Er was eens een oud echtpaar met een zoon, genaamd Halvor. Het was een nietsnut, die nergens goed voor was. Elke keer als hij ergens werk vond, duurde het niet meer dan drie dagen voordat hij weer werd weggestuurd.

Op een dag vroeg een schipper Halvor mee te gaan op een zeereis. Dat wilde Halvor wel. Maar tijdens één van de reizen kwam er een grote storm en het schip werd naar een vreemde kust gedreven. Halvor verliet het schip en ging op onderzoek uit om het vreemde land te verkennen. Er leek echter helemaal niemand te wonen. Na dagenlang rond te hebben gelopen zonder iemand te hebben gezien, kwam Halvor aan bij een groot kasteel. De keuken was er reusachtig groot en Halvor begon erge honger te krijgen. Maar er was niemand aanwezig, dus liep Halvor verder en opende een deur waar een prinses zat achter een spinnenwiel.

“Wat doe jij hier?”, vroeg de prinses. “Er is nog nooit iemand hier geweest die het kasteel heeft durven te bezoeken. Er woont hier een gemene trol met drie hoofden. Pas maar op! Als hij je ziet, overleef je het niet! De trol houdt mij hier al jaren gevangen.”

De prinses smeekte Halvor het kasteel te verlaten, maar Halvor wilde er niets van weten. “Geef me wat te eten en dan zal ik kijken wat ik voor je kan doen.” De prinses gaf hem eten en vroeg hem het zwaard van de muur te halen. Maar hoe goed Halvor zijn best ook deed, het zwaard kreeg hij niet van de muur. De prinses vroeg hem een slok uit een flesje te nemen. Het zou hem kracht geven het zwaard te gebruiken. Inderdaad gaf de inhoud ervan Halvor zoveel kracht, dat het pakken van het zwaard geen enkel probleem meer was en hij kon er ook gemakkelijk mee rondzwaaien.

De deur ging open en de trol stak zijn eerste hoofd door de deur. “Ruik ik hier mensenvlees?”, vroeg de trol en voor hij het wist had Halvor hem met het zwaard gedood.

Toen vertelde de prinses dat ze nog twee zussen had, die ook allebei door trollen werden gevangen gehouden, elk in een ander kasteel. Halvor beloofde de prinsessen te redden, want nu hij zich zo sterk voelde, leek hem dat geen enkel probleem. En hij doodde ook de twee andere trollen, waarvan eentje met zes en eentje met negen hoofden.

Daarna kwamen de twee zussen mee naar het eerste kasteel, dat kasteel Soria Moria werd genoemd. Ze waren alle drie dol op Halvor en Halvor was dol op de prinsessen. Ze besloten dat eentje van hen met Halvor zou trouwen en Halvor koos voor de jongste prinses. En zo leefde Halvor een tijdje bij de prinsessen, maar hij werd steeds stiller. Hij miste zijn ouders en hij wilde ze graag nog eens opzoeken om ze te vertellen hoe het met hem ging.

De prinsessen zeiden hem dat dit geen probleem zou zijn.

“Jij zult naar je ouders gaan en daarna weer hier terugkeren. Maar je moet wel onze raad opvolgen”, zeiden de prinsessen. Ze deden Halvor dure koningskleren aan en deden hem een ring om. Het was de ring, waarmee Halvor zich heen en terug kon wensen. Maar hij mocht met geen woord over de prinsessen praten, want dan zou er een einde komen aan zijn kracht en hij zou ze nooit meer zien.

“Als ik maar thuis zou zijn, zou ik weer blij zijn”, zei Halvor en het gebeurde zoals hij het had gewenst. In een oogwenk stond Halvor voor de deur van het huisje van zijn ouders. Het werd al donker en de ouders zagen niet dat het Halvor was, maar dachten dat het een deftige meneer van adel was. Halvor vroeg of hij de nacht kon blijven slapen, maar zijn ouders zeiden dat het niet ging.

“We hebben geen goede slaapgelegenheid voor u”, zei zijn moeder. “We hebben niet eens een stoel waarop u zou kunnen zitten. Het lijkt ons beter dat u naar de boerderij verderop gaat. Daar hebben ze in ieder geval een fatsoenlijk bed om in te slapen.”

