Batcha en de Draak

Er was eens een herder die Batcha heette. Elke zomer bracht hij zijn kudde schapen de bergtop op waar hij een hutje en een schaapskooi had.

Op een dag in de herfst keek hij de berghelling af en daar zag hij iets wonderbaarlijks. Er baanden zich wel honderden slangen een weg naar een rotsachtige klif, niet ver van waar hij was. Bij de klif aangekomen, beten de slangen het blad af van een plant die daar groeide. Met het blad raakten ze de rots aan en deze ging open. Eén voor één kropen de slangen naar binnen en na de laatste slang sloot de rots zich weer. Batcha wreef eens goed in zijn ogen. Had hij dit nu wel goed gezien? Hij vond dat hij het zelf maar eens van dichtbij moest bekijken. Zo ver was het niet, en de hond kon zolang prima op de schapen passen.

Daarna liep hij naar de klif en bekeek de mysterieuze plant. Hij had deze plant nog nooit eerder gezien. Hij plukte een blad en raakte de rots aan, op dezelfde plek waar de slangen dat hadden gedaan. Meteen ging de rots open. Batcha sloop voorzichtig naar binnen. Achter hem sloot de grot zich. De muren waren bedekt met goud, zilver en edelstenen. Er stond een gouden tafel in het midden met daarop een monsterlijke grote koningsslang, diep in slaap gerold. Op de grond lagen honderden slangen. Ze sliepen allemaal vast, want er was er niet één die zich bewoog, terwijl Batcha rondliep.

Batcha dacht: “Dit is inderdaad heel vreemd, maar het is tijd voor mij om terug te gaan naar mijn schapen.”

Maar toen merkte Batcha op dat hij niet weg kon, want de rots was gesloten. Daar zat hij dan, opgesloten met honderden slangen. Maar nuchter als Batcha was, zei hij tegen zichzelf: “Niks aan te doen, als ik er nu toch niet uitkom, kan ik beter hier overnachten.” Toen trok hij zijn cape om zich heen, ging liggen en viel al snel in slaap. Hij werd gewekt door een ruisend gemompel. Hij dacht eerst even dat hij in zijn eigen hut was, maar toen hij zijn ogen opendeed, zag hij de glinsterende muren van de grot en wist hij weer waar hij was.

De koningsslang lag nog steeds op de gouden tafel, maar hij was wakker. De slangen om hem heen waren ook wakker en Batcha hoorde hen zeggen: “Is het tijd? Is het tijd?”

De koningsslang hief langzaam zijn hoofd op en zei met een diep geluid: “Ja, het is tijd.” Daarna strekte de slang zich uit en gleed van de gouden tafel richting de muur van de grot en hij werd daarbij gevolgd door de andere slangen. Batcha liep erachteraan en dacht bij zichzelf: “Ik zal ze maar achterna gaan.” De koningsslang raakte de muur aan met zijn tong en de rots ging open. Toen gleed hij opzij en de slangen kropen één voor één naar buiten. Toen de laatste slang eruit was, probeerde Batcha hem te volgen, maar de rots sloeg dicht in zijn gezicht en Batcha was weer opgesloten. De koningsslang siste naar hem: “Jij, ellendig mensenwezen, jij kunt er niet uit! Jij bent hier en jij blijft hier!”

“Maar ik kan hier niet blijven”, zei Batcha. “Wat kan ik hier doen? Je moet me eruit laten. Ik heb schapen in de weide en een vrouw in de vallei.”

Batcha smeekte en probeerde van alles om de slang om te praten, tot de oude slang uiteindelijk zei: “Goed, ik laat je eruit, maar niet voordat je me een drievoudige eed hebt gezworen dat je aan niemand zult vertellen hoe je bent binnengekomen.”

Batcha beloofde het en drie keer zwoer hij een machtige eed om aan niemand te vertellen hoe hij de grot was binnengegaan. De slang liet hem eruit, maar waarschuwde Batcha: “Als je deze eed breekt, zal een vreselijk lot je treffen.”

Batcha maakte dat hij wegkwam. Eenmaal buiten keek hij om zich heen. Hij was verbaasd te zien dat alles er zo anders uitzag. Het was herfst toen hij de grot in was gegaan, maar het leek nu wel lente. “Wat is er gebeurd?”, riep hij van schrik. “Heb ik nu de hele winter geslapen? Oh, waar zijn mijn schapen? En mijn vrouw, wat zal ze zeggen?”

Met trillende knieën liep hij naar zijn hut. Zijn vrouw was binnen bezig. Batcha wist nog niet goed wat hij tegen haar zou zeggen, dus verstopte hij zich een moment in de schaapskooi om een verhaal te bedenken wat alles zou verklaren. Terwijl hij daar zat, zag hij een keurig geklede heer naar de deur van de hut komen. Hij vroeg zijn vrouw waar haar man was. De vrouw begon te huilen en legde de vreemdeling uit dat haar man op een dag in de voorgaande herfst plotseling was verdwenen. Hij had zoals gewoonlijk zijn schapen naar de weide gebracht en was daarna nooit meer teruggekomen. “Ik denk dat hij door een wolf is verslonden of heksen hebben iets verschrikkelijks met hem gedaan”, snikte ze. “En nu ben ik alleen, een arme, verlaten weduwe! Och wee, och wee!”

Haar verdriet was zo groot dat Batcha uit de schaapskooi sprong om haar te troosten.

“Lieve vrouw, niet huilen, ik ben er weer, levend en wel! Ik heb in de schaapskooi geslapen. Ik moet de hele winter hebben geslapen!”

