Het Kaboutertje Bij De Spekslager

Er was eens een echte student. Hij woonde op de bovenste verdieping bij een spekslager.
Hij bezat zelf helemaal niets. De winkelier woonde beneden en het hele huis was van hem.
Verder woonden er nog een winkeljuffrouw en een dienstmeid.
Er woonde ook een Kaboutertje in het huis. Iedere Kerstavond kreeg hij een schaal met gruttenpap met een grote kluit boter erop.De winkelier gunde hem dat van harte.
Het Kaboutertje bleef graag in de winkel. Hij kon daar heel wat leren.

sprookje Het kaboutertje bij de spekslager

Op een avond kwam de student door de achterdeur naar binnen om zelf kaarsen en kaas te kopen. Hij had niemand die boodschappen voor hem deed, daarom ging hij maar zelf.
Hij kocht wat hij nodig had en betaalde. De winkelier en de winkeljuffrouw knikten hem toe. De juffrouw was iemand die veel meer kon dan knikken. Zij kon heel goed praten.
De student knikte terug en bleef toen staan om het blad papier dat om de kaas gewikkeld was, te lezen. Het blad was uit een oud boek gescheurd.
Eigenlijk had dat niet gemogen want het was een mooi oud boek, vol poëzie.

“Er liggen nog meer van die boeken”, zei de winkelier, “ik betaalde er een oude vrouw een paar koffiebonen voor. Als u mij acht stuivers geeft, kunt u de rest krijgen.”

“Nou graag, dank u wel”, zei de student, “geef me dat boek maar, in plaats van de kaas.
Ik kan best een boterham zonder iets eten! Het zou eeuwig jammer zijn wanneer het hele boek in stukken zou worden gescheurd. U bent een prachtig mens, spekslager.
U bent ook een praktische winkelier, maar van poëzie heeft zelfs een emmer nog meer verstand dan u.”

Wat de student zei, was helemaal niet aardig. Vooral niet tegenover de emmer.
Maar de winkelier lachte en de student lachte. Het was immers maar een grapje.
Het Kaboutertje ergerde zich er wel behoorlijk aan dat iemand zoiets tegen de winkelier durfde te zeggen. De winkelier was de huiseigenaar en hij verkocht de beste boter.
Het Kaboutertje zou die student weleens even flink in de maling nemen.

Toen de avond was gevallen en de winkel gesloten was, lag iedereen in bed.
Behalve de student. Het Kaboutertje ging naar boven en leende bij de winkeljuffrouw haar tongriem. Zij had die toch niet nodig als ze sliep. Nu kon hij die mooi even gebruiken en zijn gedachten en gevoelens net zo onder woorden brengen als de winkeljuffrouw zelf.
Een tongriem zorgt er namelijk voor dat je kunt praten!
Het was wel een zegen dat maar één persoon tegelijk de tongriem kon lenen, anders zouden ze allemaal door elkaar praten!

Het Kaboutertje legde de tongriem op de emmer waarin de oude kranten en boeken lagen.
Hij vroeg aan de emmer: “Is het werkelijk waar dat u niet weet wat poëzie is?”
“Ik weet er toch wel iets van hoor”, zei de emmer, “het is zoiets dat aan de onderkant van de kranten staat en uitgeknipt wordt. Ik zou zo denken dat ik daar meer van “in mij” heb dan de student. Maar ik ben maar een nederige emmer, vergeleken met de student.”

Toen legde het Kaboutertje de tongriem op de koffiemolen.
Nee maar, wat draaide die opeens hard, met een heleboel praatjes.
Hij legde hem daarna op het botervat en de geldkist.
Ook zij begonnen te praten. Iedereen was het geheel eens met de emmer.
En waar de meesten het mee eens zijn, dat moet gerespecteerd worden!

“Zo, nu ga ik de student in de maling nemen”, zei het Kaboutertje bij zichzelf.
Hij ging zachtjes de keukentrap op naar de zolderverdieping, waar de student woonde.
Het licht brandde en het Kaboutertje keek door het sleutelgat.
Hij zag dat de student zat te lezen in het kapotte boek van beneden.

Wat was het licht daarbinnen! Er was opeens een heldere straal uit het boek geschoten.
De straal werd een stam en toen een machtige boom met takken die zich ver over de student bogen. Elk blad was zoo fris en elke bloem was zoo mooi, als een meisjeskopje.
Sommige bloemen waren donker en stralend, andere bloemen waren zoo blauw en zoo wonderlijk helder. Iedere vrucht was als een schitterende ster.
Toen begon de boom ook nog te zingen. Het klonk verrukkelijk mooi.

sprookjes hans christian andersen

Nee, zoiets heerlijks had het Kaboutertje zich nooit voor kunnen stellen. Zoiets heerlijks had hij nog nooit gezien en zoiets heerlijks had hij nooit kunnen bedenken.
Hij bleef steeds op zijn tenen staan en keek en keek tot het licht binnen uitging.
De student blies zijn lamp uit en ging naar bed. Maar het Kaboutertje bleef er nog altijd staan.
Het zachte gezang klonk nog zo verschrikkelijk mooi. Het was net een lief wiegeliedje voor de student.

