Prins Winter

Prins Winter zat bovenop een berg in de verte te kijken. Hij was een oude man met wit haar en een baard. Hij zag er sterk en wild uit met koude, strenge ogen. Hij was altijd een beetje boos als de lente hem uit het dal verdreef en de herfst niet snel genoeg vertrok. Maar nu keek hij rustig uit over het koninkrijk omdat hij wist dat het van hem was, hij had de macht. En als hij iets vond wat koud, leeg of verlaten was, plukte hij aan zijn grote witte baard en lachte hij hard en tevreden.

Iedereen in het land werd bang als ze in zijn koude ogen keken. De bomen trilden in hun dikke schors. De muis werd sneeuwblind toen ze buiten de deur gluurde het hert keek treurig uit over de witte weide. “Mijn kop kan nog steeds een gat in het ijs maken”, zei hij. “Ik kan de sneeuw nog opzij schrapen met mijn poot en een plukje gras vinden. Maar als het nog een week zo doorgaat, dan is het afgelopen met mij.”

De kraai en de mus konden niet meer kwetteren. Ze dachten aan de andere vogels, die op tijd waren vertrokken maar warmere oorden en degenen die achterbleven wisten niet waar ze heen moesten in hun nood. Toen gingen ze uiteindelijk maar in een rij staan om hun nederige groet aan de nieuwe machthebber van het land te brengen.

“Hier zijn wij, uw vogels, o machtigste van alle prinsen”, zei de kraai en hij ging in de witte sneeuw staan. “De meeste andere vogels hebben het land verlaten zodra u uw komst aangekondigd werd, maar wij zijn gebleven om ons aan uw heerschappij te onderwerpen. Wees nu een genadige heer voor ons en schenk ons voedsel, alstublieft.”

En de mus zei hetzelfde als de kraai, met een toon van diep respect. Maar Prins Winter lachte hen minachtend uit.

“Ha, jullie vogels! In de zomer amuseerden jullie je vrolijk, in de herfst at je jezelf dik en rond en zodra de lente toeslaat, dans je net als de anderen met veel gefluit. Ik heb een hekel aan jullie geschreeuw en gekrijs en jullie gefladder tussen de bomen. Jullie zijn hier allemaal om me uit te dagen.” Toen stond hij op in zijn volle kracht en lengte. “Ik heb mijn eigen vogels, jullie zullen dat eens zien.”

Hij klapte in zijn handen en riep: “Kleine sneeuwvogels, witte sneeuwvogels, Vlieg door de velden! Als de juichende lente komt, wil ik geen vogelmuziek horen, In de zomer, geen enkel lied, Kom maar, boodschappers van de Winter, Snelle vogels en langzame vogels, Witte sneeuwvogels, kleine sneeuwvogels, Tot de vallei zo zacht en wit is als dons voor jullie nesten, Maar vol met talloze ijseieren, Haast je nu, Witte sneeuwvogels, kleine sneeuwvogels, Vlieg nu door het land!”

En de vogels van de winter kwamen. Plotseling werd het donker en de lucht werd gevuld met kleine zwarte stippen, die neerdaalden en veranderden in grote witte sneeuwvlokken. Ze vielen op de grond, het waren er honderden en honderden. Nu was er geen gras of steen meer te zien, alles was zacht en wit. Alleen de boomtoppen staken er nog boven uit en de rivier stroomde als een zwart lint door het weiland.

“Ik weet hoe ik jullie moet vermorzelen”, zei Prins Winter.

En toen de avond viel, zei hij tegen de wind dat hij moest gaan liggen. Toen werden de golven klein en stil, prins Winter staarde ernaar met zijn koude ogen, en met zijn ijs bouwde hij een brug van oever tot oever. Tevergeefs probeerden de golven het lied van de lente te neuriën maar er zat geen kracht in hun stemmen.

De volgende ochtend was er van de rivier niets anders over dan een smalle stroom en toen er weer een nacht voorbij was gegaan, was de brug klaar. Opnieuw riep Prins Winter zijn witte vogels en spoedig werd er een wit tapijt over de rivier getrokken tot het niet meer mogelijk was om te zien waar land begon of water eindigde. Maar de bomen staken nog steeds brutaal boven de diepe sneeuw uit. De sparren hadden al hun naalden behouden en waren nog helemaal groen. Waar ze ook stonden, ze boden bescherming tegen de vorst en beschutting tegen de sneeuw en waren een toevluchtsoord voor kleine vogels.