Maar Halvor wilde er niets van weten en haalde zijn ouders over om de nacht in de hoek bij de schoorsteen plaats te nemen. Zijn moeder maakte een vuur in de open haard en Halvor keek toe zonder een hand uit te steken, zoals hij dat ook altijd deed toen hij vroeger thuis was en hij rekte zich lui uit. Halvor begreep dat zijn ouders niet doorhadden dat hij het was, dus vroeg hij zijn ouders: “Hebben jullie kinderen?”

“Ja, we hadden een jongen die Halvor heet”, zei zijn vader. “Maar we weten niet waar hij naartoe is gegaan en we kunnen niet eens zeggen of hij dood is of leeft.”

“Kan ik niet uw zoon zijn?” ,vroeg Halvor.

Zijn moeder stond op, en vertelde: “Onze Halvor was liever lui dan moe. Hij deed nooit iets voor ons en profiteerde alleen maar van het werk van anderen. Hij lijkt in niets op u, u bent zo’n fijne man met mooie kleren.”

Daarna liep de vrouw naar de haard om het vuur aan te wakkeren en toen het licht van het vuur op Halvors gezicht viel, herkende ze hem meteen.

“Jij bent het, Halvor!”, riep ze met tranen van geluk en ze omhelsde hem stevig. Hij moest haar vertellen hoe het hem was vergaan en de oude dame was zo trots op hem! Ze wilde meteen naar de boer op de boerderij gaan om hen te vertellen hoe goed het met haar zoon was gegaan: de jongen, die altijd gepest werd door de dochters van de boer omdat ze hem een nietsnut vonden. Dus liepen ze de volgende ochtend naar de boerderij om hen te vertellen dat het hem zo goed ging nu en dat hij nu in prachtige kleren liep.

De boerendochters werden nieuwsgierig en gingen met de moeder mee naar buiten om Halvor met hun eigen ogen te zien. Zijn moeder liet hen alleen en ging alvast terug naar huis in de hoop dat een dochter nu wel met hem wilde trouwen. Toen de boerendochters hem zagen, waren ze allemaal erg onder de indruk en ze schaamden zich voor hun vroegere gedrag.

Halvor vond dat hij er nog een schepje bovenop moest doen, en vertelde de meiden dat hij een prinses had gered die zo mooi was, dat deze meisjes, in vergelijking met haar, niets voorstelden. Hij vertelde over zijn avontuur en dat hij met de jongste prinses ging trouwen. Toen zei hij: “Ik wilde dat ze hier waren, dan zouden jullie zien hoe beeldschoon ze zijn.”

Nauwelijks had hij deze woorden uitgesproken en ze stonden daar. Maar Halvor kreeg direct ontzettend veel spijt, omdat hij vergeten was de raad van de prinsessen op te volgen.

“Het spijt me, het spijt me”, zei Halvor. Maar de prinsessen zeiden dat ze met hem mee naar zijn ouders wilden gaan. Onderweg stopten ze bij een groot meer, net buiten de boerderij. Dichtbij het water was een prachtige, groene oever. De prinsessen wilden er graag een poosje blijven om van het uitzicht te genieten. Dus gingen ze daar zitten en de jongste prinses zei: “Zal ik je haar een beetje kammen?”

Halvor legde zijn hoofd op haar schoot en ze kamde zijn mooie haren. Het duurde niet lang voordat Halvor in een diepe slaap viel. Toen nam ze de ring van zijn vinger en schoof er een andere voor in de plaats. Daarna zei ze: “Laat ons prinsessen terug in kasteel Soria Moria zijn.”

Toen Halvor wakker werd, begreep hij onmiddellijk dat hij de prinsessen had verloren en hij begon te huilen. Zijn vader en moeder konden hem niet troosten en hij besloot op zoek te gaan naar het kasteel van de jongste prinses, want hij kon niet bij zijn ouders blijven. Als hij de jongste prinses niet meer kon vinden, vond hij het niet meer de moeite waard om te leven.

