Prinses Miranda En Prins Hero

Ver weg, in de grote oceaan, lag ooit een groen eiland waar de mooiste prinses ter wereld woonde.  Haar naam was Miranda. Ze woonde daar al sinds haar geboorte en ze werd koningin van het eiland. Niemand wist wie haar ouders waren, of hoe ze daar gekomen was. Ze woonde er niet alleen, maar met twaalf mooie jongedames die samen met haar op het eiland waren opgegroeid. Zij waren haar hofdames.

Vreemdelingen die het eiland bezochten,  waren allemaal onder de indruk van de grote schoonheid van de prinses. Het zorgde ervoor dat er steeds meer mensen naar het eiland kwamen. Er werd een prachtige stad gebouwd en voor de koningin een prachtig paleis van wit marmer om in te wonen.

Er waren vele jonge prinsen die graag met de prinses zouden trouwen, maar de prinses wilde niet. Als iemand haar met geweld probeerde te dwingen zijn vrouw te worden, kon ze hem in ijs veranderen door alleen maar haar ogen op hem te richten.

Op een dag zag de slechte koning van het ondergrondse rijk, genaamd Kosciey, de prinses op een weelderige bank slapen. Ze droomde van een jonge ridder. Hij droeg een gouden helm en hij zat op een dapper paard. In zijn hand hield hij een onzichtbare strijdknots… en ze  hield meer van hem dan van het leven.

Kosciey keek haar aan. Hij was zeer verheugd over haar schoonheid. Hij sloeg drie keer op de aarde en stond op het groene eiland.

Prinses Miranda riep haar dappere leger bijeen om de slechte Kosciey te bevechten. Maar hij blies op hen met zijn giftige adem en liet ze allemaal in diepe slaap vallen. Hij wilde de prinses beet pakken, maar toen ze hem een minachtende blik toewierp, veranderde hij in ijs. De prinses vluchtte naar de hoofdstad.

Kosciey bleef niet lang ijs. Zodra de prinses weg was, bevrijdde hij zich van de kracht van haar blik en  volgde hij haar naar haar stad. Daar blies hij iedereen op het eiland in slaap, waaronder ook de trouwe hofdames van de prinses.

Prinses Miranda was de enige die hij niet kon verwonden. Maar omdat hij bang was voor haar blik, omsingelde hij het kasteel met een ijzeren muur. Hij liet het bewaken door een draak met twaalf koppen. Zo hoopte hij dat de prinses zich uit eigen beweging zou overgeven.

Dagen, weken, maanden gingen voorbij. Het koninkrijk veranderde in een woestijn. Al haar mensen sliepen. Ook haar trouwe soldaten lagen te slapen op de open velden. Wilde planten groeiden over hen heen.

De prinses was helemaal alleen. Zo nu en dan klopte Kosciey op de deur en vroeg hij haar om zich over te geven, met de belofte haar tot koningin van zijn Ondergrondse rijk te maken. Maar het had allemaal geen zin. De prinses zweeg en bedreigde hem alleen met haar blik. Hoe bedroefd ze ook was, ze kon de minnaar van wie ze gedroomd had niet vergeten. Ze zag hem precies zoals hij in haar droom was verschenen.

Ze keek dromerig naar de wolken en vroeg: “Oh wolk. Vertel mij, waar kan ik mijn geliefde vinden?”

En de wolk zei: “Ik heb geen idee. Vraag het de wind.”

En ze keek uit over de uitgestrekte vlakte en toen ze zag hoe de wind waaide, vroeg ze: “Oh, wind, waar kan ik mijn geliefde vinden? Denkt hij nu aan mij?”

“Vraag het de sterren,” zei de wind. “Zij weten meer dan ik.”

Dus riep ze naar de sterren: “Oh, sterren! Kijk mij eens een verdriet hebben. Heb medelijden met mij. Waar is mijn geliefde? Denkt hij nu aan mij?”

“Wij weten het niet, vraag het de maan,” zeiden de sterren.

Dus zei ze tegen de maan: “Oh maan, terwijl je waakt over dit land waar iedereen slaapt, kijk dan eens naar beneden en heb medelijden met mij. Waar is mijn geliefde? Denkt hij nu aan mij?”

“Ik weet niets over je geliefde, prinses,” antwoordde de maan; “maar daar komt de zon, die zal het je zeker kunnen vertellen.”