“Wat is het hier heerlijk”, zei het Kaboutertje, dat had ik niet verwacht!
Ik geloof dat ik maar bij de student blijf.” Hij dacht nog even diep en verstandig na en toen zuchtte hij: “De student heeft geen gruttenpap…”
Dus hij besloot toch maar terug te gaan naar de winkelier.

Het was maar goed dat hij weer beneden kwam. De emmer had bijna de hele tongriem van de juffrouw gebruikt door met één kant alles te vertellen wat hij in zich had.
Hij stond nu op het punt de tongriem om te draaien en met de andere kant hetzelfde te doen.
Zodra het Kaboutertje dit zag, bracht hij snel de tongriem weer terug naar de juffrouw.

Maar de hele winkel, van de geldlade tot en met de brandhoutjes aan toe, had vanaf dat moment dezelfde mening als de emmer. Ze koesterden allemaal zo’n achting voor de emmer en hadden zoveel vertrouwen in de emmer, dat ze werkelijk dachten dat als de winkelier ‘s avonds de Kunst- en Schouwburgrubriek uit het nieuwsblad las, dit allemaal uit de emmer kwam.

Het Kaboutertje luisterde niet langer naar al die wijsheid en dat verstand.
Nee, zodra het licht uit de zolderkamer scheen, was het alsof de stralen, sterk als ankertouw, hem naar boven trokken. Hij moest en zou dan naar boven gaan, en door het sleutelgat kijken.

Hij voelde zich klein. Zoals wij ons klein kunnen voelen als we aan het strand van de bruisende zee staan en God het laat stormen. Het Kaboutertje barstte zelfs in tranen uit, hij wist zelf niet waarom maar het was zalig om zo te huilen!

Het zou helemaal heerlijk zijn om met de student onder die prachtige boom te zitten.
Helaas ging dat niet maar hij was al blij met het sleutelgat.
Zo stond hij eens op de koude gang toen de najaarsstorm door het dakvenster blies.
Het was koud, o zo koud. Het kleine ventje voelde het pas toen het licht, in het dakkamertje, werd gedoofd en de muziek werd overstemd door de wind. Ooh, hij kreeg het zo koud.
Dus hij kroop snel terug in zijn warme hoekje, daar was het prettig en behaaglijk.
Toen op Kerstavond de gruttenpap met boter kwam, wist hij weer dat de winkelier toch wel de belangrijkste baas was.

Midden in de nacht werd het Kaboutertje wakker van een verschrikkelijk spektakel.
De vensterluiken rammelden, de mensen buiten beukten erop los.
De nachtwaker blies op zijn fluit. Er was een grote brand. De hele straat stond in lichterlaaie.
Was het hier in huis of bij de buren? Waar was het? Wat een schrik!

De winkeljuffrouw was, door de brand, zo in de war geraakt dat zij haar gouden ringen uit haar oren nam en deze in haar zak stopte, om toch nog iets te redden.
De winkelier liep heen en weer om zijn geld te redden. Het dienstmeisje probeerde haar zijden mantel te pakken. Iedereen probeerde nog iets te redden.
Dat wilde het Kaboutertje ook.

Met een paar sprongen was hij de trap op en stond hij binnen bij de student.
De student zat rustig bij het open venster en keek naar de brand die woedde op de binnenplaats van de buren.
Het Kaboutertje greep op tafel het wonderbaarlijke boek, stak het in zijn rode muts en hield deze met beide handen vast. Gelukkig, nu had hij de kostbaarste schat van het huis in veiligheid gebracht!

Toen liep hij weg, helemaal het dak op en zelfs de schoorsteen op.
Daar ging hij zitten, in het licht van het brandende huis aan de overkant.
Hij hield met beide handen zijn rode muts vast waarin de schat lag.
Nu wist hij wat zijn hartje verlangde en wie hij eigenlijk toebehoorde.
Maar toen de brand geblust was, kwam hij weer tot bezinning…

“Ik zal me voortaan maar tussen de student en de winkelier verdelen”, zei hij toen.
“Ik kan de winkelier echt niet in de steek laten, hij geeft mij altijd lekkere gruttenpap.”

En dat was heel menselijk van het Kaboutertje.
Wij gaan tenslotte ook naar de winkel om lekkere pap te kopen!

Luister naar het verhaal van Het kaboutertje bij de spekslager

Wie is de schrijver van Het Kaboutertje Bij De Spekslager?

Hans Christian Andersen

Wat is de moraal van het verhaal?

Het is belangrijk om je aandacht te verdelen tussen de mensen om je heen

Voor welke leeftijd is het sprookje?

Wij vinden dit sprookje het meest geschikt voor kinderen van 5 jaar en 6 jaar.

Wat is de leestijd van het verhaal?

6 minuten

Het sprookje Het Kaboutertje Bij De Spekslager is geschreven door Hans Christian Andersen. Lees, luister of print gratis via onze website.
0 replies on “Het Kaboutertje Bij De Spekslager”