De vriendelijke oude eik

Het was bijna tijd dat de winter zou komen. De vogeltjes waren allemaal ver weg, want ze waren bang voor de kou. Er was geen groen gras in de velden en er waren geen mooie bloemen in de tuinen. Veel bomen hadden al hun bladeren laten vallen. De koude winter, met zijn sneeuw en ijs, kwam eraan. Aan de voet van een oude eik stonden nog enkele lieve viooltjes in bloei.

“Lieve oude eik,” zeiden ze, “de winter komt eraan; we zijn bang dat we zullen sterven van de kou.”

“Wees niet bang, kleintjes,” zei de eik. “Sluit je gele ogen in slaap en vertrouw op mij. Je hebt me menig keer blij gemaakt met je zoetheid. Nu zal ik ervoor zorgen dat de winter je geen kwaad zal doen.”

Dus de viooltjes sloten hun mooie oogjes en gingen slapen; ze wisten dat ze de vriendelijke, oude eik konden vertrouwen. En de grote boom liet zachtjes rood blad na rood blad op hen vallen, totdat ze allemaal bedekt waren.

De koude winter kwam, met zijn sneeuw en ijs, maar het kon de kleine viooltjes niet deren. Veilig onder de vriendelijke bladeren van de oude eik sliepen en droomden ze gelukkige dromen tot de warme lenteregens hen weer wakker maakten.

image_pdfDownloadimage_printPrint