Meneer Kraai vertelt het door

Meneer Wasbeer en meneer Buidelrat woonden dichtbij elkaar in het bos, en op een dag besloten ze om de eerste heldere maanlicht-nacht een feestmaal te geven.

“Het zal voor ons veel gemakkelijker zijn om samen voor het feestmaal te zorgen”, zei meneer Wasbeer, “omdat we allebei vrijgezel zijn en we elkaar kunnen helpen.”

Maar de echte reden was dat meneer Wasbeer wist dat meneer Buidelrat nieuwe tinnen lepels had en dat de hele familie Wasbeer dol was op glimmende dingen. Hij dacht dat hij misschien een paar tinnen lepels in zijn zak zou kunnen stoppen en dat het nooit ontdekt zou worden, omdat er zoveel gasten zouden zijn dat meneer Buidelrat niet kon vermoeden wie het had gedaan, als hij er al achter kwam.

Meneer Buidelrat vond het een goed idee van meneer Wasbeer en ze begonnen een lijst op te stellen van gasten die uitgenodigd zouden worden. Natuurlijk waren er meneer Vos en meneer Eekhoorn en Jack Konijn en meneer Uil, die net als zij allemaal vrijgezel waren. Dus besloten ze dat ze geen van de getrouwde mannen zouden vragen, maar dat het een echt vrijgezellenfeest zou worden.

“De oude Meneer Kraai, die in de boom bij mij in de buurt woont, zal vinden dat hij ook uitgenodigd moet worden”, zei meneer Buidelrat, “maar hij is zo’n oude ruziemaker dat ik het hem eigenlijk niet graag vraag.”

“Nee, vraag hem maar niet”, zei meneer Wasbeer, denkend aan de nieuwe tinnen lepels van meneer Buidelrat en zich herinnerend dat de familie Kraai erg op de zijne leek, wat betreft hun voorliefde voor glinsterende voorwerpen. “Hij zal nooit weten dat we een feestmaal hebben. Hij gaat toch bij zonsondergang naar bed.”

Dus werd besloten dat de oude Meneer Kraai niet zou worden uitgenodigd en dat alleen de vrijgezellen van het bos zouden worden gevraagd.

Een paar nachten later scheen de maan helder en gingen ze allemaal naar het huis van meneer Buidelrat.

Nu gebeurde het dat ze begonnen te zingen, toen ze allemaal aan tafel zaten. Ze zongen over dat ze allemaal goede mannen waren en dat vrijgezel zijn een heerlijk leven was. Ze zongen ook over een arme, zielige getrouwde man en ze maakten zoveel lawaai dat ze de oude meneer Kraai wakker maakten.

“Wat is dat voor herrie”, zei hij, opspringend en luisterend. Toen hij het weer hoorde, kwam de oude meneer Kraai uit bed en stak zijn kop uit het raam.

“Oh, wat zijn wij vrolijke vrijgezellenjongens”, klonk het uit het huis van meneer Buidelrat en het geluid zweefde regelrecht naar het raam van meneer Kraai.

“Er is iets aan de hand waar ik niets van af weet”, zei de oude meneer Kraai, zijn kop intrekkend en zijn slaapmuts afnemend. “Ik moet uitzoeken wat het is. Ik zou zeggen dat het geluid uit het huis van meneer Buidelrat kwam. Ik ga erheen om te kijken.”

En dat deed hij, hij arriveerde net toen het eten op tafel werd gezet. En hoewel meneer Kraai niet naar de deur ging, had hij er geen enkele moeite mee om door de luiken naar binnen te kijken, want hij was erg handig in de kunst van het spioneren.

Er lag een dikke kalkoen op tafel, maar daar had meneer Kraai geen belangstelling voor, hij was niet dol op kalkoen. Hij zou het eten als er niets beters was, maar toen de grote schaal met groene maïs werd binnengebracht, begon meneer Kraai toch wel te denken dat hij buitengesloten werd en dat hij ook voor het feestmaal uitgenodigd had moeten worden.

Jack Konijn stond rechtop in zijn stoel zodat iedereen hem goed kon zien en hij hield een knapperige radijs omhoog. “Proost, op onze gastheren, meneer Wasbeer en meneer Buidelrat”, zei hij terwijl hij een hap van de radijs nam.

“Aha”, dacht de oude meneer Kraai, “meneer Buidelrat geeft dit feestmaal en hij is zeker een buurman.”

