De koninklijke Eik

Er staat in Shropshire een mooie Eik die de plattelandsbevolking daar de “koninklijke Eik” noemt. Ze zeggen dat het de achterkleinzoon is, of misschien de achterachterkleinzoon van een andere mooie oude Eik, die meer dan tweehonderd jaar geleden op dezelfde plek stond. Deze Eik diende ooit als schuilplaats voor een Engelse koning. Deze koning was Charles II, de zoon van de ongelukkige Charles I wiens hoofd werd afgehakt door zijn onderdanen omdat hij een zwakke en egoïstische heerser was.

Op dezelfde dag dat die ongelukkige koning zijn hoofd verloor, nam het parlement een wet aan die iedereen verbood zijn zoon, prins Charles van Wales, of wie dan ook, koning van Engeland te maken. Maar het Schotse volk gehoorzaamde deze wet niet. Ze haalden de jonge prins over om een papier te ondertekenen en plechtig te beloven het land te regeren zoals zij wilden. Daarna kroonden ze hem tot koning. Zodra het parlement hiervan hoorde, stuurden ze Cromwell en zijn Ironsides leger om te vechten tegen de pas gekroonde koning en zijn volgelingen. Na verschillende veldslagen werd het Schotse leger eindelijk opgebroken en bij Worcester verdeeld.

Charles vluchtte en verstopte zich in een bos, waar een paar arme houthakkers voor hem zorgden en hem hielpen. Hij trok wat van hun kleren aan, knipte zijn haar kort en maakte zijn gezicht en handen bruin zodat hij, net als zij, een door de zon verbrande arbeider leek. Maar het duurde enige tijd voordat hij uit het bos kon ontsnappen, want Cromwells soldaten waren het bos aan het doorzoeken in de hoop een paar mannen van de koning te vinden. Op een dag moesten Charles en twee van zijn vrienden in de hoge Eik klimmen om niet gepakt te worden.

Ze hadden wat eten bij zich, wat erg handig bleek, want ze waren verplicht een hele dag in hun vreemde schuilplaats te blijven. De top van de Eik was een paar jaar voor die tijd afgesneden, waardoor de onderste takken dik en bebosd waren geworden, zodat mensen die eronder liepen er niet gemakkelijk doorheen konden kijken. Dat was een geluk voor Charles, want terwijl hij in de boom zat, hoorde hij de soldaten slaan op de takken en struiken in het bos terwijl ze hier en daar zochten. Hij ving zelfs een glimp van hen op door de bladeren terwijl ze beneden rondreden.

Toen ze weg waren, zonder zelfs maar in de hoge Eik te kijken, kwam hij naar beneden en reed het bos uit op een oud molenpaard, terwijl zijn vrienden de houthakkers naast hem liepen om hem zo goed mogelijk te begeleiden. Het zadel was slecht en de pas van het paard schokte Charles zo erg, dat hij uiteindelijk uitriep dat hij nog nooit zo’n slecht paard had gezien. Hierop vertelde de eigenaar van het paard hem schertsend dat hij het arme dier niets moest verwijten, het dier had immers nooit eerder het gewicht van drie koninkrijken op zijn rug gedragen. Hij bedoelde hier natuurlijk mee dat Charles koning was van drie koninkrijken te weten Engeland, Schotland en Ierland.

Gedragen door het oude paard en geholpen door de arme houthakkers, bereikte Charles eindelijk het huis van een vriend. Hier verstopte hij zich een tijdje en probeerde toen het land te ontvluchten. Deze keer was hij, om niet ontdekt te worden, gekleed als knecht en reed te paard, met een dame op een kussen achter hem, zoals toen gebruikelijk was. Na nog een aantal gevaren wist hij aan boord van een schip te komen en voer weg naar Frankrijk.


Downloads