Bij het zien van haar man hield de vrouw op met huilen. Haar verdriet veranderde in verbazing en toen in woede. “Wat heb jij allemaal uitgespookt”, riep ze. “Wat ben jij voor herder die zijn schapen en zijn vrouw in de steek laat? En dat om de hele winter te luieren, slapend als een slang. Nou, vertel het me maar, waar ben je geweest en wat heb je gedaan?”

De vreemdeling moest tussen beiden springen want de vrouw stond op het punt Batcha aan te vliegen. Hij bood de vrouw wat geld aan om mee te nemen naar haar huis in de vallei. “Laat je man aan mij over,”, zei de vreemdeling, “ik beloof je dat ik de waarheid van hem zal horen.”

Toen ze weg was, veranderde de vreemdeling in een afschuwelijk uitziend wezen met een derde oog, midden op zijn voorhoofd.

“Grote genade”, dacht Batcha, “het is de Tovenaar van de Berg! Wat gaat er nu met mij gebeuren?”

Batcha had vaak angstaanjagende verhalen gehoord over de tovenaar, ook over hoe hij elke vorm kon aannemen die hij wilde, en hoe hij anderen in andere gedaantes kon veranderen.

“Aha!”, lachte de tovenaar. “Ik zie dat je me herkent! Nu geen leugens meer! Vertel eens; waar ben je de hele winter geweest?”

Batcha herinnerde zich aan de drievoudige eed aan de oude koningsslang en was bang die te breken. Maar de tovenaar vroeg de vraag een tweede keer en een derde keer en elke keer werd hij groter en angstaanjagender. Het maakte Batcha erg bang en uit angst brak de herder zijn belofte en vertelde de tovenaar alles.

“Kom nu met me mee”, zei de tovenaar. “Laat me de klif en de magische planten zien.”

Wat kon Batcha anders doen dan gehoorzamen? Hij liep met de tovenaar naar de klif en plukte een blad van de magische plant.

“Open de rots!”, brulde de tovenaar.

Batcha legde het blad tegen de klif en onmiddellijk ging de rots open.

“En nu naar binnen gaan”, riep de tovenaar.

Maar Batcha begon te trillen en kon zich uit angst nauwelijks bewegen. De tovenaar pakte zijn toverboek en begon er een spreuk uit voor te lezen. Plotseling beefde de aarde, en donderde het uit de lucht. Met een groot sissend geluid vloog een monsterdraak uit de grot. Het was de oude koningsslang die na zeven jaar als slang geleefd te hebben, nu was veranderd in een vliegende draak. Uit zijn enorme mond blies hij vuur en rook. Met zijn lange staart zwiepte hij naar links en rechts tussen de bomen en deze knapten en braken als takjes. De tovenaar, nog steeds een spreuk voorlezend uit zijn boek, gaf Batcha een teugel.

“Werp dit om zijn nek”, riep hij.

Batcha nam de teugel, maar was doodsbang om de teugel om de nek van de draak te gooien. De draak draaide zich om en dook onder het lijf van Batcha en voordat Batcha begreep wat er gebeurde, zat hij op de rug van de draak. En zo vlogen ze door de sterren van de hemel. De draak sloeg heen en weer in woede en Batcha klampte zich vast aan zijn rug, terwijl hem het angstzweet uitbrak. De draak leek Batcha te straffen om het verbreken van zijn drievoudige eed en ging hoger en hoger tot ze ver boven de bergen van de aarde waren die eruit zagen als kleine mierenhopen.

“Wat moet ik doen? Wat moet ik doen?”, snikte Batcha. “Als ik spring, verpletter ik op de aarde! Oh draak, heb medelijden met mij!”

Maar de draak bleef onverbiddelijk, met Batcha op zijn rug, de sterrenhemel door suizen tot hij een moment roerloos in de lucht bleef hangen, wat voor Batcha nog angstaanjagender was. Plotseling hoorde Batcha de stem van een veldleeuwerik die naar de hemel steeg.

“Lieve veldleeuwerik”, riep Batcha naar de vogel. “Help me, want ik zit in grote problemen. Vlieg naar de hemel en vertel God dat Batcha, de herder, in de lucht op de rug van een draak hangt. Zeg hem dat Batcha hem smeekt hem te bevrijden en ik zal altijd een goed mens en gehoorzaam zijn.”

De veldleeuwerik bracht de boodschap naar de hemel en God kreeg medelijden met de arme herder. Hij schreef wat, met gouden letters, op een berkenblad, stopte het in de snavel van de veldleeuwerik en zei tegen de vogel dat hij het berkenblad op de kop van de draak moest laten vallen. De veldleeuwerik keerde terug uit de hemel en liet het berkenblad vallen op het hoofd van de draak. De draak zonk onmiddellijk naar de aarde, zo snel dat Batcha flauwviel. Toen Batcha weer bijkwam, zat hij voor zijn eigen hut. Hij keek om zich heen. De klif van de draak was verdwenen. Alles was hetzelfde. Het was laat in de middag en de hond dreef de schapen naar huis. Er kwam een vrouw het bergpad op.

Batcha slaakte een diepe zucht. “Godzijdank ben ik terug”, zei hij tegen zichzelf. “Wat is het fijn om de hond te horen blaffen. En hier komt mijn vrouw. Misschien is ze nog steeds kwaad op me en zal ze me het liefst een klap geven. Maar zelfs als ze dat doet, wat ben ik blij haar te zien!”

image_pdfDownloadimage_printPrint