De Regenelfen

De Regenelf-kinderen waren al lange tijd in hun huizen opgesloten, want het was heet geweest en de Regenelfen houden niet van erg warm weer. Hun moeders, de Regenwolken, werden op een ochtend wakker en ontdekten dat de zon niet scheen, dus vertelden ze hun kinderen dat ze naar beneden konden dalen en een tijdje op de aarde konden spelen.

“Maar let op, ga niet allemaal tegelijk weg. Een deel van jullie kan gaan, want jullie zijn met zovelen, wel vele miljoenen. De arme aarde zou behoorlijk overbevolkt worden als alle Regenelfen tegelijk zouden neerdalen.” Dus een paar kinderen van elke Regenwolk-familie gingen de deur uit toen hun moeders de wolkendeur openden. Ze daalden af en kwamen op de droge aarde.

Oh, de tuinen waren zo blij om de Regenelfen te zien! De bloemen tilden hun hangende koppen op en lachten een blij welkom. “Waar waren jullie?”, vroegen ze. “Het is zo lang geleden dat jullie hier waren dat we dachten dat jullie ons vergeten waren.”

“Oh nee hoor, we zijn jullie niet vergeten!” antwoordden de Regenelfen, “maar het is zo heet geweest dat onze moeders ons niet naar buiten wilden laten gaan. We kunnen maar een korte tijd blijven, want we hebben vele, vele miljoenen broers die ook naar de tuin willen komen. Dus nu zullen we terug moeten gaan, en de volgende bui zal weer andere Regenelfen brengen.”

De kleine bloemen waren bedroefd toen ze dit hoorden, want ze waren zo stoffig en dorstig dat ze nooit genoeg konden krijgen van de glanzende Regenelfen. “Wat moeten we doen om ze hier te houden?”, fluisterden ze tegen elkaar. “Als ze teruggaan naar de wolken, komen de anderen misschien niet. O, als de oude Windheks maar kwam, zij zou ons misschien kunnen helpen.”

“Zij zou ons ook allemaal in de problemen kunnen brengen”, zei een slanke lelie. “Ik denk dat we de Regenwolk-moeders beter kunnen vertrouwen, zij weten wat het beste is om te doen.”

Maar de woorden van de arme kleine lelie werden niet opgemerkt en een lange stokroos werd gevraagd om de oude Windheks te vinden en haar te vragen hen te helpen de Regenelfen de hele dag beneden te houden. De oude Windheks lachte van blijdschap toen ze het verzoek hoorde, want ze zag een kans om kwaad aan te richten en het te laten lijken alsof ze probeerde goed te doen.

“Zeg maar tegen die mooie bloemen dat ze de hele dag de Regenelfen zullen hebben, en ook hun broers,” zei ze tegen de stokroos, en weg vloog ze naar de huizen van de Regenwolken. Ze liep heel zacht en voorzichtig door de wolken, want ze wist dat als de moeders van de Regenwolk haar hoorden, ze hun kinderen meteen naar huis zouden roepen. Maar langzaam zag ze haar kans waar, en terwijl de Regenwolk-moeders bezig waren, opende ze zachtjes, één voor één de deur van elke wolk en wenkte naar de Regenelfen.

“Loop snel door de deur”, zei ze. ‘”Jullie broers hebben het zo leuk dat ze jullie helemaal vergeten zijn. Ze komen vandaag echt niet meer terug, dus loop maar mee en maak plezier met ze.” De kleine Regenelfen dachten niet dat ze hoefden te wachten tot hun moeders hen zouden vertellen wanneer ze moesten gaan, ze wilden zo graag naar buiten. Ze gingen eerst heel zachtjes naar beneden, plop, plop maar toen vergaten ze alle waarschuwingen, denkend aan het plezier dat ze zouden hebben, en daar gingen ze naar beneden, plons, plons, plons.

Eerst lachten en dansten de bloemen van vreugde, want hun bladeren en bloesems werden weer gewassen en hun dorstige blaadjes kregen volop water. Maar na een tijdje kwamen de Regenelfen zo snel en met zoveel en werden de druppels zo dik dat de bloemblaadjes één voor één afvielen. Toen bogen ook de stengels onder de snelle komst van de Elfen. Al snel stond de tuin zo vol water zodat het gras niet meer te zien was, terwijl de oude Windheks over hun hoofden danste en kakelde van verrukking om het onheil dat ze had aangericht.

“O jee! Ik wist niet dat er zoveel van jullie Regenelfen waren!” riep de lange stokroos toen haar stengel brak en ze in het water viel.

“Ik was er al bang voor”, zuchtte de lelie terwijl ze op de grond viel. “Een paar Regenelfen tegelijk is echt het beste. De moeder Regenwolken weten het.”

Wat een opwinding was er in de Regenwolk-huizen toen de moeders de deuren van hun huizen open vonden! Ze renden rond en riepen dat de Regenelfen naar huis moesten komen. Maar de ze waren zo in beslag genomen door het plezier dat ze hadden, spetterend en spatterend in de rondte, dat ze het niet hoorden. Langzamerhand zag ook de oude Zonneman ze, en het duurde niet lang voordat hij zijn hete stralen op de oude Windheks wierp en haar wegjaagde, en toen voelden ook de Regenelfen de adem van de Zonneman en dachten aan thuis.

Eén voor één verdwenen ze. Sommigen verstopten zich tussen de rozen en andere bloemen die in de tuin waren achtergelaten, en anderen hadden het geluk om terug te keren naar hun wolkenhuisjes en hun moeders. Maar ze lieten de tuin achter als een hele trieste plek. “Wie had ooit gedacht dat er zoveel van die Regenelfen waren”, zei een verfomfaaid uitziende bloem. ‘Ik zal echt nooit meer wensen dat ze de hele dag blijven.”

“De lelie was wijzer dan we dachten”, zei een ander. “De Regenwolk-moeders weten het beste wat goed voor ons is, en de volgende keer dat ze een deel van hun kinderen sturen, denk ik dat we maar beter tevreden kunnen zijn en ze niet allemaal tegelijk moeten vragen hierheen te komen.”

“Ik denk dat je gelijk hebt”, zuchtte de lange stokroos vanaf de grond, waar hij was gevallen. “Zal ik ooit weer over de muur kijken, vraag ik me af. Zo’n val als ik nu heb meegemaakt, kan niemand zich ooit voorstellen.”

image_pdfDownloadimage_printPrint