En de zon kwam op in de dageraad, en op het middaguur stond ze net boven de toren van de prinses, en ze zei: “Oh zon, heb medelijden met mij. Waar is mijn geliefde? Denkt hij nu aan mij?”

Prinses Miranda,” zei de zon “droog je tranen. Je geliefde haast zich naar je toe. Hij heeft een betoverende ring gevonden. Als hij deze om zijn vinger doet, zal zijn leger zich uitbreiden met duizenden soldaten. Ze zullen je willen bevrijden van Kosciey. Maar hij weet niet dat Kosciey niet kan worden gedood door een sterveling. Ik zal hem een veiligere manier leren. Er is goede hoop dat hij in staat zal zijn om u van Kosciey te verlossen en uw land te redden. Ik zal me nu haasten naar uw prins.”

De zon stond boven een uitgestrekt land, achter hoge bergen, waar Prins Hero met een gouden helm, zijn leger aan het opstellen was en zich voorbereidde om op te trekken tegen Kosciey. Hij had de prinses drie keer in een droom gezien en veel over haar gehoord.

“Stuur je leger weg”, zei de zon. “Geen leger kan Kosciey overwinnen, geen kogel kan hem bereiken. Je kunt prinses Miranda alleen bevrijden door hem te doden. Hoe je dat moet doen, zul je leren van de oude vrouw Jandza. Je dappere paard zal je naar haar toe dragen. Ga naar het oosten. Je zult bij een groene weide komen waar drie eikenbomen staan. Daartussen zul je verborgen in de grond een ijzeren deur vinden met een koperen hangslot. Achter deze deur vind je een strijdknots die uit zichzelf kan strijden en zich daarbij ook onzichtbaar maken. Ga nu maar snel!”

Prins Hero deed zijn betoverde ring af en gooide hem in zee. Daarmee verdween het grote leger in de mist zonder een spoor achter te laten. Hij vertrok op zijn paard naar het oosten. Na drie dagen kwam hij bij de groene weide, waar hij de drie eiken vond en de ijzeren deur. Hij klom via een smalle, kromme trap naar beneden. Daar vond hij een andere ijzeren deur. Het was afgesloten door een zwaar ijzeren hangslot. Hierachter hoorde hij een paard hinniken, zo hard dat de deur op de grond viel. Op hetzelfde moment vlogen elf andere deuren open en er kwam een geweldig mooi en krachtig paard naar buiten, dat daar eeuwenlang door een tovenaar was opgesloten.

De prins floot naar het paard. Het paard trok aan zijn sluitingen en brak twaalf kettingen waarmee hij was geboeid. Hij had ogen als sterren, vlammende neusgaten en manen als een donderwolk.

“Prins Hero!” zei het paard, “ik heb lang gewacht op zo’n ruiter als jij. Ik ben bereid je voor altijd te dienen. Ga op mijn rug zitten en neem de strijdknots in je hand, die je aan het zadel ziet hangen. Je hoeft niet te vechten, want het zal toeslaan waar je het ook beveelt en een heel leger verslaan. Ik weet overal de weg. Vertel me waar je heen wilt, en je zult er zo zijn.”

De prins vertelde hem alles en nam de strijdknots in zijn hand en sprong op zijn rug.

Het paard steigerde, en ze vlogen over bergen en bossen, hoger dan de wolken, over grote rivieren en diepe zeeën. Voor zonsondergang had prins Hero het oerbos bereikt waarin de oude vrouw Jandza leefde.

Hij was verbaasd over de grootte en ouderdom van de machtige eiken, pijnbomen en dennen.  Er heerste absolute stilte: geen blad of grassprietje bewoog. De prins stopte voor een huisje en ging naar binnen. Het was het huisje van de oude vrouw Jandza. Ze gaf de prins eten en drinken en ze maakte een zacht bed voor hem klaar om op uit te rusten na zijn reis, en liet hem de nacht achter.

De volgende morgen vertelde hij haar alles en waarvoor hij gekomen was.

“Je hebt een heldhaftige taak op je genomen, prins. Ik zal je vertellen hoe je Kosciey moet doden. Op het eiland van het Eeuwige Leven, staat een oude eik. Onder de eik vind je een ijzeren koffer. In  deze koffer zit een haas. Onder de haas zit een grijze eend. Deze eend draagt ​​een ei in zich. In dit ei zit het leven van Kosciey. Als je het ei breekt, zal hij onmiddellijk sterven. Ik wens je veel geluk prins. Je paard zal je de weg wijzen.”

