Een kerstcadeau voor moeder

Er was eens een kleine prins wiens moeder, de koningin, ziek was. De hele zomer lag ze in bed en in het paleis werd alles stil gehouden. Maar toen de herfst kwam, werd ze beter. Elke dag kleurden haar wangen meer en de kleine prins mocht haar kamer binnengaan en naast haar bed gaan staan om met haar te praten.

Hij was heel blij want hij wilde haar vragen wat ze als kerstcadeau zou willen. Zodra hij haar had gekust en zijn wang tegen de hare had gelegd, fluisterde hij zijn vraag in haar oor.

“Wat ik leuk zou vinden als kerstcadeau?”, zei de koningin. “Een glimlach en een kus en een dikke knuffel, dat zijn de dierbaarste geschenken die ik kan bedenken.”

Maar de prins was niet tevreden met dit antwoord. “Glimlachjes en kusjes en knuffels kun je elke dag krijgen”, zei hij, “maar bedenk eens, als je kon kiezen wat je het liefste van de hele wereld zou willen, wat zou je dan kiezen?”

Dus de koningin dacht en dacht en uiteindelijk zei ze: “Een potje rozemarijn zoals die bloeide in het raam van mijn moeder toen ik een klein meisje was.”

De kleine prins was verheugd dit te horen, en zodra hij de kamer van de koningin had verlaten, stuurde hij een bediende naar de kassen van zijn vader, om te informeren naar een rozemarijn-plant. Maar de bediende kwam terug met teleurstellend nieuws. Er waren roze anjers in de kassen van de koning en rozen met gouden harten en mooie lelies maar er was geen rozemarijn. “Rozemarijn was een eenvoudig kruid en groeide meestal in landelijke tuinen”, zo zeiden de tuinmannen van de koning.

“Ga er dan maar voor het land in”, zei de kleine prins. “Waar het ook groeit, mijn moeder moet het als kerstcadeau hebben.”

Dus boodschappers gingen hier, daar en overal het land in om de plant te zoeken, maar ze kwamen allemaal terug met hetzelfde verhaal: er groeide rozemarijn in de lente, maar nu had gevroren in het land en er was geen groen takje meer te vinden voor de kleine prins meer om als kerstcadeau aan zijn moeder te brengen.

Twee dagen voor Kerstmis kwam er het goede nieuws dat er rozemarijn was gevonden, een mooie groene plant die in een pot groeide, precies in de stad waar de prins zelf woonde.

“Maar waar is het?”, zei hij. “Waarom heb je het niet meegebracht? Ga het meteen halen.”

“Er is een klein probleem. De oude vrouw van wie de rozemarijn is, wilde het niet verkopen, ook al bood ik haar er een handvol zilver voor aan.”

“Geef haar dan een portemonnee vol met goud,” zei de kleine prins.

Dus een portemonnee, die zo vol goud zat dat er geen ander stuk in kon, werd naar de oude vrouw gebracht maar werd weer mee teruggebracht. Ze wilde haar rozemarijn niet verkopen nee, nee zelfs niet voor goud.

“Misschien zou ze van gedachten veranderen als uw kleine hoogheid zelf zou gaan en het haar zou vragen”, zei de kinderjuf van de prins. Dus werd de koninklijke koets, met zes witte paarden, van stal gehaald en de kleine prins en zijn bedienden reden weg naar het huis van de oude vrouw. Toen ze daar aankwamen, was het eerste wat ze zagen het kleine groene plantje in een pot dat in het huis van de oude vrouw stond, voor het venster.

De oude vrouw zelf kwam naar de deur en ze was blij de kleine prins te zien. Ze nodigde hem binnen en gaf hem een koekje te eten. Ze had een kleinzoontje dat niet ouder was dan de prins, maar hij was ziek en kon niet rondrennen en spelen zoals andere kinderen. Hij lag in een wit bedje in de kamer van de oude vrouw, en de kleine prins sprak hem aan en haalde zijn lievelingsspeeltje, dat hij altijd in zijn zak droeg, tevoorschijn en liet het hem zien.

Het favoriete speelgoed van de prins was een bal die leek op geen andere bal die ooit gemaakt was. De bal was geweven van een magisch materiaal zo helder als het zonlicht, zo sprankelend als het licht van de sterren en zo goud als de maan in de oogsttijd. En als de kleine prins het in de lucht gooide, of het op de grond liet stuiteren of het in zijn handen draaide, klonk het als een klokkenspel van zilveren belletjes.

