens hoorde ze een stemmetje. Het leek dichtbij, maar ze zag niets. Haastig vulde ze haar kruik met water om direct naar huis te gaan. Toen hoorde ze een snik. Het kwam van heel dichtbij. ‘Is daar iemand?’ riep ze. Ineens werd op de grond een klein figuurtje zichtbaar. Het was zo klein, dat Toinette moest knielen om het duidelijk te zien.

Het had de gedaante van een kleine, vreemde man. Hij droeg een felgroen gewaad, dat leek op de vleugels van een kever. In zijn hand droeg hij een muts, waaruit een lange veer stak. Verward zei ze tegen zichzelf: ‘Hoe grappig is dit?’ ‘Dit is helemaal niet grappig,’ sprak de kleine man. ‘Zo praat je niet met mij Toinette.’ Toinette keek verbaasd op. ‘Ken je mijn naam? Dat is vreemd. Maar wat is er aan de hand? Waarom huil je, kleine man?’

‘Ik heet Distel en ik ben een elf,’ antwoordde de kleine man. ‘En hoe zou jij het vinden als je vastzat aan een grote doorn? Kijk!’ Hij draaide zich om en Toinette zag een lange rozendoorn door de achterkant van zijn groene mantel steken. ‘Is dat alles? Ik zal het er wel voor je uithalen,’ zei ze. ‘Wees voorzichtig,’ jammerde de elf. ‘Nou, ik zal voorzichtig zijn,’ zei Toinette. En terwijl ze dat zei, brak ze de doorn af en haalde ze hem er voorzichtig uit. Het gezicht van de elf klaarde op. ‘Je bent een goed kind,’ zei hij. ‘Op een dag zal ik misschien net zoveel voor jou doen.’

‘Ik zou je eerder geholpen hebben, als ik je eerder had gezien,’ merkte Toinette op. ‘Ik had mijn muts op,’ zei de elf. Hij legde het op zijn hoofd en ineens was hij verdwenen. Er was alleen een stem die zei: ‘En dan ben ik onzichtbaar.’ ‘Oh,’ zuchtte Toinette, ‘wat zou dat geweldig zijn om onzichtbaar te zijn.’ ‘Ik zou je mijn muts kunnen geven,’ zei de elf. ‘Of je het echt leuk vindt om onzichtbaar te zijn, is maar de vraag. Soms wel. Soms niet. Je kunt onzichtbaar worden, maar je hebt er wel het zaad van een varen voor nodig. Je moet het zaad in je schoenen stoppen. Heb je geen zaad, dan lukt het niet je onzichtbaar te maken.’

‘Waar vind ik dat zaad?’ vroeg Toinette. ‘Ik heb geen idee hoe dat eruitziet.’ ‘Natuurlijk niet,’ zei de elf. ‘Wij elven zorgen zelf voor dat zaad. Niemand kan het vinden, behalve wijzelf. Maar nu jij zo aardig bent geweest voor mij, zal ik je een beetje van dat zaad geven. Dan kun je jezelf onzichtbaar maken en zien of je het leuk vindt.’ ‘Wat geweldig,’ zei Toinette, ‘mag ik het nu hebben?’ ‘Wat denk je zelf?’ zei de elf. ‘Denk je dat ik mijn zakken ermee volgepropt heb? Natuurlijk niet! Laat je slaapkamerraam vannacht openstaan. Dan kom ik naar je toe.’ Hij legde zijn vinger op zijn neus, maakte een sprong als een sprinkhaan, klapte op zijn muts en verdween.

Toinette haastte zich naar huis. Haar moeder stond al op haar te wachten. ‘Waar bleef je?’ zuchtte ze, ‘ik heb het niet graag dat je zo lang in het bos blijft hangen.’ De kinderen wilden weten waarom ze zo lang weg was gebleven, maar Toinette snauwde ze af. Meteen maakten de kinderen zich stilletjes uit de voeten en dat was eigenlijk iets wat ze wel vaak deden als Toinette in hun buurt kwam. ‘Verhaaltje,’ vroeg het babyzusje Jeanneton. Maar Toinette had er geen zin in. ‘Nee, niet vanavond,’ antwoordde Toinette, ‘vraag het maar aan de anderen.’