De prins verliet daarna op zijn paard het huis van de oude vrouw. Het paard wist de weg. Om het eiland te bereiken moesten ze over de oceaan. Op het strand lag een vissersnet en daarin zat een grote vis gevangen.

De vis vroeg prins Hero hem uit het net te halen en terug in zee te gooien. Dat deed de prins dan ook. In de verte zag hij het eiland van het Eeuwige Leven. Het paard bracht hem ernaartoe. Daar liet de prins het paard grazen in de weide en iep naar een hoge heuvel, waar de oude eik groeide. Hij trok de boom uit de grond, en daar, waar de boom honderden jaren stevig had gestaan, was een diep gat. In het gat stond een ijzeren koffer. De prins raapte het op en brak het slot met een steen open. Terwijl hij het deksel opende en de haas aan zijn oren optilde, ging de eend die onder de haas had gezeten ervandoor en vloog regelrecht naar zee.  De prins wist de eend neer te schieten, maar toen de kogel de eend raakte, viel het ei recht van haar af en zonk naar de bodem van de zee.

De prins slaakte een kreet van wanhoop, maar net op dat moment kwam de grote vis aanzwemmen en dook naar de diepten van de zee en kwam teruggezwommen naar de kust met het ei in zijn kaken. Hij gaf het de prins. Deze klom weer op zijn paard en ze vertrokken direct naar het eiland van prinses Miranda. Daar zagen ze een grote ijzeren muur die zich rondom haar witmarmeren paleis uitstrekte.

Er was maar één ingang door deze ijzeren muur naar het paleis, en daarvoor lag de monsterlijke draak met de twaalf koppen, waarvan er zes afwisselend de wacht hielden.  Als de ene helft sliep, bleven de andere zes wakker. Als iemand de poort naderde, kon hij niet ontsnappen aan de afschuwelijke kaken.

De prins stond op de heuvel voor die poort en beval zijn zelfbestrijdende strijdknots zijn ingang naar het paleis vrij te maken.

De onzichtbare, zelfbestrijdende strijdknots viel op de draak en begon met zo’n kracht op al zijn hoofden te donderen… en het lukte de knots om de draak uit te schakelen om de weg voor de prins en zijn paard vrij te maken.

Via een wenteltrap klom de prins omhoog naar de toren, waar prinses Miranda hem toesprak: “Welkom, prins Hero! Ik heb gezien hoe je de draak hebt verslaan. Maar wees voorzichtig, want mijn vijand, Kosciey is in dit paleis. Hij is zeer machtig en bezit veel kracht door zijn tovenarij. Als hij je doodt, zal ik niet langer kunnen leven!

De prins zei: “Maak je geen zorgen om mij. Ik heb het leven van Kosciey in dit ei.” Toen beval hij de onzichtbare strijdknots Kosciey aan te vallen.

De strijdknots bewoog zich snel, beukte tegen de ijzeren deuren en stortte zich op Kosciey die geen idee had wat hem overkwam. Als de aanvaller een gewone sterveling was geweest, zou het in één keer met hem afgelopen zijn. Maar nu wist hij niet waar de slagen vandaan kwamen. Hij sprong als een wilde in het rond. Toen zag hij door het raam prins Hero staan.  

“Is dit alles wat je kunt?” riep hij uit en sprong de binnenplaats op om recht op hem af te stormen. Maar de prins hield het ei in één hand en kneep er zo hard in dat de schaal barstte… en Kosciey viel dood op de grond.

En met de dood van de tovenaar werden al zijn betoveringen ineens ongedaan gemaakt. Alle mensen op het eiland die sliepen, werden wakker. De soldaten ontwaakten uit hun slaap en begonnen op hun trommels te slaan.

In het paleis heerste grote vreugde, want prinses Miranda kwam naar de prins toe en bedankte hem hartelijk. Ze gingen samen naar de troonzaal, gevolgd door haar twaalf hofdames met twaalf jonge officieren van het leger aan hun zijde.

En toen kwam er een priester door de open deur binnen en trouwde de prins en de prinses. Tegelijkertijd werden ook de hofdames met hun geliefde officieren getrouwd. Na de bruiloft was er een groot feest met veel dans en muziek. Iedereen was blij en gelukkig.

image_pdfDownloadimage_printPrint