Toen begon iemand te zingen: “Wij zijn de vrijgezellen van het bos en wij zouden niet getrouwd willen zijn ook al had dat gekund.”

En toen werd meneer Kraai echt boos. “Ze geven een vrijgezellenfeestje”, dacht hij, “en ze hebben mij buitengesloten. Ik ben net zo goed vrijgezel als al die andere mannen.”

Op dat moment werd het ijs binnengebracht en meneer Kraai zag de nieuwe tinnen lepels en zijn ogen glinsterden van verlangen om er een paar te pakken. Maar hoe kon hij ze krijgen? Als hij ze maar bang kon maken en ze allemaal kon laten wegrennen, dan zou hij de lepels gemakkelijk kunnen pakken.

Toen kreeg meneer Kraai een idee en hij vloog weg. “Ik zal die lepels hebben voordat ik vannacht weer ga slapen, en ik zal ook wraak nemen, of ik heet geen James Kraai”, zei hij, en hij ging het bos uit.

Meneer Kraai vloog recht op de boerderij van meneer Man af, en je weet misschien wel dat kraaien heel goed in een rechte lijn kunnen vliegen.

Toen hij aankwam was het stil, hij hoorde niets behalve het gehijg van meneer Hond. Maar hij was precies degene die meneer Kraai zocht.

Meneer Kraai klopte op de zijkant van het hok van meneer Hond, want zijn deur stond open en meneer Hond sprong gelijk, met een grom, naar buiten.

“Stil! Maak geen geluid”, zei meneer Kraai. “Ben je vrij om naar het bos te rennen? Ja, ik zie het”, zei hij terwijl hij naar de halsband van meneer Hond keek en zag dat er geen ketting aan vastzat.

“Wil je wat plezier beleven?”, vroeg hij aan meneer Hond.

Meneer Hond begon meteen rond te springen en met zijn staart te kwispelen. Hij was altijd klaar voor wat plezier, zei hij tegen meneer Kraai. “Maar waar is op dit uur van de nacht plezier te beleven?”, vroeg hij.

“Ga maar met me mee”, zei meneer Kraai, “en als ik jou in een minuut niet meer kan laten rennen dan je ooit hebt gedaan in een uur jagen met meneer Man, eet ik alle lepels op.”

“Lepels, welke lepels?”, vroeg meneer Hond terwijl hij stilstond en zijn staart liet zakken. “Ik wil niet achter lepels aanrennen.”

“Oh, ik bedoelde helemaal geen lepels”, zei meneer Kraai. “Ik had moeten zeggen dat ik mijn hoed zou opeten, maar ik beloof je dat je veel plezier zult hebben. Meneer Wasbeer en meneer Buidelrat geven een feestmaal in het bos, en hun gasten zijn meneer Eekhoorn en….”

“Vertel me verder niets meer, ik geef niets om de gasten. Schiet op! Schiet op! Waar zijn ze?”, zei meneer Hond, die zo snel ronddanste dat meneer Kraai niet snel genoeg kon draaien om hem bij te houden.

“Kom mee, dan zal ik het je laten zien”, zei hij en hij vloog weg, dichtbij de grond vliegend zodat meneer Hond hem kon volgen.

Het feestmaal was nog aan de gang toen ze aankwamen. Meneer Kraai vloog naar een boom vlakbij, want hij wist dat meneer Hond het verder alleen kon, nu hij hem de plek had laten zien. Meneer Hond stopte niet om aan te kloppen, hij stormde door het raam naar binnen en gooide daarbij een luik open. Door de achterdeur, door de voordeur en door de ramen gingen de gasten en hun gastheren, zo snel als ze konden, naar buiten, en achter hen aan rende meneer Hond, luid blaffend.

“Het zijn vrolijke mannen, dat wel”, kraste meneer Kraai terwijl hij ze, vanaf zijn tak en zelf uit het zicht, bekeek, “maar nu begint mijn feest.”

Meneer Kraai vloog snel naar binnen en nam alle lepels van de verlaten eettafel en bracht ze naar zijn huis. Hij verborg ze onder het bed, stapte in het bed en ging slapen. Hij nam niet eens de moeite om de volgende dag nog naar meneer Hond te gaan, zo weinig kon het hem schelen hoe de achtervolging verder was verlopen. Hij wist dat meneer Hond meneer Wasbeer of meneer Buidelrat niet te pakken had genomen, want hij zag ze allebei de volgende dag. Maar dat was alles wat hij wist en het enige waar hij om gaf, want dat waren de twee op wie hij wraak had willen nemen.

