De Granaatappelzaden

Moeder Ceres hield veel van haar dochter Proserpina, maar ze moest haar op een dag verlaten omdat het niet zo goed ging met de planten op aarde. Moeder Ceres was verantwoordelijk voor het groeien van de gewassen.

“Zorg dat je niet te ver de velden in loopt”, waarschuwde Ceres haar dochter Proserpina. “Dat moet je me beloven.” Ze zou haar dochter nooit alleen achterlaten als de aarde haar niet zo hard nodig had.

“Geen zorgen moeder”, zei Proserpina, “ik weet dat de velden gevaarlijk zijn. Maar is het wel goed als ik, in afwachting van je terugkomst, met de waternimfen speel?” Dat vond Ceres prima. “Maar denk erom, Proserpina”, waarschuwde Ceres haar. “Ook de waternimfen zijn niet altijd betrouwbaar. Laat je niet in de verleiding brengen dat ze je de zee in lokken om je daar te verdrinken.”

Daarna vloog Ceres in haar rijtuig weg en Proserpina haastte zich naar de kust waar ze al werd opgewacht door een groepje waternimfen. Ze hadden een prachtige ketting van schelpen gemaakt voor Proserpina. Om de waternimfen te bedanken, ging ze het veld in om bloemen voor hen te plukken.

Nu wist ze dat ze niet te ver in het veld moest gaan….maar de bloemen verderop leken steeds weer mooier dan die ze van dichtbij zag. Dus zo liep ze verder en verder het veld in tot ze bij een struik kwam met schitterende bloemen: ze leken wel van diamant! Proserpina had nog nooit eerder zulke mooie bloemen gezien! “Ik trek de struik met wortel en al eruit zodat ik hem kan planten voor ons huis. Dat zou een geweldige verrassing voor mijn moeder zijn als ze thuiskomt”, dacht Proserpina en ze begon aan de wortels te trekken.

Met de wortels trok Proserpina een stuk aarde uit de grond en er opende zich plotseling een enorm gat. Proserpina stond uit angst aan de grond genageld. Er kwam een zwart rijtuig uit de grond, dat werd voortgetrokken door zes zwarte paarden. In het rijtuig zat een man. Hij was donker gekleed en hoewel hij iets nors had, was het een knappe man. Hij boog zich over naar Proserpina en zei: “Wees niet bang, Proserpina. Ik zou je graag uitnodigen om een stukje met me mee te rijden.”

Proserpina deinsde terug. “Nee, ik zal zeker niet meegaan. Ik moet terug naar mijn moeder.” En terwijl ze zich uit de voeten wilde maken, greep de man haar en trok haar het rijtuig in.

“Help me, moeder!”, riep Proserpina. Maar haar moeder was zo ver weg dat ze Proserpina niet kon horen.

“Ik ben koning Pluto”, zei de man. “Ik ben de koning van de diamanten en edelstenen. Mijn paleis zal je goed bevallen. Het is gemaakt van goud, diamanten en de mooiste edelstenen die je ooit hebt gezien. Jij mag mijn kroon als speelgoed hebben. We zullen zeer goede vrienden worden, want je zult me een stuk leuker vinden als we geen last meer hebben van die akelige zonneschijn.”

En zo reden ze verder en verder tot de aarde niet meer groen was, maar rotsachtig en de zon niet meer scheen maar het steeds donkerder werd. In de rots stond het kasteel van koning Pluto. Het werd verlicht door fakkels. Dit zorgde voor een schitterend kleurenpalet vanwege de weerkaatsing van de prachtige edelstenen. De poort werd bewaakt door een driekoppige hond. “Dit is mijn hond”, zei koning Pluto. “Hij zorgt ervoor dat niemand het kasteel betreedt als hij niet door mij is uitgenodigd, maar ook niemand het kasteel verlaat die ik niet wil laten gaan.”

In het kasteel gaf de koning zijn bedienden opdracht om het lekkerste eten te maken. Nu is het zo dat iets eten in de onderwereld, waar dit kasteel zich bevond, ervoor zorgt dat je alles uit je verleden vergeet en je altijd in de onderwereld zult blijven. De koning hoopte dat Proserpina haar moeder, na het eten van de heerlijke zoetigheden, snel zou vergeten. Maar Proserpina was het helemaal niet gewend snoep te eten. Haar moeder gaf haar altijd zelfgebakken brood en fruit. Dus Proserpina at er niets van.

