De gelaarsde kat junior bezoekt de oude vrouw in de schoen

Het was rond de middag. De lucht was koel, want de zon scheen nauwelijks in het groene bos. Terwijl de gelaarsde kat verder sjokte, bedacht hij een versje. Een klein bruin winterkoninkje, dat aan het huppelen was op het groene mos in het grote bos, hoorde hem en ze vertelde het aan iemand die het later weer aan mij vertelde. En zo klonk het versje:

Door het bos, het koele bos, Het groene bos, vol dennengeur, Op de muziek van de wind, Zachtjes zingend door de bomen, Spin ik dit versje, Gelukkig is hij die ver reist, Ver en vrij, Over dalen, over heuvels, Over kronkelende paden, Nooit moe van de weg, Hij is blij, Gewoon een vrolijke reiziger, Zwervend, zoals ik!

Toen de gelaarsde kat klaar was met zijn vers, kwam hij op een grote weg. “Dit moet de weg zijn die me naar het huis van mijn vader zal leiden”, zei hij tegen zichzelf en vervolgde verheugd zijn reis.

In de verte zag hij iets wat leek op een huisje, maar toen hij dichterbij kwam, zag hij dat het helemaal geen huisje was, maar een grote schoen. Er speelden zoveel kinderen omheen dat hij ze niet kon tellen, ze renden in en uit de schoen.

“Hallo!”, riep hij naar een kleine jongen, die de enige was die niet naar de schoen was gelopen om de moeder te vertellen dat er een grote kat, met laarzen aan, het tuinpad op kwam.

“Jij hebt mooie laarzen”, zei de jongen terwijl hij ernaar keek.

“Ja”, antwoordde de kat, “ik ben best wel trots op mijn laarzen. Maar waarom rennen je broertjes en zusjes weg, waar zijn ze bang voor?” Hij zag ze uit het raam gluren. “Ik zal ze geen kwaad doen”, voegde hij eraan toe.

Op dat moment kwam de oude vrouw, die in de schoen woonde, naar buiten, en toen ze één van haar kinderen zag praten met een vreemde kat die laarzen droeg, haastte ze zich naar hen toe en vroeg: “Ben jij de gelaarsde kat?”

“Nee, maar ik ben wel zijn zoon”, was het snelle antwoord. “Ik ben de gelaarsde kat junior.”

“O ja, natuurlijk”, zei ze. “Ik kende jouw vader jaren geleden, en even vergat ik hoe de tijd vliegt. Ja, we waren heel goede vrienden toen. Hij was een hele fijne kat. Wil je niet binnenkomen?” De oude vrouw draaide zich om naar het schoenhuis. “Het is wel een beetje krap want ik heb al nauwelijks genoeg plek voor al mijn kinderen”, vervolgde ze, terwijl ze erin slaagden zich langs de kinderen in de gang te wurmen.

“Wilt je een kom bouillon?”, vroeg ze. “Het is lunchtijd en ik ga de kinderen net wat geven.”

Hij bedankte haar en zei dat hij dat graag wilde want hij had honger en was moe. De gelaarsde kat ging bij de kinderen zitten, die zich inmiddels op een rij hadden opgesteld, ieder met een lege kom in zijn handen. De bouillon smaakte erg goed, en de gelaarsde kat junior, voelde zich zo veel beter na het eten dat hij een spelletje tikkertje aan de kinderen voorstelde. Ze renden meteen allemaal naar buiten. “Jij bent hem!” riepen de kinderen vrolijk.

Hij ving eindelijk de grootste jongen, en een tijdje deed alsof hij de kleintjes niet te pakken kon krijgen. Ze gilden van plezier terwijl hij ze tussen de bomen door joeg.

Maar het was moeilijk voor de kinderen om de gelaarsde kat junior te vangen. Hij rende een boom in en klom op een tak. Zijn laarzen met rode kappen liet hij naar beneden, boven hun hoofden, bungelen. Toen iedereen het opgaf, kwam hij naar beneden, en nadat hij de oude vrouw met een buiging had bedankt voor haar vriendelijkheid, vervolgde hij zijn reis.

image_pdfDownloadimage_printPrint