De volgende dag, toen meneer Wasbeer weg was – en meneer Kraai zag dat hij ook uit het bos weg was – pakte meneer Kraai alle lepels, op één na, en ging naar het huis van meneer Wasbeer en stapte door het kelderraam naar binnen.

Hij ging naar boven en legde de lepels tussen de veren bedden van meneer Wasbeer. Toen ging meneer Kraai naar het huis van meneer Buidelrat en trof hem in de deuropening aan, heel verdrietig kijkend.

“Wat is er met jou aan de hand, mijn beste meneer Buidelrat?”, vroeg meneer Kraai op de meest vriendelijke toon die hij kon bedenken. “Voel je je misschien niet lekker?”

“Ik ben al mijn nieuwe tinnen lepels kwijt”, zei meneer Buidelrat. “Iemand heeft ze gestolen, vrees ik.” Hij wilde niet dat meneer Kraai verder iets zou horen over het feestmaal, dus vertelde hij hem niets meer.

“Dat is jammer zeg”, zei meneer Kraai. “Waren het dezelfde soort lepels als die van meneer Wasbeer? Ik zag hem vanmorgen een paar hele mooie lepels schoonmaken toen ik langs zijn raam liep.”

“Ik wist niet dat hij lepels had”, zei meneer Buidelrat. “Hij heeft me nooit verteld dat hij tinnen lepels had. Weet je zeker dat je ze hebt gezien?”

“Zo zeker als ik ben dat ik jou nu zie, meneer Buidelrat”, zei meneer Kraai. “Maar ze zullen natuurlijk niets met jouw lepels te maken hebben. Ik vroeg me alleen af of die van jou waren. Als ik wist dat ze van jou waren en dan zou ik ze meteen naar je terugbrengen. Ik ben heel goed in het vinden van verloren dingen.”

Meneer Wasbeer leek niet geneigd iets te zeggen, en meneer Kraai vervolgde: “Waarom gaat je niet met mij mee naar het huis van meneer Wasbeer en vraagt je hem ons zijn lepels te laten zien. Ik wil graag helpen als ik kan. Ik kan me heel goed voorstellen hoe naar ik me zou voelen als ik een paar mooie tinnen lepels zou verliezen.”

Dit wekte de interesse van meneer Buidelrat, dus liep hij mee met meneer Kraai, die er zo naar verlangde om bij meneer Wasbeer te komen dat hij nauwelijks kon rustig kon blijven en laag kon blijven vliegen. Meneer Wasbeer was net terug toen ze aankwamen en was bezig zijn deur te openen.

“Ik ben gisteravond al mijn nieuwe tinnen lepels kwijtgeraakt”, zei meneer Buidelrat. “Meneer Kraai zei dat hij u wat zag schoonmaken, en dat ze net als de mijne waren. Als hij ze mag zien, kan hij misschien mijn lepels voor mij vinden. Maar ik wist niet eens dat u lepels had.”

Meneer Kraai hield zijn kop heel hoog en keek opzij terwijl meneer Buidelrat aan het praten was, maar vanuit een ooghoek kon hij meneer Wasbeer ook zien, en hij zag hem zich omdraaien en heel boos aankijken.

“Zegt meneer Kraai dat ik tinnen lepels heb?”, zei hij. “Hij heeft scherpere ogen dan ik dacht en ik heb altijd geweten dat hij scherpe ogen had, vooral voor glinsterende dingen, maar hoe hij lepels in mijn huis kon zien, kan ik niet echt niet begrijpen, want ik heb geen lepels.”

“Nou, ik wil geen problemen veroorzaken”, zei meneer Kraai, “maar ik heb je zeker tinnen lepels zien schoonmaken. Hoe dan ook, het zal gemakkelijk zijn om te bewijzen dat je geen lepels in huis hebt door ons te laten zoeken. En natuurlijk doet je dat graag meneer Wasbeer, want dat zal je vrijwaren van de verdenking, dat wil zeggen, als we ze niet vinden.”

“Ga je gang maar en kijk”, zei meneer Wasbeer, terwijl hij de deur opendeed en aan de kant ging om hen binnen te laten. “Ik ben blij dat ik geen lepel heb gepakt”, dacht hij bij zichzelf, want hij herinnerde zich dat hij dat wel van plan was geweest als meneer Hond niet zo onverwacht was binnengekomen.

