Hoe de Maan haar gezicht kreeg

De Maan is erg mooi met zijn ronde en heldere gezicht, dat met zacht licht op de hele wereld van de mens schijnt. Maar er was eens een tijd dat hij niet zo mooi was als nu. Zesduizend jaar geleden veranderde het gezicht van de Maan, in één nacht. Voor die tijd was zijn gezicht zo donker en somber dat niemand hem graag aankeek en daarom was hij altijd erg verdrietig.

Op een dag klaagde hij tegen de bloemen en de sterren – want dat waren de enige dingen die hem ooit aankeken.

Hij zei: “Ik hou er niet van om de Maan te zijn. Ik wilde dat ik een ster of een bloem was. Als ik een ster was, zelfs de kleinste, dan zou er in ieder geval iemand naar mij kijken maar, helaas! Ik ben slechts de Maan en niemand mag mij. Kon ik maar een bloem zijn en in een tuin groeien waar de prachtige vrouwen van de aarde komen, dan zouden ze mij in hun haar plaatsen en mijn geur en schoonheid prijzen. Of, als ik zelfs maar kon groeien in de wildernis, waar niemand het kon zien, dan zouden de vogels zeker komen en lieve liedjes voor me zingen. Maar ik ben slechts de Maan en niemand vereert mij.”

De sterren zeiden: “Wij kunnen je niet helpen. Wij zijn hier geboren en wij kunnen onze plaats niet verlaten. Wij hebben ook nooit iemand gehad om ons te helpen. We doen onze plicht, we werken de hele dag en fonkelen in de donkere nacht, om de lucht mooier te maken. Maar dat is alles wat we kunnen doen”, voegden ze eraan toe, terwijl ze koud glimlachten naar de treurige Maan.

Toen glimlachten de bloemen, liefjes, en zeiden: “Wij weten niet hoe we je kunnen helpen. Wij leven altijd op één plek: in een tuin in de buurt van het mooiste meisje ter wereld. Omdat ze aardig is voor iedereen in nood, zullen we haar meer vertellen over jou. We houden heel veel van haar en zij houdt van ons. Haar naam is Tseh-N’io.”

Toch was de Maan verdrietig. Dus op een avond ging hij naar de mooie Tseh-N’io. En toen hij haar zag, hield hij meteen van haar. Hij zei: “Je gezicht is erg mooi. Ik wilde dat je naar me toe zou komen, en dat mijn gezicht zou zijn als jouw gezicht. Je bewegingen zijn zacht en gracieus. Kom met me mee en we zullen samen één zijn. Ik weet dat zelfs de slechtste mensen ter wereld alleen maar naar je hoeven te kijken en van je zullen houden. Vertel me eens, hoe ben je zo mooi geworden?”

“Ik heb altijd geleefd met mensen die zachtaardig en gelukkig waren en ik geloof dat dat de oorzaak is van schoonheid en goedheid”, antwoordde Tseh-N’io.

En dus ging de Maan elke nacht naar het meisje toe om haar te zien. Hij klopte op haar raam en ze kwam. En toen hij zag hoe zachtaardig en mooi ze was, werd zijn liefde sterker en wilde hij steeds meer bij haar zijn.

Op een dag zei Tseh-N’io tegen haar moeder: “Ik zou graag naar de Maan willen gaan en voor altijd bij hem willen wonen. Staat u mij toe om te gaan?”

Haar moeder dacht zo weinig van de vraag dat ze geen antwoord gaf en Tseh-N’io vertelde haar vrienden dat ze de bruid van de Maan zou worden.

Binnen een paar dagen was ze weg. Haar moeder zocht overal maar kon haar niet vinden. En één van Tseh-N’io’s vrienden zei: “Ze is met de Maan meegegaan, want hij heeft het haar vaak gevraagd.”

Jaar na jaar ging voorbij en Tseh-N’io, het vriendelijke en mooie aardse meisje, kwam niet terug. Toen zeiden de mensen: “Ze is voor altijd weg. Ze is bij de Maan.”

Het gezicht van de Maan is nu erg mooi. Het is vrolijk en helder en geeft een zacht licht aan de hele wereld. En er zijn mensen die zeggen dat de Maan nu lijkt op Tseh-N’io, die ooit de mooiste van alle aardse meisjes was.

image_pdfDownloadimage_printPrint