Wat de bloemen aan Martha vertelden

Martha was op bezoek bij haar oma, die op het platteland woonde. Achter de boerderij was een hele grote veranda en daarvoor een tuin waarin allerlei bloemen groeiden. Op een middag, toen iedereen een dutje deed, zat Martha op de veranda. Het was warm en een Bij zoemde rond de bloemen. Af en toe vloog hij rond Martha’s hoofd.

“Ik wilde dat ik iemand had om mee te spelen”, dacht Martha. “Iedereen slaapt en ik ben eenzaam.”

“De bloemen willen dat je in de tuin komt”, zoemde de Bij. Martha luisterde, want ze kon niet geloven dat de Bij echt tegen haar sprak, maar ze hoorde weer: “De bloemen willen dat je in de tuin komt.”

Martha liep het pad af naar de rozenstruik. “Ik zal eens kijken of die Bij de waarheid spreekt”, zei ze.

“Ik ben zo blij dat je gekomen bent”, zei een Roos, en terwijl Martha keek, leek het of ze bijna het gezicht van een klein meisje in de bloemblaadjes kon zien. “Ik wilde zo graag iemand om mee te praten”, zei de Roos.

“Ik ook”, zei een Lelie.

“Wij zijn allemaal blij je te zien”, zei een Tulp, “want wij hebben nooit iemand om mee te praten.”

“Ik heb nooit eerder geweten dat jullie konden praten”, zei Martha.

“Natuurlijk kunnen we dat”, zei de Roos, “maar we zijn het zat om elkaar verhalen te vertellen.”

“Oh! Kunnen jullie ook verhalen vertellen?”, vroeg Martha terwijl ze naast de bloemen op de grond ging zitten.

“Ja zeker”, zei de Roos. “Ik zal de mijne eerst vertellen.”

“Heb je ooit gehoord waarom de roos doornen heeft?”, vroeg ze.

Martha zei dat ze dat niet wist en de Roos zei: “Ik zal het je vertellen.”

“Voordat ik hier bloeide, leefde ik in een warm klimaat en hoewel je dat misschien niet zou denken, woonde ik ook in het land waar Jack Frost woont. Maar ik hou het meest van het land waar de nachtegaal leeft en mij vertelt over zijn liefde. Op een nacht toen hij zong en hij mij vertelde dat mijn geur de zoetste van de tuin was en dat mijn bloemblaadjes de zachtste wangen waren die er bestonden, stond er dichtbij een doornstruik die al vele malen had geprobeerd van mij te winnen. Hij begon op te scheppen hoe zoet zijn geur was en hoe sierlijk hij was.

“Kom maar zingen in mijn struik”, zei ze tegen de nachtegaal, “en laat me je tonen hoe sterk ik ben. Je zult veiliger zijn in mijn struik dan op de wuivende takken van de Roos.”

Maar de nachtegaal liet mij niet los en zei tegen de doornstruik dat hij veel te brutaal was en dat zijn scherpe punten veel te verraderlijk waren.”

“‘Je zult hiervoor boeten”, schreeuwde de doornstruik boos, “en je zult ontdekken dat jouw mooie roos net zo goed doornen heeft als ik.” Maar de nachtegaal zong alleen maar zachter en zachter voor me, en we vergaten, in ons geluk, de doornstruik.

“De wrede doornstruik vergaf het hem echter niet, en op een dag kronkelde ze zich rond mijn wortels en drukte ze zich in mijn tere stengels totdat ze een deel van mij was. Ik probeerde te schreeuwen, maar haar kracht was groter dan de mijne. Die nacht, toen de nachtegaal zijn liefdeslied kwam zingen, hief ze een van haar scherpe doornen op en doorboorde zijn poot.

“Zo nachtegaal, nu zie je dat jouw mooie Roos ook verborgen doornen heeft”, zei ze, “en dat ze niet meer en beter is dan ik.”

“‘Ik zou een arme minnaar zijn als ik niet bereid was te lijden voor degene van wie ik hou”, antwoordde de nachtegaal toen hij dichterbij kwam en zelfs in zijn pijn voor me zong.

“Ik zal altijd van je houden”, zei hij. “Ik weet dat jij niet verantwoordelijk bent voor de doornen die je draagt, en dat mijn liefde voor jou dit lot heeft gebracht. Ik zal je nooit verlaten.” En hij zong de hele nacht voor mij, en ’s morgens bloeide er een prachtige dieprode roos, precies op de plek waarop de bloedende poot van de nachtegaal had gerust, en de doornstruik was bozer dan ooit toen ze deze schoonheid zag.”

“Je zult nooit vrij zijn”, zei de doorn. “Elke roos zal een doorn dragen.”