Natuurlijk hield meneer Kraai zich in en liet meneer Buidelrat al het zoekwerk doen tot ze bij de slaapkamer van meneer Wasbeer kwamen, en toen zei hij: “Ik heb altijd gehoord dat gestolen goederen vaak tussen bedden verstopt liggen. Misschien moeten we daar eerst even kijken.”

Natuurlijk vonden ze de lepels, en toen meneer Wasbeer ze zag viel hij bijna om van verbazing. “Wie heeft ze daar neergelegd? Wie? Ik in elk geval niet”, zei hij.

“Nee jij natuurlijk niet”, zei meneer Kraai met een glimlach die duidelijk zei: “Jij bent een mooie praatjesmaker.”

“Er ontbreekt een lepel”, zei meneer Buidelrat, die de lepels had geteld. “Ik had er twaalf en er zijn er hier nog maar elf.”

“Daar heeft hij waarschijnlijk zijn ontbijt mee gegeten”, zei meneer Kraai. “Geef het maar op, meneer Wasbeer we hebben u betrapt en het heeft geen zin om het nu te ontkennen.”

“Ga je gang en vind die ene lepel als je kunt”, zei meneer Wasbeer. “Ik heb die lepels niet gepakt en ik weet niet waar de andere lepel is, ook al weet u dat waarschijnlijk wel, meneer Kraai….

“Wat bedoel je daarmee?”, vroeg meneer Kraai terwijl hij onrustig heen en weer begon te huppelen.

“Wat ik bedoel is dat u er vrij zeker van leek te zijn waar die lepels waren”, zei meneer Wasbeer, “en als ik me niet vergis in de geschiedenis van uw familie, staan zij bekend om hun voorliefde voor glinsterende dingen, net zoals onze familie.”

“Kom mee”, zei meneer Kraai tegen meneer Buidelrat, “we hebben je lepels gevonden, en dat is alles wat ik wilde. Ik kan me niet druk maken om deze slechte man die nu wil doen alsof ik de lepels heb gepakt. Dat is altijd het geval met dieven, ze geven altijd iemand anders de schuld.”

Hoe meer meneer Wasbeer er over nadacht, hoe zekerder hij werd dat meneer Kraai er iets mee te maken had dat de lepels in zijn huis waren gevonden. Dus op een avond, ongeveer een week later, ging hij naar het huis van meneer Kraai om daar te kijken. Hij zag hij het licht uitgaan, en hij dacht dat hij meneer Kraai die nacht niet te pakken meer kon nemen. Maar net toen hij wegging, zag hij een kleine schittering bij een ander raam. Meneer Wasbeer klom naar boven en gluurde naar binnen. En wat denk je dat hij zag? Meneer Kraai zat aan een tafel brood en melk te eten met de vermiste tinnen lepel van meneer Buidelrat!

Het duurde niet lang of meneer Wasbeer rende naar het huis van meneer Buidelrat om hem mee terug te nemen en hem zijn lepel te laten zien. Toen ze er waren, sprongen ze dwars door het raam en grepen meneer Kraai bij zijn nek. En wat hebben ze die oude kraaiendief hard door elkaar geschud! Ze wisten van geen ophouden en de oude kraai kon geen woord meer zeggen.

“Hij is de moeite die we verspillen eigenlijk niet waard”, zei meneer Wasbeer, “en ik ben er zeker van dat deze plek niet goed is voor de gezondheid van meneer Kraai. Hij moet nu meteen verhuizen naar een beter klimaat.”

De volgende dag hing er een bord “te huur”, op het huis waar meneer Kraai had gewoond, en de vrijgezellen kwamen die avond allemaal bij elkaar om te bespreken wat er was gebeurd tijdens het feestmaal en te horen over de tinnen lepels en hoe ze waren gevonden.

“En ik ben van mening”, zei meneer Wasbeer, “dat als iemand het aan meneer Hond zou vragen, hij ons zou vertellen dat meneer Kraai hem over ons feestje is gaan vertellen.”

“Maar wie zou het meneer Hond nou willen vragen?”, vroeg Jack Konijn.

Niemand leek geïnteresseerd genoeg om het aan meneer Hond te vragen, en dus wisten ze het nooit zeker of meneer Kraai het had verteld of niet maar meneer Wasbeer zei altijd van wel.

In ieder geval waren de bosbewoners nu verlost van de oude meneer Kraai, en daar waren ze allemaal heel blij om!

image_pdfDownloadimage_printPrint