Het werd bedtijd en Toinette zette het raam open en bleef lang wachten tot ze in slaap viel. Opeens werd ze wakker en op haar dekbed zat haar elvenvriend. De elf vroeg; ‘Wil je nog steeds onzichtbaar zijn?’ ‘Ja, heel graag,’ antwoordde Toinette. Dus pakte de elf een doosje waaruit hij zaad van de varen haalde. Hij gaf het aan Toinette. ‘Doe dit in je schoen en je zult onzichtbaar zijn,’ vertelde hij. ‘En als je weer zichtbaar wilt zijn, dan haal je het zaad weer uit je schoenen.’ Daarna verliet Distel de slaapkamer van Toinette.

Meteen daarna viel Toinette in een diepe slaap. De volgende ochtend werd ze wakker met een vreemd gevoel. Was dit alles echt gebeurd? Ze trok haar mooie kerstkleding en haar schoenen aan. Daarmee was ze helemaal klaar voor het kerstontbijt. Haar moeder roerde pap boven het vuur. Toinette ging naar haar toe, maar ze bewoog niet en draaide haar hoofd niet. ‘Hoe laat is het?’ vroeg de moeder. ‘Waar is Toinette?’ ‘Toinette is niet boven,’ zei het zusje Marie. ‘Haar deur staat wagenwijd open, maar ze is er niet.’ ‘Dat is vreemd,’ zei de moeder. Ze liep naar de buitendeur en riep ‘Toinette! Toinette!’, terwijl zij dichtbij haar moeder stond. ‘Ik ben onzichtbaar!’, giechelde Toinette.

‘Als ze niet terugkomt, des te beter,’ zei haar broertje Pierre, ‘dan wil ik graag haar kamer hebben.’ ‘Misschien is ze wel opgegeten door een grote wolf,’ zei het broertje Marc. De broertjes moesten beiden lachen. Maar Toinette vond het helemaal niet leuk. Gaven haar broertjes zo weinig om haar? De ochtend ging voorbij en de moeder liep voortdurend naar de deur in de hoop dat Toinette naar huis zou komen.

De kinderen speelden in de tussentijd vrolijk met elkaar. Ze waren het gewend zonder Toinette te spelen en leken haar niet te missen. Het was Jeanneton die af en toe zei: ‘Arme Toinette. Weg!’ ‘Nou wat geeft het als ze weg is,’ zei Marc. ‘Als ze hier zou zijn, zou het half zo gezellig zijn. Ze doet toch niks anders dan zeuren en op ons mopperen. Ik vind het prima als ze weg is. Dat maakt het leven hier leuker.’ ‘Ja, maak je maar niet druk om Toinette,’ riep Pierre.

Toinette had zich nog nooit in haar leven zo ongelukkig gevoeld als toen ze ongezien toekeek en de kinderen deze woorden hoorde zeggen. Het was nooit haar bedoeling geweest om onvriendelijk tegen haar broertjes en zusjes te zijn. Ze had gehoopt dat ze desondanks toch van haar zouden houden. Ze sloop het huis uit en ging in het bos onder een struikje zitten. Daar begon ze te huilen en ze dacht: ‘Jeanneton heeft me gemist. Oh! En ik heb haar weggeduwd en wilde haar geen verhaal vertellen. Voor Marie heb ik eigenlijk ook nooit tijd gehad. En wat Marc en Pierre betreft. Het is zeker zo dat ik vaak niet aardig ben voor ze. Oh jeetje.’

