De Oud en Nieuw van de stoute kleine kobold

Kom, laten we op de grond rond het vuur gaan zitten en kijken hoe de gouden vlammen dansen en springen. Zie jij ook die hele blije vrolijke vlam die net door de schoorsteen springt? Ik ken een verhaal over hem, een nieuwjaarsverhaal! Laten we dichterbij kruipen en in het vuur kijken. Zie je ook dat stuk gitzwarte houtskool daar?

Nu, er was eens een akelige kleine kobold die eruitzag als een stuk houtskool. Zijn kleren waren helemaal zwart, zijn ronde pet zag eruit als een stukje kool, zijn puntige schoenen waren gitzwart en zijn gezichtje was vies en hij had een lelijke fronsende uitdrukking. Het was niet alleen een verschrikkelijke kobold om te zien maar hij gedroeg zich ook verschrikkelijk.

Er was niemand die hem leuk vond. De vogels hadden een hekel aan hem omdat hij in het donker wachtte tot alle babyvogels diep in slaap waren in het nest. Dan kwam hij tevoorschijn van onder het nest, waar hij zich had verstopt, en riep dan heel hard: “Goedemorgen, wakker worden!” En alle babyvogels tjilpten dan: “Tjilp, tjilp, papa breng ons een ontbijt!” Het duurde dan altijd heel lang voordat de opgewonden baby’s weer in slaap vielen. Op een keer liet Middernacht, zo heette de kobold, een stukje tak in de open snavel van een babyvogel vallen en het arme vogeltje hoestte zo hard dat hij de vogels in de nesten de hele nacht wakker hield. Middernacht grinnikte vrolijk en haastte zich snel op weg voor een nieuwe grap.

Terwijl de moederkonijnen sliepen, beschilderde de kobold de kleine witte vlekken, die ze onder hun staart hebben, met bruine modder. Toen de ochtend aanbrak en de moederkonijnen wakker werden en naar hun kinderen riepen om hen te volgen, konden de kleine konijntjes geen witte vlekken op de staart van hun moeder zien, om te volgen, en raakten ze allemaal verdwaald in het hoge gras. Het kostte de moederkonijnen de hele dag om hun kinderen weer bij elkaar te krijgen, en het duurde nog veel langer om de witte vlekken weer schoon te krijgen. Middernacht maakte een sprongetje van vreugde. De moederkonijnen hadden hem graag willen vangen, maar hij was te snel voor ze.

Toen vond de kobold de gaten waar de eekhoorns hun noten voor de winter hadden verstopt. Het had maanden gekost om ze te verzamelen, maar Middernacht wachtte tot ze weer op jacht waren, en haalde alle noten weg. Hij verborg ze in de wortels van een oude boom, waar de eekhoorns ze nooit zouden kunnen vinden.

Deze streken maakten de vriendelijke boswezens erg van streek. De vogels, de konijnen en de eekhoorns stormden op de kabouter af en joegen hem voor zich uit. De vogels pikten hem met hun snavels en de eekhoorns en konijnen renden hard achter hem aan. Middernacht rende weg, nu toch wel echt bang, sneller en sneller totdat hij het donkerste deel van het hele bos bereikte. Daar sprong hij in een gat in een boom en rolde zich zo strak op dat zijn ronde muts zijn puntige schoenen raakte. Terwijl hij beefde van angst, hoorde hij de vogels en konijntjes en eekhoorns voorbij rennen terwijl ze dachten dat de gemene kleine kobold nog steeds voor hen uit rende.

Toen ze allemaal weg waren, gluurde Middernacht uit zijn hol. Oh, wat was het vreselijk stil in het bos! Geen vogel tjilpte, geen eekhoorn of konijn of bosmarmot woonde nog in het bos. Het was zo stil en zo donker en zo eenzaam dat Middernacht echt verdrietig begon te worden. De slechte kleine kobold legde zijn hoofd op zijn zwarte knieën en viel in slaap, dat was het enige wat hij kon doen nu.

Het eerste geluid dat hem wakker maakte, was: “Hak-hak!” Hij wreef in zijn ogen en gluurde naar buiten. Hij zag houthakkers bomen omhakken met hun scherpe bijlen. Toen zag hij ze naar de boom komen, waar hij verstopt zat. Trillend van angst rolde Middernacht zich nog verder op tot een strakke bal. “Hak-hak-pats”! daar ging de boom, en Middernacht’s hoofd stootte hard tegen de bovenkant van zijn hol toen hij, nog steeds erin, de boom op de grond voelde vallen.

