De Kerst van oom Wiggily

De sneeuw dwarrelde naar beneden, en de witte vlokken waaiden alle kanten op door de koude decemberwind die uit het noorden waaide. Een vogel, geen roodborstje want die waren allang naar het zuiden gevlogen, ging de schuur in en verborg zijn kop onder zijn vleugel. Het was koud in de bossen rondom oom Wiggily’s holle boomstronk-bungalow. Meneer Langoor bracht wat brandhout naar zuster Jane Fuzzy, de rat, zodat de schoorsteen goed bleef roken. Toen Oom Wiggily de houtkist had gevuld, nam hij zijn pet en zijn, met bont gevoerde jas, van de kapstok.

“Beste Wiggy! Je gaat er toch niet uit op een dag als deze?”, zuster Fuzzy.

“Jawel,” antwoordde het konijn. “Ik heb opa Ganzenvel beloofd dat ik met hem naar de stad zou gaan om te winkelen. Hij wil in de winkels kijken wat ze voor Kerstmis verkopen.”

“Ja ach, als het over Kerstmis gaat, is het wat anders”, zei de rattendame. “Maar pak je goed in, want het stormt hard. Ik wil niet dat je verkouden wordt.”

“Ik wil zeker niet ziek worden”, zei oom Wiggily. “Want mijn roze neus wordt erg rood als ik nies. Ik zal heus voorzichtig zijn, zuster Jane.”

Oom Wiggily ging het besneeuwde bos in. Hij kwam langs het hol waar Sammie en Susie Kleinstaart, de konijnenkinderen, woonden. Susie stond bij het raam en zwaaide met haar poot naar meneer Konijn.

“Nog maar drie dagen tot Kerstmis! Ben je niet blij, oom Wiggily?”, riep Susie.

“Ik ben inderdaad heel blij”, antwoordde hij.

Johnnie en Billie Bossigstaart, de eekhoorns, keken uit het raam van hun huis. Johnnie hield een sliert noten omhoog die hij aan het klaarmaken was om in de kerstboom te hangen.

“Billie en ik gaan de Kerstman helpen!”, vertelde Johnnie.

“Mooi zo”, lachte oom Wiggily. “De Kerstman heeft vast hulp nodig!”

Het konijn huppelde door de sneeuw verder tot hij bij de kennel van Jackie en Peetie Bow Wow, de puppy’s kwam.

“We poffen maïs voor Kerstmis”, blafte Jackie. “Daarom kunnen we niet naar buiten komen!”

“Blijf in huis en hou je warm!”, riep oom Wiggily.

Hij huppelde nog wat verder tot hij bij het huisje van Opa Ganzenvel kwam. Daarna gingen ze samen op pad naar de winkels. Overal in de winkels lagen kerstcadeaus opgestapeld. Er waren cadeaus voor jongens en meisjes en voor vaders en moeders. Iedereen keek verrukt rond en bedacht wat hij aan de Kerstman zou vragen. Oom Wiggily zag wat dingen waarvan hij wist dat zuster Jane ze zeker leuk zou vinden, en opa Ganzenvel kocht wat cadeautjes die rechtstreeks uit de werkplaats van de Kerstman kwamen. Daarna zagen ze meneer Witwas, de ijsbeer.

“Hallo! Hallo”, brulde meneer Witwas met zijn vrolijke stem. “Kom naar mijn ijsgrot, heren, en drink een kop hete, gesmolten ijspegels!”

“Ik zou wel willen, maar ik kan niet”, zei oom Wiggily. “Zuster Jane wilde dat ik wat draad voor haar haal. Ik koop het en ga dan meteen terug naar mijn bungalow.”

“Dan ga ik wel met u mee, meneer Witwas”, kwaakte opa Ganzenvel en hij waggelde weg met de ijsbeer, terwijl oom Wiggily, die de draad had gekocht, naar zijn bungalow huppelde. Oom Wiggily was nog niet lang onderweg of hij hoorde wat kinderen praten achter een struik. Hij kon goed horen wat er werd gezegd.

“Komt de Kerstman naar jouw huis?”, vroeg de ene jongen aan de andere.

“Ik denk het niet”, was het antwoord. “Mijn vader zegt dat onze schoorsteen zo vol zwarte roet zit dat de Kerstman er niet doorheen kan komen. Hij zou eruit zien als een kolenman als hij dat deed, denk ik.”

“Bij ons is het net zo”, zuchtte de eerste jongen. “Onze schoorsteen zit ook helemaal dicht. Ik denk dat er dit jaar geen kerstcadeautjes zullen zijn.”

“Dat is jammer”, dacht oom Wiggily bij zichzelf. “Kerstmis zou er voor iedereen moeten zijn, en een kleinigheid als een met roet gevulde schoorsteen mag niet in de weg staan. Alle dierenkinderen die ik ken, krijgen cadeautjes. Ik wilde dat ik deze jongens kon helpen.”