In de tussentijd kwam Ceres erachter dat haar dochter niet thuis was, dus ging ze direct naar de waternimfen. “Hebben jullie Proserpina laten verdrinken?”, vroeg ze met grote angstige ogen.

“Nee, dat zouden wij nooit doen”, zeiden de waternimfen. “Ze zou bloemen voor ons plukken in het veld maar ze is niet teruggekomen.”

Ceres wist direct dat er iets verschrikkelijks gebeurd moest zijn. Ze pakte een fakkel. Met een spreuk zorgde ze ervoor dat de fakkel dag en nacht bleef branden. Het zoeken naar haar dochter duurde maanden en maanden. In de tussentijd kwam ze verschillende wezens tegen, maar niemand wist haar te vertellen waar haar dochter was.

Op een dag kwam ze bij een vrouw, genaamd Hecate, en zij wist Ceres te vertellen dat ze had gehoord dat haar dochter door een monster was meegenomen. Ceres volgde de weg waar Hecate het geluid van het monster had gehoord. Na lange tijd onderweg te zijn geweest, kwam ze Phoebus tegen, een jonge man die graag in de zon zat om op zijn harp te spelen. “Ik weet waar je dochter Proserpina is”, wist hij te vertellen. “Maak je maar geen zorgen, ze is veilig en in uitstekende handen.”

“Oh, maar waar is mijn lieve kind?”, riep Ceres zich aan zijn voeten werpend.

“Nou, terwijl ze prachtige bloemen aan het verzamelen was, werd ze plotseling gegrepen door koning Pluto en hij heeft haar meegenomen naar zijn rijk in de onderwereld. Ik ben er persoonlijk nog nooit geweest, maar het schijnt bezaaid te zijn met edelstenen. Jouw kind zal zich er prima vermaken. Proserpina zal het rijk hebben en het zal haar nergens aan ontbreken”, antwoordde Phoebus.

“Wat heeft ze nu aan al die pracht en praal als het liefdeloos is?”, riep Ceres verontwaardigd. “Ik moet haar terug hebben! Wil je met me meegaan om mijn dochter van deze slechte Pluto op te eisen?”

“Sorry”, zei Phoebus, “maar daarvoor heb ik het veel te druk. Bovendien kan ik het niet zo goed vinden met zijn hond die de poort bewaakt. Ik ben bang dat ik geen goede hulp kan bieden.”

“Ach Phoebus”, zei Ceres met een bijtende toon in haar stem. “Jij hebt alleen een harp maar geen hart. Vaarwel.”

Nu Ceres wist wat er met haar dochter was gebeurd, maakte dat haar geen tikkeltje gelukkiger dan voorheen. Ze begaf zich alleen met haar fakkel op pad naar het rijk van koning Pluto. Ze was in korte tijd, door al het verdriet, niet alleen oud geworden, maar ook verbitterd. In haar wanhoop besloot ze dat de aarde niet meer groen zou worden, dat er geen gewassen meer zouden groeien en dat er geen fruit meer geplukt kon worden.

 “Als de aarde ooit weer groen gras zal zien”, zei ze, “moet het eerst groeien langs het pad dat mijn dochter zal bewandelen, om bij mij terug te komen.”

Er moest iets gebeuren, anders zou de aarde verloren gaan. Een belangrijk man, genaamd Kwikzilver, besloot koning Pluto een bezoek te brengen met het verzoek Proserpina haar vrijheid terug te geven om de aarde te redden.

In de tussentijd verbleef Proserpina al meer dan een half jaar in het paleis van Pluto. Ze had het, op wonderbaarlijke manier, al die tijd gered om niets te eten. Pluto had er al die tijd er van alles aan gedaan om het haar naar de zin te maken en dat had wel wat veranderd in hoe Proserpina over Pluto dacht nu.

“Ik ben eigenlijk wel een beetje van je gaan houden”, had ze op een dag tegen de koning gezegd. “Maar ik wil nog steeds naar huis.”

“Ik zou graag willen dat je iets zou eten”, zei de koning, in de hoop dat het haar haar verleden zou doen vergeten.

“Ach, lieve koning”, zei Proserpina. “Ik zou zo graag het zelfgebakken brood van mijn moeder eten, of het verse fruit uit onze tuin.”

