Het meisje en de kabouter

Er was eens een klein meisje, genaamd Kleine Dochter, die een kleine kamer had, die vol was met prachtige schatten. Je kunt je geen kamer voorstellen, die mooier was dan de hare. Alles was wit glanzend, alsof de muren en de vloer besneeuwd waren en er een wollige wolk aan het plafond hing. De gordijnen voor de ramen waren als de bloemblaadjes van een lelie, en haar bedje was zo zacht als zwanendons.

Er bloeiden ook witte viooltjes voor de ramen, en er zat een duif wiens stem zo zoet was als muziek. Tot haar schatten behoorde ook een parelsnoer dat ze om haar nek zou dragen als de koning haar aan het hof zou laten komen, zoals hij had beloofd ooit te zullen doen. Dit parelsnoer werd langer en mooier naarmate het kleine meisje ouder werd. Elke ochtend kreeg ze een nieuwe parel zodra ze wakker werd, als geschenk van de koning.

Haar moeder hielp haar voor de schatten in de kamer te zorgen. Elke ochtend, nadat de nieuwe parel aan het snoer was geregen, maakten ze de kamer op orde. En elke avond bekeken ze de schatten en genoten ze er samen van, terwijl ze voorzichtig alle stofdeeltjes wegveegden die overdag waren binnengedrongen en de kamer minder mooi maakten.

Er waren in deze kamer verschillende deuren en ramen, die het kleine meisje zelf kon openen en sluiten. Maar er was één deur die altijd open stond, en dat was de deur die naar haar moeders kamer leidde. Wat Kleine Dochter ook aan het doen was, ze was gelukkiger als haar moeder in de buurt was en hoewel ze soms naar haar eigen kamer rende en in haar eentje speelde, sprong ze altijd blij in haar moeders armen, als ze haar moeder weer zag.

Toen het kleine meisje op een dag alleen aan het spelen was, kwam er een bezoeker binnen, zonder te kloppen. Hij leek op het eerste gezicht niet op zijn plaats in de stralend witte kamer, want hij was een kabouter en hij was echt erg lelijk. Hij was er nog geen minuut of bijna alles in de kamer begon meer op hem te lijken en minder op de mooie witte sneeuw. Maar hoewel het kleine meisje hem erg vreemd en lelijk vond toen ze hem voor het eerst zag, raakte ze toch al snel aan hem gewend en vond hem een leuke speelkameraad.

Ze wilde hem aan haar moeder laten zien maar hij zei: “Oh! Nee hoor, we hebben zo’n leuke tijd samen, en zij heeft het druk.” Dus het kleine meisje vertelde het haar moeder niet. De moeder, die een jurk van fijn kant aan het maken was voor haar dochter, wist dus helemaal niet dat er een kabouter in het kleine witte kamertje was. De kabouter maakte geen enkel geluid, want hij liep de hele tijd op zijn tenen alsof hij bang was. Als hij een geluid hoorde, zou hij wegspringen. Maar hij was een vrolijke kabouter en hij amuseerde het kleine meisje zo dat ze de verandering in haar witte kamer niet opmerkte.

De gordijnen werden groezelig, de vloer stoffig en het plafond zag eruit alsof het van een grijze regenwolk gemaakt was, maar het meisje speelde door en haalde al haar schatten tevoorschijn om ze aan haar bezoeker te laten zien. De viooltjes verdorden en de witte duif verborg zijn kop onder zijn vleugel en de laatste parel aan het kostbare snoer werd donker van kleur toen de kabouter hem aanraakte.

“Ooh, riep het kleine meisje toen ze dit zag, “ik moet mijn moeder roepen want dit zijn de parels die ik moet dragen als de koning mij laat halen.”

“Dat hoeft niet hoor”, zei de kabouter, “we kunnen de parel wassen, en als er één parel niet zo wit is als voorheen, wat maakt dat dan uit?”

“Maar moeder zegt dat ze allemaal zo fris en schoon moeten zijn als de ochtend”, drong het kleine meisje aan, en ze barstte bijna in tranen uit. “En wat zal ze zeggen als ze deze ziet?”

“Doe de deur dicht”, zei de kabouter, wijzend naar de deur die nooit gesloten was, “en ik zal de parel wassen.” Dus het kleine meisje rende om de deur te sluiten, en de kabouter begon over de parel te wrijven maar het leek alleen maar erger te worden. Nu stond de deur al zo lang open dat hij moeilijk te bewegen was, en hij kraakte in zijn scharnieren toen het kleine meisje hem probeerde te sluiten. Toen de moeder dit hoorde, keek ze op om te zien wat er aan de hand was. Ze had nagedacht over de jurk die ze aan het maken was, maar toen ze de sluitende deur zag, stond haar hart stil van angst. Ze wist dat als de deur eenmaal echt gesloten was, ze deze misschien nooit meer zou kunnen openen.

Ze liet haar naaiwerk vallen en rende naar de deur terwijl ze riep: “Lieve Dochter! Lieve Dochter! Waar ben je?” en ze strekte haar armen uit om de deur tegen te houden. Maar zodra het kleine meisje haar liefdevolle stem hoorde, antwoordde ze: “Moeder, oh moeder! Ik heb je nodig! Mijn parel wordt zwart en alles gaat hier verkeerd!”, en terwijl ze de deur wagenwijd opengooide, rende ze in haar moeders armen.

Toen de twee samen het kamertje binnengingen, was de kabouter verdwenen. De viooltjes bloeiden weer en de witte duif kirde weer vredig in het venster. Maar er was veel werk te doen voor de moeder en de dochter, ze schrobden en wasten en veegden en stoften, totdat de kamer zo mooi was dat je nooit zou hebben gedacht dat er een kabouter was geweest. Het enige was dat die ene parel altijd wat donkerder bleef, zelfs toen de koning Kleine Dochter naar zijn hof liet komen, hoewel dat pas was toen ze een heel oude vrouw was.

Wat de deur betreft, die is nooit meer gesloten geweest. Want Kleine Dochter en haar moeder plaatsten er twee gouden harten tegenaan en niets ter wereld kon vanaf toen de deur nog sluiten.

image_pdfDownloadimage_printPrint