Kleine Bo-Piep

“Kleine Bo-Peep verloor haar schapen, Ze kon ze echt nergens meer vinden. Maar laat ze maar hun gangetje gaan, Dan komen ze vanzelf naar huis. Ze brengen hun staarten mee, achter zich aan”

Zo luidt het kinderrijmpje van Bo-Peep.

Kleine Bo-Peep was een heel aardig klein meisje. Haar wangen blonken als mooie perzikken en haar stem klonk zo zoet als een zilveren bel. Maar hoewel Kleine Bo-Beep een goed en mooi meisje was, kreeg ze soms tegenslagen te verduren die haar erg verdrietig maakten. Op een keer, toen ze haar schapen verloor, was ze inderdaad heel treurig.

Dit is hoe het gebeurde:

Op een zomeravond, toen de zon onderging, voelde Kleine Bo-Peep, die ’s ochtends altijd heel vroeg moest opstaan, zich moe en ging op een, met madeliefjes begroeide, bank zitten. Omdat ze erg vermoeid was, viel ze al snel in slaap.

Nu was de “Belhamel”, de leider van Bo-Peep’s schaapskudde, een dom en koppig schaap. Ik ga er maar van uit dat je weet dat alle schapen altijd de “Belhamel” zullen volgen, hij is de leider van de kudde en hij draagt altijd een bel om zijn nek.

Het was heel jammer maar de Belhamel van Bo-Peep’s kudde was erg wild. Hij had vooral zin om lekker ver het bos in te dwalen. De rest van de schapen zou hem dan natuurlijk volgen, het bos in. Toen hij zag dat Kleine Bo-Peep in slaap was gevallen, begon het schaap capriolen uit te halen. Hij ging op zijn achterpoten staan en maakte een grote buiging voor zijn eigen schaduw op het gras. Daarna draaide hij zich als een tol in de rondte, voortdurend zijn hoofd schuddend en met zijn bel rinkelend.

Al snel begon de rest van de kudde ook te dansen en capriolen te maken. Nadat ze dit een tijdje hadden gedaan, sprongen ze achter hun leider aan het bos in. Ze dwaalden door het bos totdat ze behoorlijk moe waren. Toen bleven ze staan en keken, met een domme blik op hun koppen, naar hun leider. Maar de Belhamel deed dwaas, hij schudde alleen maar zijn hoofd en liet zijn bel rinkelen. De bel leek te zeggen: “Je bent verdwaald, je bent verdwaald.”

Toen Kleine Bo-Peep wakker werd, merkte ze dat haar schapen verdwenen waren. Hoewel ze van ellende die niet goed wist wat ze moest doen, liep ze toch alsmaar verder en verder het bos in. Onderweg kwam ze mensen tegen, die met schoffels en harken aan het werk waren. Ze vroeg aan hen of ze haar schapen hadden gezien. Maar de mensen lachten om haar en zeiden: “Nee, welnee.” Eén man werd zelfs erg boos en dreigde haar te slaan.

Uiteindelijk kwam ze bij een paal waarop een oude Raaf zat. Hij zag er zeer wijs uit dus Kleine Bo-Peep vroeg hem of hij misschien een kudde schapen had gezien. Maar hij schreeuwde alleen maar: “Kauw, Kauw”.

Dus Bo-Peep zette haar tocht door de velden maar weer voort. Ze dwaalde door het land tot de avond viel en voelde zich zwak van de honger. Ze was heel blij toen ze in de verte een licht zag. Terwijl ze verder liep, zag ze dat het licht uit een raam van een huisje scheen. Maar toen ze bij de deur kwam, zag het er zo donker en somber uit dat ze eigenlijk bang was om naar binnen te gaan. Ze wilde net weer weglopen toen een boos kijkende oude vrouw naar buiten kwam en haar het huisje in sleepte. Ze zette het meisje naast haar zoon. De jongen was erg lelijk met een groot rood gezicht en rood haar. De oude vrouw zei tegen hem dat ze Bo-Peep had meegebracht voor hem zodat ze zijn vrouw kon worden. Maar Bo-Peep vond de jongen helemaal niet aardig en rende snel weg, toen de moeder en haar zoon sliepen.

Maar ze wist niet meer waar ze nog heen kon gaan en had het bijna opgeven de schaapskudde ooit nog te vinden toen ze iets uit de boom boven haar hoorde roepen: “Tuwiet, tuwiet, oehoe oehoe”.

Het was een grote Uil, die, toen hij haar zag, van vreugde met zijn vleugels begon te klapperen. In eerste instantie was Bo-Peep bang maar de Uil leek zeer vriendelijk. Dus volgde ze hem. Hij bracht haar naar een huisje waar meer dan genoeg te eten en te drinken was. Daarna begon hij, tot haar grote verrassing, te praten, en vertelde haar zijn verhaal:

“Je moet weten lieve Meid”, zei de Uil, “dat ik de dochter van een Koning ben en dat ik eigenlijk een lieftallige Prinses was. Maar ik werd door de oude vrouw in het huisje in een Uil veranderd, omdat ik niet met haar lelijke zoon wilde trouwen.

Ik heb de Feeën horen zeggen dat er op een dag een lieftallig meisje zou komen dat in het bos op zoek was naar haar schapen. Zij zou mij helpen mijn eigen vorm weer terug te krijgen. Dan zou ik weer een Prinses worden. Jij bent dat lieftallige meisje en ik zal je meenemen naar de plek waar je je schapen zult vinden. Maar….ze hebben geen staarten. De Elfen zullen deze nacht met ze spelen, maar morgenochtend heef elk schaap weer een staart, behalve die domme Belhamel. Jij moet dan drie keer met zijn staart over mijn hoofd zwaaien, en dan zal ik weer een Prinses worden.”

De Uil vloog weg en leidde Bo-Peep het bos in en zei: ‘Ga jij maar slapen, lieve Meid. Ik zal opletten.” Hoe lang ze sliep, kon ze niet zeggen maar plotseling werd de betoverde plek verlicht. De Feeënkoningin zat op een bank en zei dat de schapen gestraft moesten worden voor het weglopen. Toen zag Bo-Peep al haar schapen naar de betoverde plek komen. Op elk schaap zat een Elf die in zijn hand een schapenstaart hield.

Nadat de Elfen een tijdje op de schapen hadden rondgereden en veel plezier met ze hadden gehad, stopte het dwaze spelletje. Elke Elf maakte de staart weer aan het schaap vast. Behalve de staart van de Belhamel. Die staart verstopten ze in een boom.

Toen Bo-Peep wakker werd, zag ze de Uil weer met zijn vleugels klapperen, alsof hij haar aan haar belofte wilde herinneren. Dus ze pakte de staart uit de boom en zwaaide er drie keer over zijn hoofd mee. Toen kwam de mooiste Prinses, die je ooit gezien hebt, te voorschijn. De Prinses gaf Bo-Peep een prachtig huisje. En de schapen liepen nooit meer weg van hun vriendelijke bazin.

0Shares
0 replies on “Kleine Bo-Piep”