“Aha! Dat is de oplossing!”, dacht de koning en hij liet zijn bedienden zich haastten om vers fruit te plukken. Maar er was geen vers fruit meer, want er groeide geen fruit meer. Het enige wat de bedienden vonden, was een dorre granaatappel met daarin wat verdroogde pitjes. Ze legden de granaatappel op een dienblad en brachten het naar Proserpina.

Zij had zolang niets gegeten en nu was er het fruit, dat er wel wat armoedig uitzag, maar haar enorm in verleiding bracht. Ze nam een pitje uit de granaatappel en stak het in haar mond. Juist op dit moment stormde Kwikzilver het paleis van koning Pluto binnen, die zijn goedkeuring aan het bezoek had gegeven. “Geef Proserpina haar vrijheid terug”, riep Kwikzilver, “of de aarde zal het niet overleven.”

De koning liep naar Proserpina, die snel het bordje met de granaatappel onder de tafel wegstopte. “Mijn lieve Proserpina”, zei hij, “ik zou willen dat je me een beetje aardiger zou vinden. Wij sombere mensen hebben meestal een even warm hart als mensen met een opgewekter karakter. Als je uit jezelf zou besluiten bij mij te blijven, zou het mij gelukkiger maken dan het bezit van honderd paleizen.”

“Je had me eerst moeten leren kennen, voordat je me had meegenomen. Het beste wat je nu kunt doen, is me weer laten gaan. Misschien zou ik op een dag ook terug kunnen komen om je een bezoek te brengen”, zei Proserpina.

“Mijn kleine Proserpina”, zei de koning, “Kwikzilver is hier om me te vertellen dat veel onschuldige mensen heel veel ongeluk is overkomen omdat ik jou in mijn rijk heb vastgehouden. Het was ook geen goede daad van me en het spijt me. Ik kan duidelijk genoeg zien dat jij mijn paleis een donkere gevangenis vindt en ik de ijzeren bewaarder ervan ben. En een ijzeren hart zou ik zeker hebben als ik je niet zou laten gaan. Ik geef je de vrijheid, ga nu mee met Kwikzilverterug naar je huis, terug naar je moeder.”

Het afscheid nemen viel Proserpina zwaar. Ze was erg aan de koning gehecht geraakt. Maar ze kon niet wachten om terug naar haar moeder te gaan. Het was schitterend om te zien hoe het gras aan weerszijden van haar pad groen werd. Waar ze haar voet ook neerzette, er begonnen bloemen te groeien. Moeder Ceres was teruggekeerd naar haar huis en zat troosteloos op de stoep met haar brandende fakkel in haar hand. Ze had een tijdje naar de vlam zitten kijken toen hij ineens flikkerde en uitging.

“Wat betekent dit?”, dacht ze. “Het was een betoverde fakkel en hij had moeten blijven branden tot mijn kind terug zou komen.”

Ze sloeg haar ogen op en zag tot haar verbazing dat alles om haar heen groen werd.

“Is de aarde mij ongehoorzaam?”, riep Ceres verontwaardigd uit. “De aarde zou onvruchtbaar blijven tot ik mijn dochter in mijn armen zou sluiten?”

“Doe dan je armen maar weer open”, zei een bekende stem en daar kwam Proserpina aangerend om zich in de armen van haar moeder te storten. Toen ze allebei weer wat rustiger werden, keek Ceres haar dochter bezorgd aan. “Heb je iets gegeten toen je in het paleis van koning Pluto was?”

En toen vertelde Proserpina de waarheid. “Ik heb tot vanochtend niets gegeten tot ze me vandaag een granaatappel brachten. Ik had zo’n ongelooflijke honger dat ik zes pitjes heb gegeten.”

“Oh nee”, riep Ceres uit. “Voor elk van die Granaatappelzaden moet je een maand per jaar in het paleis van koning Pluto doorbrengen. Je bent dus maar voor de helft van het jaar thuis bij je moeder en de andere helft bij die ellendige koning van de duisternis!”

“Oordeel niet zo hard over die arme koning Pluto”, zei Proserpina terwijl ze haar moeder kuste. “Hij heeft een aantal zeer goede eigenschappen en ik denk echt dat ik het aankan om zes maanden in zijn paleis door te brengen als hij me maar die andere zes maanden met jou laat doorbrengen. Laten we maar, over het geheel genomen, lieve moeder, dankbaar zijn dat hij me niet het hele jaar door zal houden!”

image_pdfDownloadimage_printPrint