Dat was eigenlijk best leuk, en heel opgewonden gluurde hij uit een spleetje en keek naar de mannen die kettingen om de bomen vastmaakten en ze op wielen laadden. Zijn eigen boom ging ook, en het volgende wat Middernacht hoorde, was zaag-zaag, toen de boom in boomstammen werd gezaagd op de houtzagerij. Hij zat nog veilig in zijn hol toen zijn houtblok regelrecht in een donkere kelder werd gegooid. Het was daar nog somberder dan in het bos en Middernacht begon naar wat vrienden te verlangen. “Ik zou ze echt niet meer plagen. Ik zou gewoon lekker met ze spelen”, zuchtte hij verdrietig, en twee tranen rolden over zijn kleine vieze gezichtje en wasten het bijna schoon.

Toen hoorde Middernacht een vreemd nieuw geluid. Het was vrolijker dan het gebabbel van een eekhoorn, zoeter dan het gezang van een vogel, het was het gelach van een kind! Waar kwam dat vandaan? Middernacht stopte met huilen en luisterde. Het klonk weer en het gelach van andere kinderen vermengde zich ermee. Middernacht gluurde naar buiten. Er was niemand in de kelder. Hij sloop naar buiten en liep op zijn tenen de trap op, op zoek naar die lachende stemmen. Hij verstopte zich in de schaduw zodat niemand hem kon zien en liep door de keuken naar een kamer, vol zonneschijn en kinderen.

Hij rende naar binnen, verstopte zich achter een gordijn en gluurde nieuwsgierig de kamer in. In het midden van de kamer stond een klein meisje met goudblond haar, het meisje wiens gelach hij het eerst had gehoord. Maar terwijl Middernacht haar verrukt aankeek, zag hij dat ze op het punt stond in huilen uit te barsten. “Mijn pop, mijn lieve pop, ik kan haar niet vinden”, jammerde ze. In een flits zochten alle andere jongens en meisjes onder de stoelen en tafels naar de weggelopen pop. Ze konden haar niet vinden, maar Middernacht zag een paar poppenvoeten onder de bank vandaan steken. Hij huppelde snel over de vloer, trok de pop aan één been naar buiten en zette haar op een stoel naast het kleine meisje.

“Oh, mijn pop is terug”, riep ze terwijl ze de pop blij omhelsde. “Ze ging wandelen en kwam weer terug!” en terwijl ze de twee handen van de pop in de hare nam, danste ze met haar door de kamer. De andere kinderen dansten ook en lachten er vrolijk bij.

Middernacht had nog nooit zoiets vrolijks gezien of gehoord, hij kreeg ook zin om te dansen. Maar als iemand hem had gezien, hadden ze hem vast weggejaagd.

Dus Middernacht zorgde ervoor dat niemand hem zag. Behalve misschien de kinderen. Hij bracht de meeste tijd met hen door en op de één of andere manier leken ze te weten dat hij daar was en dat hij hun vriend was. Elke avond als ze aten, zetten ze een kommetje melk voor hem, bij het vuur. Als ze de volgende dag kwamen ontbijten, was de kom altijd leeg. Ik weet niet hoe Middernacht het dronk zonder gezien te worden, want hij sliep nog steeds in zijn blokhut in de kelder en hij sliep ook zodra de hoofden van de kinderen hun kussens raakten. De moeder van de kinderen was verbaasd over die lege kom, maar ze had het vermoeden dat er een vriendelijke kobold in huis was, aangezien er steeds weer verloren dingen opdoken.

“Ik kan mijn horloge niet vinden!”, riep de moeder wanhopig. “Kom, kinderen, zoek het!” De kinderen keken op de vloer, onder het kleed, in de bloempotten en op de tafels. Maar, verstopt achter het gordijn, had Middernacht iets van goud door de kwastjes van de bank heen zien schijnen. Razendsnel haalde hij het tevoorschijn en plaatste het op de armleuning van de moeders stoel. “Kijk nu, hier is het!” riep ze uit. “Hoe is het daar gekomen?” De kinderen lachten en knipoogden naar elkaar, alsof ze het begrepen, maar hoe konden ze het aan moeder uitleggen over de kobold?