Oom Wiggily tuurde over de top van de sneeuwheuvel. Hij zag de jongens, maar zij zagen het konijn niet. Meneer Langoor wist nu waar de jongens woonden. “Ik wilde dat ik die jongens kon helpen die geen kerst gaan vieren”, zei hij weer tegen zichzelf, terwijl hij verder sprong met de klossen garen voor zuster Jane.

En net op dat moment hoorde hij in de lucht een geluid: “Krauw! Krauw! Krauw!”

“Kraaien!”, riep oom Wiggily uit. “Daar zijn mijn vrienden, de zwarte kraaien! Zij blijven hier wel de hele winter. Zwarte kraaien, zwart, zwart….. een schoorsteen is van binnen ook zwart, net zoals een kraai van buiten zwart is! Ik geloof dat ik een idee heb!”

De roze neus van het konijn begon te glinsteren. Dat gebeurde altijd als hij nadacht, en nu glinsterde zijn neus bijna als een ster in een donkere nacht. “Ha! Ik heb het”, riep oom Wiggily uit. “Een kraai kan binnenin een roetzwarte schoorsteen niet zwarter worden dan buiten! Als de Kerstman niet door een zwarte schoorsteen kan, dan kan een kraai dat wel! Ik zal deze kraaien laten doen alsof zij de Kerstman zijn!”

Oom Wiggily liet een schril gefluit horen. “Krauw! Krauw! Krauw”, krasten de zwarte kraaien in de witte, besneeuwde lucht. “Oom Wiggily roept ons”, zei de hoofdkraai. “Krauw! Krauw!”

“Hoe gaat het, Kraaien?”, begroette het konijn hen. “Ik heb jullie geroepen omdat ik graag wil dat jullie wat kerstcadeautjes meenemen naar een paar jongens die anders niets krijgen. Hun schoorstenen zitten vol zwarte roet!”

“Zwarte roet zal ons niet storen”, zei de grootste kraai van allemaal. “We vinden het niet erg om door de zwartste schoorsteen van de wereld te gaan!”

“Dat dacht ik al”, zei oom Wiggily. “Nu weet ik natuurlijk dat het soort cadeaus dat de Kerstman aan de dierenkinderen geeft, niet precies is wat de meeste echte jongens en meisjes zouden willen. Maar een paar cadeaus zullen wel goed zijn.”

“Ik kan wilgenfluitjes geven, gemaakt door opa Lichtvoet, de oude eekhoorn-heer. Ik kan houten puzzels krijgen die uit de espenboom zijn geknaagd door de oude bever. Opa Ganzenvel en ik zullen de ronde, bruine bolletjes van de plataan verzamelen, en de jongens kunnen deze gebruiken als knikkers.”

“Dat zullen inderdaad hele mooie cadeaus zijn”, kraste een middelgrote kraai. “De jongens zullen dat leuk vinden.”

“En willen jullie deze dingen dan door de schoorsteen brengen?”, vroeg oom Wiggily. “Ik zal jullie wat van zuster Jane’s draad geven, zodat jullie de fluitjes, puzzels, houten knikkers en andere cadeautjes gemakkelijk kunnen dragen.”

“Natuurlijk, wij hangen ze wel in de schoorstenen, geen probleem”, krasten de kraaien.

Dus verzamelde oom Wiggily de boscadeautjes. En in de schemering van Kerstavond fladderden de zwarte kraaien zwijgend het bos in en grepen met hun klauwen de cadeautjes die het konijn met draad had vastgebonden, en fladderden weer weg. Ze gingen niet alleen naar de huizen van de twee jongens, maar ook naar de huizen van een paar meisjes, over wie oom Wiggily had gehoord. Ook hun schoorstenen leken vol roet te zitten. Ze brachten de cadeaus, heel stilletjes, zonder te kraaien, net als de echte Kerstman deed.

De hele Kerstavond fladderden ze rond totdat alle cadeautjes die oom Wiggily voor zijn vrienden had verzameld, op de goede plek waren gebracht. Daarna ging iedereen naar bed en de volgende ochtend werd iedereen vroeg wakker.

“Vrolijk Kerstfeest, oom Wiggily!” zei zuster Jane.

“Vrolijk Kerstfeest, zuster Jane”, antwoordde het konijn. En overal in het land klonken stemmen die zeiden: “Vrolijk Kerstfeest! Vrolijk Kerstfeest!”

Bij de open haarden in de huizen van de jongens en meisjes, die niet blij naar bed waren gegaan, omdat ze geen kerstcadeaus zouden krijgen, lagen zomaar toch prachtige geschenken. Toen ze wakker werden, wisten ze niet wat ze zagen.

“Hoe is het mogelijk!”, riep een van de twee jongens die oom Wiggily in de struiken had horen praten. “Hoe is de Kerstman nou toch door onze zwarte schoorsteen gekomen?”

Toen klonk overal, in het land van jongens en meisjes, maar ook in het sneeuwbos van het dierenvolk, de vrolijke kreet: “Vrolijk kerstfeest! Vrolijk kerstfeest!”

image_pdfDownloadimage_printPrint