“De nachtegaal zingt nog steeds voor mij en vertelt me altijd over zijn onsterfelijke liefde.”

“Dat is een heel mooi verhaal”, zei Martha toen de Roos klaar was, “en ik ben blij dat ik van die doorn weet, want ik heb me vaak afgevraagd waarom een bloem zo mooi als jij toch een scherpe punt heeft onder haar zachte bladeren.”

“Martha! Martha!”, riep iemand vanuit de deuropening en Martha sprong op.

“Kom morgen terug en luister dan naar mijn verhaal” zei de Lelie. “En naar mijn verhaal” zei de Tulp, “en het mijne,” riep de Narcis.

Martha beloofde dat ze dat zou doen en rende naar het huis. Zodra Martha de volgende dag alleen was, rende ze weer de tuin in, want ze was benieuwd naar de beloofde verhalen.

De Narcis sprak als eerste. “Mijn verhaal,” zei ze waardig, “zal historisch zijn. Ik ben een afstammeling van de grote Narcissus-familie, en de Narcis is zoals je weet, is een hele mooie bloem. Hij groeit in het wild in overvloed tussen steenachtige plaatsen langs de Middellandse Zee en oostwaarts richting China. Dit alles heb je misschien al eens gehoord, maar weet je waarom de Narcis zo graag bij het water groeit?”

Martha zei dat ze het niet wist.

“Dat zal ik je vertellen” antwoordde de Narcis. “Eeuwen en eeuwen geleden was de narcis de zoon van een riviergod. Hij was extreem ijdel over zijn buitengewone schoonheid, die hij voor het eerst in het water zag. Hij zocht alle poelen in het bos op en kon urenlang naar zijn spiegelbeeld kijken en uiteindelijk werd hij verliefd op zijn eigen afbeelding.”

“Narcis kon niet eten of slapen, zo gefascineerd raakte hij door zijn spiegelbeeld. Hij bracht zijn lippen dicht bij het water om de lippen te kussen die hij zag, en stak zijn armen erin om de vorm te omhelzen waar hij van hield.

“Waarom kun jij niet van me houden?”, zei hij tegen zijn spiegelbeeld. “De waternimfen hebben van me gehouden, en ik kan de liefde in je ogen zien”. Dat zag hij natuurlijk ook echt maar hij wist niet dat hij naar zijn eigen spiegelbeeld staarde.

Uiteindelijk kwijnde hij weg en stierf, en op de plaats van zijn lichaam werd een prachtige bloem gevonden, met zachte witte bloemblaadjes, knikkend naar de weerspiegeling in het water.”

“De gewone narcissen zijn mijn neven,’ legde de Gele Narcis uit, “zij stammen af van de mooie narcis.”

“Dat is een heel mooi verhaal”, zei Martha, “en het lot van de gele Narcis zou alle ijdele mensen een lesje moeten leren.”

Vervolgens sprak de Tulp.

‘Ik ben bang”, zei ze, “dat mijn verhaal niet erg interessant is, maar ik denk niet dat veel mensen weten dat ik lang geleden bloeide in Constantinopel. Dat is een stad met een prachtige heuvel en waar de moskeeën, de graven en de fonteinen een vreemd beeld vormen in het maanlicht. Daar dragen de dames gedrapeerde jurken en hun gezichten zijn helemaal gesluierd en laten alleen hun heldere ogen bloot.

“Daarna bloeide ik op in een land waar iedereen gelukkig leek, en dat is het land waar ik het meest van hou. De kinderen in dat land zien eruit als kleine opgezette poppetjes met dikke kleren aan en nauwsluitende mutsen rond hun mollige gezichtjes. Hun schoentjes kletteren over de stenen, als vele paarden in de verte. Daar was ik het meest geliefd en groeide ik op in overvloed en schoonheid rond de schilderachtige huizen van deze vreemd uitziende mensen.”

“Ah, arme ik, het is een heel eind hier vandaan”, zuchtte de Tulp, “en ik verlang er vaak naar om het geluid van de Zuiderzee te horen, zoals ik dat eens lang geleden gehoord heb.”

“Ach kijk, ze is gaan slapen”, zei Martha toen de tulp zich sloot en haar hoofd liet hangen, “en ik moet naar binnen. Grootmoeder is vast op zoek naar me.”

“Kom je nog een keer terug?”, vroegen de bloemen, “er zijn er nog veel meer bloemen die verhalen te vertellen hebben.”

“Ik zal ze graag horen”, zei Martha, “want ik had geen idee dat bloemen zulke interessante verhalen konden vertellen.”

image_pdfDownloadimage_printPrint