De Sneeuwbal

Er was eens, toen de hele grond wit was van de sneeuw en aan alle daken ijspegels hingen, een kleine jongen die de wereld in ging om sneeuwballen te maken. Zijn moeder pakte hem, van top tot teen, zo lekker warm in dat je nauwelijks nog iets van hem kon zien behalve het puntje van zijn neus. Zelfs de sneeuwvogels, die in zijn eigen voortuin woonden en hem dagelijks zagen, herkenden hem niet.

Ze vlogen weg van het hek en hielden hun kop eerst schuin naar de ene kant en toen schuin naar de andere kant, alsof ze dachten: “Wie kan dit toch zijn?”, maar gaandeweg kwamen ze erachter.

“Tjilp, tjilp”, zeiden ze tegen elkaar. “Het is alleen maar de kleine jongen die voor ons kruimels uit het raam gooit”, en ze vlogen de tuin weer in om te zien hoe hij sneeuwballen maakte.

De kleine jongen wist precies hoe hij sneeuwballen moest maken en hoe hij ze moest gooien, want hij had het zijn grote neef zien doen. Eerst nam hij een handvol sneeuw en toen draaide hij het om en om in zijn handen en dan gooide hij de sneeuwbal zo ver als hij kon. Eén van zijn sneeuwballen ging de hoek van de tuin in, een andere ging tegen een boom, en eentje vloog helemaal over het hek de straat op. Het was erg leuk om in de sneeuw te spelen en de kleine jongen was een beetje verdrietig toen zijn vader hem riep dat het tijd was om binnen te komen.

“Zodra ik er nog eentje gemaakt heb, kom ik”, antwoordde hij. Hij nam een grote handvol sneeuw en maakte zo’n grote sneeuwbal dat hij vond dat hij die echt mee naar huis moest nemen, om aan zijn moeder te laten zien. Nu was de moeder van de kleine jongen naar de markt gegaan terwijl hij in de sneeuw aan het spelen was maar hij nam de sneeuwbal mee naar de woonkamer en legde hem op het kleed bij de open haard zodat ze het zou zien als ze thuiskwam.

Er brandde een helder vuur en het klonk alsof het vuur lachte, met zijn geknetter en gespetter, toen de kleine jongen de sneeuwbal voor het vuur legde.

“Oh! Wat een mooi groot vuur”, zei hij en hij klom in de schommelstoel bij het vuur, om op zijn moeder te wachten.

“Kraak, kraak”, zei de schommelstoel.

“Knetter, knetter”, lachte het vuur en de kleine jongen voelde zich zo comfortabel en het was zo lekker warm dat hij in een diepe slaap viel.

Toen hij wakker werd, was zijn moeder nog steeds op de markt en het vuur lachte ook nog steeds, luider dan ooit.

“Knetter, knetter”, deed het vuur maar toen hij naar de sneeuwbal keek, was deze weg! Er lag helemaal niets meer op het kleed, behalve een klein plasje water.

De kleine jongen keek onder de stoel en onder de tafel en onder de ladekast, achter de deur en in alle hoeken, boven en beneden, hoog en laag maar hij kon de sneeuwbal nergens vinden.

En wat denk je dat er van geworden was? De moeder van de kleine jongen raadde het zodra ze thuiskwam en het plasje water zag. En als je het de moeder vraagt dan zal ze jou opnieuw dit verhaal vertellen!

image_pdfDownloadimage_printPrint