Toen sprak een innerlijk stemmetje in haar. ‘Maar je zou beter en vriendelijker kunnen zijn als je het probeerde, nietwaar? En Toinette vouwde haar handen stevig in elkaar en zei hardop: ‘Ja dat zou ik kunnen en dat is wat ik ook ga doen.’ Ze maakte haar schoenen los en schudde het zaad eruit in het gras. Het verdween daar onmiddellijk. Daarna deed ze haar schoenen weer aan en rende zo snel ze kon terug naar huis. ‘Waar ben je de hele dag geweest, Toinette?’ vroeg de moeder. Toen wierp ze zich huilend in haar moeders armen en vertelde haar alles vanaf het begin. De moeder luisterde geschrokken. Toen ze aan Toinette ’s handen en hoofd voelde, zei ze: ‘Je hebt koorts, ik zal thee met honing voor je maken.’

De volgende dag deed Toinette er alles aan om lief en vriendelijk voor haar broertjes en zusjes te zijn. Het lukte niet altijd even goed, maar je kunt natuurlijk niet van de ene dag op de andere een compleet ander mens zijn. In ieder geval merkten de kinderen dat Toinette in goede zin veranderd was en ze begonnen elke dag meer van haar te houden.

Zo ging een jaar voorbij tot het weer kerstavond was. Toinette lag in een diepe slaap tot ze wakker werd gemaakt door een harde tik op het raam. Het was Distel die haar een bezoek bracht. ‘Vrolijk kerstfeest!’ riep de fee. ‘Ik heb iets voor je meegenomen.’ Uit zijn buidel haalde hij zaadjes van de varen. ‘Oh nee, ‘riep ze, terwijl ze terugdeinsde. ‘Ik vond het helemaal niet leuk om onzichtbaar te zijn. De zaadjes maken me bang. Ik wil ze niet.’ ‘Doe niet zo dwaas,’ zei Distel. Zijn stem klonk vriendelijk en ernstig. ‘Vorig jaar was het niet fijn voor jou om onzichtbaar te zijn. Maar neem mijn advies en probeer het weer. Je krijgt er geen spijt van, dat beloof ik.’

Dus deed Toinette de zaadjes in haar schoenen. De volgende ochtend liep ze naar de ontbijttafel zonder dat iemand haar kon zien. De kleintjes zaten rond de tafel met hun ogen op de deur gericht, tot Toinette binnen zou komen en verrast zou worden. Ze hadden allemaal een kleine verrassing voor haar gemaakt. ‘Het zal leuk zijn om haar te verrassen,’ zei Mark. ‘Ik kan niet wachten tot ze er is,’ riep Marie. Er werden allemaal lieve woorden gesproken over Toinette. Over hoe mooi en hoe lief ze was. Dat het leuk was met haar te spelen.

Toinette kon niet langer wachten. Ze rende naar boven om haar schoenen uit te doen. In enkele minuten stond ze weer beneden. Dit keer zichtbaar. ‘Vrolijk Kerstfeest!’ riepen de kinderen. Ze nam de cadeautjes in ontvangst en nog nooit was ze zo gelukkig geweest. Die nacht liet Toinette het raam openstaan. Distel kwam om middernacht en had zijn elvenvriendjes meegenomen. ‘Hoe was het?’ vroeg Distel. ‘O, deze keer was het heel erg leuk,’ vertelde Toinette, ‘ik wil je enorm bedanken.’

‘Je kunt me een plezier doen,’ zei Distel. ‘Je moet weten dat wij elven ontzettend genieten van een kop varen zaad bouillon. Maar het moet wel boven een echt vuur worden gemaakt. Wij durven zelf niet in de buurt van vuur te komen vanwege onze kwetsbare vleugels. Wil jij de bouillon voor ons maken?’ Distel legde stap voor stap uit hoe Toinette de bouillon moest maken en kort daarna genoten talloze elfjes in de keuken van de bouillon. Daarna namen ze afscheid. Het laatste wat Distel nog tegen Toinette zei, was: ‘Wees gelukkig, heb een goed humeur en wees vriendelijk, want daarin vind je het grootste geluk.’

En die woorden had Toinette goed in haar oren geknoopt. Ze leefde nog lang en gelukkig.

0Shares
0 replies on “Toinette en de elfen”