De Zes Dienaren

Er was eens een oude, boze koningin met een prachtige dochter, maar als er een minnaar kwam om haar dochter te trouwen, dan moesten zij drie opdrachten volbrengen of ze zouden sterven. Velen, door de schoonheid van de prinses verblind, beproefden hun geluk, maar dat eindigde nooit goed.

Nu gebeurde het dat ook een prins van deze schoonheid hoorde en tegen zijn vader zei: ‘Lieve vader, laat mij er naartoe gaan. Ik wil haar tot mijn vrouw vragen.’ ‘Nee, nimmer’, antwoordde de koning. ‘Je gaat een zekere dood tegemoet.’ Hierop ging de prins liggen en werd ernstig ziek. Zeven jaren lang kon niemand hem helpen waarop de koning zei: ‘Ga heen en beproef je geluk bij de prinses. Ik kan je anders niet helpen.’ Toen de prins dit hoorde, was hij in één klap genezen, stond op en ging vrolijk op weg.

Onderweg zag de prins een man met een enorme buik op de grond liggen. ‘Als je iemand nodig hebt, neem mij dan in uw dienst. Als ik mij goed uitzet, dan ben ik nog drieduizend maal dikker.’ ‘Als dat waar is’, zei de koningszoon, ‘dan kan ik u gebruiken. Kom, ga met mij mee!’ Hierop reisden zij samen verder en kwamen na enige tijd een man tegen die met zijn oor op het gras lag.

‘Wat ben je aan het doen?’, vroeg de prins. ‘Ik luister’, antwoordde de man. ‘Waar luister je naar?’ ‘Naar alles wat op de wereld gebeurt. Ik hoor namelijk alles. Zelfs het gras hoor ik groeien.’ Hierop vroeg de prins: ‘Kun je mij vertellen wat je op het hof van de koningin met de schoonste dochter van het land hoort?’ ‘Ik hoor een minnaar sterven’, sprak de man. ‘Ik kan u gebruiken. Kom met mij mee’, zei de prins. En ze trokken weer verder.

Nu zagen ze twee voeten en een stuk been in het bos, maar de rest van het lichaam was niet te zien. ‘Wat bent u ontzettend lang’, zei de prins. ‘Och’, zei de lange man. ‘Dit is nog niets, als ik mij uitstrek, dan ben ik nog drieduizend maal langer dan de hoogste berg. Ik wil u graag dienen, als u mij wilt hebben.’ ‘Zeker. Ik kan u gebruiken. Kom mee’, zei de prins.

Het gezelschap ging weer verder en vond een man met een blinddoek. ‘Is er iets met je ogen?’, vroeg de prins. ‘Alles waar ik naar kijk barst uiteen. Zo’n kracht heb ik in mijn gezicht’, zei de geblinddoekte man. ‘Kom mee. Ik kan u gebruiken’, sprak de prins. Opnieuw trokken zij verder en nu kwamen ze een man tegen die in de hete zon lag, maar toch lag te rillen van de kou. ‘Hoe komt dat?’, vroeg de koningszoon. ‘Hoe heter het is, des te kouder ik ben’, antwoordde de man. ‘Je bent een wonderlijk mens’, zei de prins. ‘Als je mij wilt dienen, dan kun je mee gaan.’

De groep ging weer voort en zag een man staan, die zijn hals uitrekte en over alles heen keek. De koningszoon zei: ‘Waar kijk je naar?’ En de man antwoordde: ‘Ik heb zulke heldere ogen, dat ik de hele wereld kan zien.’ Waarop de prins zei: ‘Als je wilt, dan kun je mee gaan, want zo iemand ontbreekt nog.’

Nu arriveerde de prins met zijn zes knechten bij de oude koningin en zei: ‘Ik kom om uw dochter te trouwen.’ ‘Ja’, antwoordde de koningin, ‘driemaal zal ik u een opdracht geven en als u ze allen volbrengt, dan zult u mijn dochter trouwen. Als eerste wil ik dat u mijn ring terugbrengt, die ik in de Rode Zee heb laten vallen.’

Hierop ging de prins naar zijn dienaren en zei: ‘Kunt u mij raad geven?’ ‘Ik zal eens zien waar de ring ligt’, zei de man met de heldere ogen. Hij keek in de zee en zei: ‘Daar ligt hij, bij die steen.’ ‘Ik kan hem wel pakken’, zei de lange, ‘maar dan moet ik hem wel eerst zien.’ ‘Dat regel ik wel’, zei de dikke man en hij dronk de zee leeg. Nu bukte de lange en haalde de ring uit de zee. De prins was verheugd en bracht de ring naar de koningin die zei: ‘Ja, het is dezelfde. Dit heb je volbracht, maar nu komt de tweede opdracht. Ginds voor mijn kasteel, grazen driehonderd vette ossen. Eet deze met huid en haar en drink daarbij driehonderd vaten wijn uit de kelder. Als er ook maar iets overblijft, dan zult u sterven.’

