De kleine rode hen

De kleine rode hen woonde op een boerenerf. Ze bracht bijna al haar tijd door met het zoeken naar de dikste, sappigste wormen voor haar kuikenkindertjes. Wormen waren gezond, want ze bevatten veel vitamines en ze waren nog lekker ook. De wormen die ze vond, deelde ze in precies gelijke stukjes zodat elk kind precies dezelfde hoeveelheid kreeg.

Er leefde ook een kat op de boerderij. Het was een lui beest. Het liefst sliep hij de hele dag. Hij nam niet eens de moeite om achter de rat aan te rennen die overal heen en weer rende waar hij maar wilde. Dan was er ook nog het varken dat in de stal woonde. Het varken kon het niet schelen wat er gebeurde, zolang hij maar zijn eten kreeg en dik kon worden.



Op een dag vond de kleine rode hen een zaadje. Het was een tarwekorrel. Nu wist ze dat je het zaadje niet zo kon opeten, maar dat het geplant moest worden. Maar daar had deze drukke kip natuurlijk helemaal geen tijd voor. Dus dacht ze aan het varken, de kat en de rat. Zij hadden de hele dag niks te doen, dus vroeg ze de dieren: “ Wie wil mij helpen deze graankorrel te planten?”

“Ik niet,” zei het varken.

“Ik niet,” zei de kat.

“Ik niet,” zei de rat.

“Goed dan,” zei de kleine rode hen, “dan zal ik het zelf wel doen.” En dat deed ze ook.


De hele zomer bleef het rode hennetje druk met het vangen van wormen om deze te voeren aan haar kuikens, terwijl het varken dik werd. En de kat werd dik. En de rat werd dik.

De tarwe groeide groter en groter. De rode hen merkte dat op en toen ze zag het graan goed genoeg was om te oogsten, vroeg ze de dieren op de boerderij: “Wie wil mij helpen het graan te maaien?”

“Ik niet,” zei het varken.

“Ik niet,” zei de kat.

“Ik niet,” zei de rat.

“Goed dan,” zei de kleine rode hen, “dan doe ik het zelf wel.” En dat deed ze ook.

Ze pakte de sikkel uit de schuur en hakte de tarweplant. Op de grond lag de mooi gesneden tarwe, klaar om geplukt en gedorst te worden. Het nam zoveel tijd in beslag dat haar kuikens begonnen te piepen. En wel zo luid, dat de hele wereld moest horen dat hun moeder hen verwaarloosde. Die arme rode kleine kip! Ze voelde zich heen en weer geslingerd tussen haar aandacht voor haar kuikens en haar verantwoordelijkheid voor de tarwe.

Dus nogmaals vroeg ze de dieren op de boerderij. “Wie wil de tarwe dorsen?”

“Ik niet,” knorde het varken.

“Ik niet,” miauwde de kat.

“Ik niet”, piepte de rat.

“Nou, dan zal ik dat doen,” zei ze. En dat deed ze.

Eerst zorgde ze dat haar kuikens genoeg te eten hadden. Toen de kuikens tevreden in de kippenren hun middagdutje deden, ging de hen naar buiten en dorste het graan.


Toen vroeg ze: “Wie helpt mij het graan naar de molen te dragen, waar het kan worden gemalen?”

Het varken keerde de hen de rug toe, en zei:

“Ik niet.”

En de kat zei: “Ik niet.”

En de rat zei: “Ik niet.”

Dus de goede, kleine rode hen kon niets anders doen dan zeggen: “Dan zal ik dat doen.” En ze sjouwde de zak met tarwe naar de molen in de verte. Daar liet ze de tarwe vermalen tot mooie, witte tarwebloem. Daarna liep ze deftig en stoer met de toch wel zware zak bloem over het erf van de boerderij, terwijl ze onderweg nog even hier en daar een worm oppikte om later aan haar kuikens te voeren. De schattige pluizenbolletjes waren zo blij hun moeder te zien en trots waren ze ook op haar.

Die avond ging de kleine rode hen vroeg naar bed. Ze wilde de volgende ochtend brood van het meel bakken. Nu wist ze niet precies hoe ze het brood moest bakken, want dat is niet iets wat een hen gewoonlijk doet. Dus vroeg ze de dieren op de boerderij om hulp. “Wie wil mij helpen het brood te bakken?” vroeg ze aan het varken, de kat en de rat.

Tevergeefs! Want:

“Ik niet”, zei het varken.

“Ik niet”, zei de kat.

“Ik niet”, zei de rat.

Dus zei de kleine rode hen: “Vooruit dan maar, dan zal ik het zelf wel doen.”


In de tussentijd keek de kat lui en geamuseerd toe. De ijdele rat bewonderde zichzelf in de spiegel en in de verte was het gesnurk van het varken te horen.

Eindelijk brak het geweldige moment aan dat het brood gaar en klaar uit de oven gehaald kon worden. Een heerlijke geur verspreidde zich over het boerenerf.

De kleine rode hen haalde de broden uit de oven. Ze hadden een prachtige goudbruinen kleur en roken verrukkelijk. Ze waren gewoon helemaal perfect. De rode hen was helemaal in haar sas. En uit gewoonte vroeg ze de dieren op de boerderij: “Wie helpt mij om de broden op te eten?”

“Ik!” riep het varken.

“Ik!” riep de kat.

“Ik!” riep de rat.

Maar de kleine rode hen riep: “Nee hoor. Jullie hulp hoef ik niet. Ik zal ze helemaal zelf opeten.” En dat deed ze ook.

0Shares
Tags from the story
0 replies on “De kleine rode hen”