Prins Winter keek de bomen boos aan. “Als ik jullie maar kon breken”, zei hij. “Jullie staan midden in mijn koninkrijk en houden de wacht voor de zomer en jullie geven onderdak aan de vogels die de rust van mijn land verstoren. Had ik maar genoeg sneeuw om jullie eronder te begraven!

Maar de bomen hielden stand onder de boosheid van Prins Winter en zwaaiden met hun lange takken. “Je hebt van ons afgenomen wat je kon nemen”, zeiden ze. “Verder dan dat kun je niet gaan. Wij wachten rustig op betere tijden.”

Toen ze dit tegen Prins Winter hadden gezegd, zag hij plotseling kleine knopjes aan de twijgen. Hij zag kleine bruine muisjes naar buiten komen om in de sneeuw te rennen en hij zag ze voor zijn ogen weer verdwijnen in hun knusse holletjes. Hij hoorde de egel snurken in de heg en de kraaien bleven in zijn oren schreeuwen. Door zijn eigen ijs heen zag hij de neuzen van de kikkers uit de bodem van de vijver steken.

“Ben ik de baas van de winter of niet?”, schreeuwde hij boos. Met beide handen rukte hij aan zijn baard. Hij hoorde de anemonen rustig en licht ademen, hij hoorde duizenden larven zich diep in de bomen van het bos boren, alles klonk vrolijk alsof de zomer in het land was. Hij zag de bijen rondkruipen in hun drukke bijenkorf en de honing delen die ze in de zomer hadden verzameld. Hij zag de vleermuis in de holle boom, de worm diep in de grond en overal waar hij keek zag hij bedrijvigheid en nieuw leven.

Hij stampte op de grond en riep met zijn luide, schorre stem: “Laat mijn winterwoede brullen, ga voort, Alles wat ademt moet verdwijnen, schiet op”

Hij schreeuwde het over het land. Het ijs brak en spleet in lange scheuren. Het klonk als een donderslag uit de bodem van de rivier. Toen barstte de storm los. De storm brulde zo hard dat je de bomen in het bos kon horen vallen. De sneeuw viel en bedekte weiland en heuvel. Hemel en aarde werden tot één versmolten. Het was ijzig koud en waar de sneeuw was weggewaaid, was de grond hard als steen.

Prins Winter stond in de vallei en bekeek dit alles met grote tevredenheid. Hij ging het bos in, waar de sneeuw tot aan de toppen van de gladde beukenstammen bevroren was en zo dik op de takken van de dennen lag dat ze tot op de grond hingen.

“Jullie mogen dan wel de dienaren van de zomer zijn”, zei hij, “maar jullie staan nu onder mijn bevel. En nu zal de zon op jullie schijnen en ik zal een glorieuze dag hebben.”

Hij beval de zon te schijnen en de zon kwam. Ze scheen in de helderblauwe lucht, en alles wat nog leefde in de vallei verhief zich naar haar toe voor warmte.

“Zon, roep de lente terug naar de valleien! Geef ons weer de zomer!”, riep iedereen.

De zon keek naar al het ijs en de rijp, maar kon het niet laten smelten. Ze staarde naar de sneeuw, maar ze kon het niet ontdooien. De vallei bleef stil en wit.

“Zo zie ik het land het liefst”, zei Prins Winter. Hij zat weer op zijn bergtroon en overzag zijn koninkrijk en was blij. Zijn grote koude ogen staarden in de verte, terwijl hij mompelde in zijn baard. De dagen gingen voorbij en de winter regeerde weer over het land.

De kleine bruine muisjes hadden hun laatste nootje opgegeten, de egel had honger en de kraaien konden bijna niet meer leven. Toen klonk er plotseling gezang! Prins Winter sprong op en staarde met zijn handen boven zijn ogen in de verte.

Beneden in de vallei stond nu toch echt prins Lente! De jonge frisse prins stond rechtop en droeg een groene mantel en had een fluit over zijn schouder hangen. Zijn lange haar wapperde in de wind en zijn gezicht was zacht en vriendelijk. Om zijn lippen lag een grote glimlach en zijn ogen keken dromerig in de verte.

De natuur was weer blij en verheugde zich op wat komen ging!

image_pdfDownloadimage_printPrint