Onderweg kocht Halvor een paard, waarmee hij afwisselend lopend en rijdend verder ging. In de nacht zag hij een licht in de verte en hij besloot ernaartoe te gaan. Het licht bleek uit een oud huisje te komen. Er woonde een heel oud echtpaar. Ze waren zo grijs als duiven en de vrouw had een bijzonder lange neus.

“Goedenavond”, zei Halvor.

“Goedenavond”, zei de oude vrouw.

“Wat kunnen we voor je doen?”, vroeg de vrouw, “wij hebben al eeuwen geen bezoek meer gehad.”

“Ik zoek de weg naar kasteel Soria Moria”, zei Halvor. “Heeft u een idee waar het kasteel is?”

“Nee”, zei de oude vrouw, “maar we kunnen het vragen aan de Maan. Zij zal het weten, want ze schijnt haar licht op de aarde en ziet alles wat er op aarde is.”

“Maan! Maan!”, riep de oude vrouw. “Kun je me de weg naar kasteel Soria Moria vertellen?”

“Nee”, zei de Maan, “dat kan ik niet. De laatste keer dat ik daar scheen, hing er een wolk voor.”

De oude vrouw liet zich er niet door ontmoedigen en zei: “Misschien dat de Westenwind het weet.”

Toen zag ze het paard buiten staan. “Je hebt een paard meegebracht?”, vroeg ze. “Laat het arme beestje maar wat gras eten uit onze tuin.” Toen liep ze verder en vroeg of Halvor het paard wilde ruilen voor een paar oude laarzen. “Je kunt er razendsnel op lopen, en dat zul je goed kunnen gebruiken, als je de Westenwind wilt bijhouden”, zei ze. “Je kunt hier slapen en ik zal je wakker maken als de Westenwind komt.”

Na een tijdje kwam de westenwind en de vrouw liep naar buiten.

“Westenwind! Westenwind!”, riep de vrouw. “Kun je me de weg naar kasteel Soria Moria vertellen? Hier is iemand die er graag naartoe gaat.”

“Ja, ik ga er juist naartoe om kleren te drogen voor de bruiloft die komen gaat. Als hij snel is, kan hij met me mee.”

En Halvor ging mee en dankzij de oude laarzen kon hij de wind aardig bijhouden tot ze aankwamen bij de rand van een bos.

“Ik laat je nu hier achter”, zei de Westenwind, “want ik moet eerst nog snel iets doen voordat ik naar de wasplaats ga om de kleding droog te blazen. Als je de wasvrouwen ziet, zeg ze maar dat ik op tijd terug zal zijn. Ze zullen je verder de weg naar het kasteel wijzen, dat is dan niet zo ver weg meer.”

Halvor kwam onderweg inderdaad de wasvrouwen tegen. Ze vroegen hem of hij de Westenwind had gezien. “Ja”, zei Halvor, “hij heeft gezegd op tijd terug te zijn om de kleding voor de bruiloft te drogen.” De wasvrouwen vertelden hem daarna de weg naar het kasteel.

Toen hij daar aankwam, waren er heel veel mensen. Ze waren allemaal mooi aangekleed en Halvor besefte dat zijn kleren helemaal vies en gescheurd waren, door de zware reis met de Westenwind. Dus besloot hij dat hij zich pas op de laatste dag zou laten zien wanneer de bruiloft zou plaatsvinden. De dag dat het “ja-woord” gegeven zou worden, nam Halvor plaats aan een tafel. Zijn glas werd ingeschonken door een bediende. Toen deed Halvor zijn ring in het glas en vroeg de bediende deze naar de bruid te brengen. Dat deed de bediende en toen de prinses de ring zag, stond ze op en keek om zich heen.

“Met wie zal ik trouwen?”, vroeg ze haar zussen. “Met hem die ons van de trollen heeft bevrijd? Of met hem, die hier naast mij zit als bruidegom?”

De zussen waren het er direct over eens dat het Halvor moest zijn en toen hij dat hoorde, had hij opeens in plaats van zijn vodden, geweldig mooie kleding aan. Perfect om in te trouwen. En zo kwam het dat de prinses haar “ja woord” aan Halvor gaf en ze leefden nog lang en gelukkig!

image_pdfDownloadimage_printPrint