Katiiti woonde in een dorp naast een bos.

Ze hield ervan om in het bos te spelen.
Mama vertelde haar om voorzichtig te zijn.

Elke dag zong Mama hun speciale lied om haar te roepen.

Op een dag botste Katiiti tegen een gorilla aan.

Ze rende weg en verstopte zich in een grot.

De gorilla kwam en zong Mama’s lied met een schorre stem.

De gorilla at veel bananen om zijn stem zoeter te maken.

De gorilla zong zoetjes.

De gorilla ging weg en at veel honing om zijn stem nog zoeter te maken.

De gorilla zong net zo zoet als Mama.

Mama kwam net op tijd om de gorilla weg te jagen.

Katiiti en Mama zongen de hele weg terug naar huis.