Op een ochtend, het was nieuwjaarsdag, sliep Middernacht langer dan normaal. Hij lag opgerold in zijn houtblok, zo diep in slaap dat zelfs het gejoel in huis, hem niet wakker maakte. Toen werd hij plotseling ondersteboven gekeerd, en terwijl hij zijn ogen opendeed, gluurde hij uit de spleet en ontdekte dat het houtblok op het punt stond op het laaiende vuur te worden gegooid! Oh, lieve help wat was het heet, en toen hoorde Middernacht de kinderen lachen. Hij stak zijn hoofd naar buiten en zag ze allemaal voor het vuur zitten. Ze keken met grote ogen naar het vuur. Rond middernacht dansten de mooie gouden vlammen, zo blij, dat Middernacht vergat bang te zijn. “Ik wil ook zo gelukkig zijn!”, dacht hij. “Ik wil lachen met de kinderen en dansen met de vlammen.” Zijn blok hout vatte vlam, vlamde op en toen sprong Middernacht eruit en hij was geen kleine vieze kobold meer!

In plaats daarvan was hij de meest prachtige glanzende en dansende gouden vlam die je ooit hebt gezien! Even danste hij alleen maar op en neer van plezier, toen, zwaaiend en buigend voor de kinderen, riep hij: “Gelukkig nieuwjaar! Gelukkig nieuwjaar!”, en sprong de schoorsteen in.

Toen hij de top bereikte, zag hij een prachtig schouwspel. De zon die op sneeuw en ijs scheen, veranderde de wereld in een sprankelend sprookjesland en de lucht was zo blauw als vergeet-mij-nietjes. Middernacht danste met de zonnestralen over het glinsterende ijs tot hij bij een zwerm vogeltjes kwam die ineengedoken in de sneeuw zaten, te koud om te vliegen. Hun veren waren slap en ze zagen er erg ellendig uit.

“Kom met me spelen”, riep hij, terwijl hij om hen heen danste. Hij was zo blij en mooi dat ze de kou vergaten, hun veren poetsten en in cirkels om hem heen vlogen. “Kom en doe mee!”, riep hij tegen een groep konijnen die half bevroren in de sneeuw zaten. Ze huppelden langzaam naar hem toe en toen vergaten ook zij de kou. Ze speelden spelletjes met de gouden vlam-kobold en de vogels, tot ze allemaal zo net vrolijk waren als de zonnestralen. “Gelukkig nieuwjaar! Gelukkig nieuwjaar!” riepen ze naar elkaar en naar de twinkelende gouden vlam-kobold.

Toen zag Middernacht enkele eekhoorns opgerold op de takken van een boom. “Wat scheelt er? Wilen jullie soms wat nootjes?”, vroeg hij. “Volg mij maar!” En weg schoot hij naar de wortels van de boom waar hij, als ondeugende kobold hun wintervoorraad had verstopt. De eekhoorns volgden langzaam, maar toen ze hun schat zagen, glinsterden hun ogen, klapperden hun tanden van plezier en renden ze heen en weer van de boomwortel naar hun eigen holen, met hun poten vol noten. Ze waren net zo blij als Middernacht zelf. “Gelukkig nieuwjaar! Gelukkig nieuwjaar”, riepen ze tegen hun vriend, van wie ze nooit hadden durven dromen dat het de slechte kleine kobold was die ze de herfst ervoor hadden verjaagd!

Dus de hele dag en vele dagen daarna danste en zong de kobold en hielp hij mensen en vogels en andere boswezens. Hij fonkelde buiten net zo vrolijk in de zon als toen hij danste in het vuur, de kinderen warmde en liedjes voor ze zong.

“Het is elke dag een gelukkig nieuwjaar als de kobold hier is!”, riepen de kinderen, terwijl ze net zo vrolijk dansten op het kleed voor de open haard als de kobold-geest in het vuur danste. “

Daar is hij nu, zie je hem? Hij danst en knettert vrolijk en roept naar ons allemaal: Gelukkig nieuwjaar, gelukkig nieuwjaar!”

image_pdfDownloadimage_printPrint