Het zieke kind lachte toen hij het hoorde en stak zijn handen ernaar uit. De prins liet hem het vasthouden, wat de grootmoeder net zo leuk vond als het kind. Maar ze wilde de rozemarijn niet verkopen. Ze had het meegenomen uit het huis waar ze had gewoond, toen de vader van haar kleinzoon nog een jongen was, zei ze. Ze hoopte de pot met rozemarijn te houden tot aan haar dood. Dus moesten de prins en zijn dienaren zonder de rozemarijn naar huis.

Toen ze weg waren, begon het zieke kind over de prachtige bal te praten.

“Als ik zo’n bal had”, zei hij, “zou ik de hele dag gelukkig zijn.”

“Je kunt net zo goed de maan aan de hemel wensen”, zei zijn grootmoeder maar ze dacht aan wat hij zei, en ’s avonds, toen hij sliep, sloeg ze haar sjaal om zich heen, nam het potje rozemarijn mee en haastte zich naar het paleis van de koning.

“Voor zilver en goud zou ik de rozemarijn niet verkopen”, zei ze toen ze de prins zag, “maar als je mij je gouden bal, voor mijn kleinkind, wilt geven, mag je de plant hebben.”

“Maar mijn bal is de mooiste bal die ooit gemaakt is”, riep de kleine prins, “en het is mijn favoriete speeltje. Ik zou het voor geen goud willen weggeven.”

En dus moest de oude vrouw naar huis, met haar potje rozemarijn onder haar sjaal. De volgende dag was de dag voor Kerstmis en er was een grote drukte in het paleis. De arts van de koningin had gezegd dat ze die avond rechtop mocht zitten om de kerstboom te zien en haar cadeautjes, met de rest van de familie, te krijgen. Iedereen rende heen en weer om dingen voor haar klaar te maken.

De koningin had zoveel cadeaus dat ze niet allemaal in de kerstboom konden worden hangen, dus werden ze op een tafel voor de troon gezet. De kleine prins ging naar binnen om zijn geschenk, dat een juweel was, tussen hen neer te leggen.

“Ze wilde een pot rozemarijn”, zei hij, terwijl hij naar de glinsterende pakjes keek. Hij dacht er die dag vaak aan, en een keer, toen hij met zijn bal aan het spelen was, zei hij tegen zijn kinderjuf: “Als ik een rozemarijn-plant had, zou ik die willen verkopen voor goud. Jij niet?”

“Inderdaad, ja”, zei de kinderjuf, “en dat zou ieder ander met gezond verstand ook doen. Daar kun je zeker van zijn.”

“Ik wilde dat het lente was. Dan is rozemarijn makkelijk te krijgen, nietwaar?”

“Uw kleine hoogheid is als de papegaai van de koning die maar één woord kent met uw “rozemarijn, rozemarijn, rozemarijn”, zei de kinderjuf die tegen die tijd een beetje door haar geduld heen was. “Hare majesteit, de koningin, heeft er alleen om gevraagd om u een plezier te doen. Verder is het niet belangrijk. Daar kunt u zeker van zijn.”

Maar de kleine prins wist dat niet zeker. Toen de kinderjuf naar haar diner was gegaan en hij alleen was achtergebleven, trok hij zijn jas aan, nam de bal mee, glipte het paleis uit en haastte zich naar het huis van de oude vrouw. Hij was nog nooit eerder ’s nachts alleen buiten geweest en hij zou misschien een beetje bang zijn geweest als de vriendelijke sterren niet aan de hemel boven hem hadden gefonkeld.

“Wij zullen je de weg wijzen”, leken ze te zeggen. Hij sjokte dapper verder in hun licht totdat hij bij het huis kwam en op de deur klopte. Nu had het kleine zieke kind de hele avond over het prachtige bal gepraat. “Heb je gezien hoe mooi de bal glinsterde, grootmoeder? En heb je gehoord hoe de belletjes luidden?” Juist op dat moment klopte de kleine prins op de deur. De oude vrouw haastte zich om open te doen en zag de prins. Ze was te verbaasd om iets te zeggen.

“Hier is de bal”, zei hij terwijl hij hem in haar handen legde. “Geef me alsjeblieft de rozemarijn voor mijn moeder.”

En zo gebeurde het, op het nippertje, dat toen de koningin voor haar grote tafel met geschenken ging zitten, het eerste wat ze zag een pot heerlijk geurende rozemarijn was! Precies zoals die in haar moeders raam had gebloeid, toen ze een klein meisje was.

“Dit is het mooiste geschenk van de hele wereld”, zei ze en ze nam de kleine prins in haar armen en kuste hem.

image_pdfDownloadimage_printPrint