‘Mag ik hier gasten bij uitnodigen? Alleen smaakt het niet’, vroeg de prins. De koningin lachte honend en antwoordde: ‘U mag één gast uitnodigen.’ Toen zei de koningszoon tegen de dikke man: ‘U zult mijn gast zijn.’ De dikke man ging hierop aan de gang en at de driehonderd ossen met huid en haar op en vroeg of er niet nog een paar waren. De wijnvaten dronk hij leeg zonder een glas nodig te hebben en de laatste druppel likte hij van zijn nagel af. Toen de maaltijd was genuttigd ging de prins naar de koningin om te vertellen dat de opdracht was volbracht.

Zij was verwonderd en zei: ‘Zo ver als u, heeft niemand het ooit geschopt, maar er is nog één laatste opdracht: vanavond breng ik mijn dochter bij u op de kamer, maar pas op dat u niet in slaap valt. Ik kom om middernacht bij u kijken en als zij er dan niet meer is, dan hebt u verloren.’ ‘O’, dacht de prins, ‘dat is makkelijk. Ik zal mijn ogen openhouden.’ Maar de knechten roken onraad en zeiden: ‘Wie weet wat voor list dit is. Het is zaak om goed op te passen.’

In de avond gingen de knechten in een kring rondom de prinses zitten en ze plaatsten de dikke voor de deur zodat er geen mens in of uit de kamer kon komen. Dit duurde tot elf uur, toen zij allen door de toverkracht van de koningin in slaap vielen en de prins verdween. Om kwart voor twaalf was de spreuk uitgewerkt en ontwaakten zij. ‘O nee!’, riep de prins. ‘Nu ben ik verloren.’

‘Stil eens’, zei de man die alles kon horen. ‘Zij zit achter een rots hier driehonderd kilometer vandaan en beklaagt haar lot.’ ‘Ik kan haar halen’, zei de lange, ‘maar ik heb een sterk gezicht nodig om de rots weg te halen.’ Samen hadden zij in een mum van tijd de prinses teruggebracht. Toen het twaalf uur sloeg, zaten zij allen weer in de kamer en toen de oude koningin hen zag zitten schrok zij ontzettend en zei tegen de prins: ‘U kunt meer dan ik.’

Hoewel de prins alle opdrachten had voltooid probeerde de koningin er toch voor de zorgen dat hij niet met haar dochter zou trouwen en fluisterde in het oor van de prinses: ‘Het is een schande voor u. Alles is te danken aan zijn knechten.’ De trotse prinses was hier gevoelig voor en zei: ‘U hebt dan wel de drie opdrachten volbracht, maar om met mij te trouwen zult u drie dagen in het vuur moeten staan.’

Toen de knechten dit hoorden, zeiden zij: ‘Wij hebben allen iets gedaan, behalve de koude.’ Daarop namen zij hem mee en zetten hem in het vuur. ‘Zo koud heb ik het nog nooit gehad. Als het langer had geduurd, dan was ik zeker bevroren.’

Nu waren er geen uitvluchten meer en moest de prinses met de prins trouwen. Toen zij getrouwd waren, namen de knechten afscheid en bracht de prins zijn vrouw naar een varkenshoeder vlakbij het kasteel. Eenmaal aangekomen zei hij tegen zijn vrouw: ‘Ik ben geen prins, maar een varkenshoeder en dit is mijn vader die we nu beiden moeten helpen.’

Hierop ging hij met haar naar een herberg en zei tegen de waard, dat men ‘s nachts de koningskleren stil weg moest nemen. De volgende morgen had de prinses niets om aan te doen. De waardin van de herberg gaf haar een oude rok en een paar oude kousen en deed alsof dit een groot geschenk was. ‘Als dit uw man niet was, dan had ik u niets gegeven.’

Toen geloofde de prinses dat haar man inderdaad een varkenshoeder was, ging aan het werk en zei tegen zichzelf: ‘Ik heb het door mijn trots verdiend.’ Na acht dagen kon zij het niet meer uithouden want haar voeten zaten vol wonden. Toen kwamen er twee mensen naar haar toe die vroegen of ze wel wist wie haar man was. ‘Ja, een varkenshoeder’, zei ze. ‘Kom met ons mee’, zei het tweetal. En zij brachten haar naar het kasteel. Daar stond haar man in koninklijke kleren. Hij kuste haar en zei: ‘Ik heb zoveel voor je geleden. Het leek mij eerlijk dat jij ook iets voor mij zou doorstaan.’ Hierop hielden ze een groot feest en leefden nog lang en gelukkig.

0Shares
0 replies on “De Zes Dienaren”