De Elfenridder

De herfstwind blies hard rond de torens van een grijs stenen kasteel. Maar binnen knetterde het vuur vrolijk. Bij het haardvuur vertelde een oude verpleegster aan Janet, een mooie dienstmeisje, een bijzonder verhaal over Elfenland. Toen het verhaal afgelopen was, galmde Janet’s vrolijke lach door de gangen. De oude verpleegster knikte ernstig en zei: “Het is algemeen bekend, mijn meisje, dat de mensen van Elfenland rondwaren in de heuvels van Schotland. Kom maar eens dichterbij, dan zal ik je een geheim vertellen.”

Janet leunde naar voren en de oude vrouw fluisterde: “Een Elfenridder, Tam Lin genaamd, waart rond in de heidevelden aan de rand van je vaders landgoed. Geen meisje durft zich in de buurt van de betoverde plaats te wagen, want als ze in de ban zou raken van deze Elfenridder, zou ze verplicht zijn hem een kostbaar juweel te geven als losgeld.”

“Eén glimp van de Elfenridder zou de zeldzaamste edelsteen die ik heb, waard zijn,” lachte Janet. “Wat zou ik graag willen dat ik hem kon zien!”

“Stil!” zei de oude verpleegster bevend. „Nee, stervelingen zouden niets te maken moeten hebben met de mensen van Elfenland. Mijd in ieder geval de heidevelden in deze tijd van het jaar, want morgen is het Halloween, de nacht waarin de Feeën naar het buitenland rijden.”

Maar de volgende ochtend bond Janet haar gouden vlechten om haar hoofd, hief haar groene rok op en trippelde over de betoverde heide. Toen ze dichterbij kwam, zag ze prachtige bloemen bloeien, alsof het midden in de zomer was. Ze bukte zich om wat rozen te verzamelen toen ze plotseling in de verte belletjes hoorde. Ze keek om zich heen en zag dat de knapste ridder, die ze ooit had gezien, op haar af kwam rijden. Hij zat op een melkwit paard dat harder liep dan de wind. Het paard had zilveren hoeven en aan het hoofdstel hingen kleine zilveren belletjes.

Toen de ridder naderbij kwam, sprong hij lichtjes van zijn paard en zei: “Lieve eerlijke Janet, vertel me eens waarom jij rozen plukt in Elfenland?”

Het hart van het meisje klopte heel snel en de bloemen vielen uit haar handen, maar ze antwoordde trots: “Ik ben gekomen om Tam Lin, de Elfenridder, te zien.”

“Hij staat voor je”, zei de ridder. “Ben je gekomen om hem uit Elfenland te bevrijden?”

Bij deze woorden verloor Janet haar moed want ze was bang dat hij haar zou betoveren. Toen de ridder zag hoe ze beefde, zei hij: “Wees niet bang Janet, ik zal je mijn verhaal vertellen. Ik ben de zoon van adelijke ouders. Op een dag, toen ik negen jaar was, ging ik met mijn vader jagen. Nu werden wij per toeval van elkaar gescheiden en ik had pech. Mijn paard struikelde en gooide me op de grond waar ik verdoofd lag door de val. Daar vond de Feeënkoningin me en droeg me naar die groene heuvel daar. Hoewel het in Elfenland zeer aangenaam is, verlang ik er toch naar weer tussen de mensen te leven.”

“Waarom ga je dan niet naar huis?”, vroeg Janet.

“Ach, dat kan ik alleen doen als een mooi dienstmeisje dapper genoeg is om mij te helpen. Zij moet haar moed op drie manieren bewijzen. Eerst moet ze me ontmoeten op de betoverde heide. Dat is al gebeurd”, verklaarde de Elfenridder. Toen stopte hij met praten en keek smekend naar Janet. Al haar angst verdween en ze vroeg: “Op welke manieren moet het meisje haar moed nog meer tonen?”

“Ze moet niet meer bang voor hem zijn. Dat heb je ook gedaan”, zei de ridder.

“Vertel me de derde manier, Tam Lin, want ik geloof dat ik het meisje ben dat jou moet bevrijden.”

“Alleen mijn ware geliefde kan haar moed op de derde manier bewijzen, lieve eerlijke Janet.”

En het meisje antwoordde: “Ik ben je ware geliefde, Tam Lin.”

“Luister dan naar wat ik zeg, dapper meisje. Vanavond is het Halloween. Om middernacht rijden de Feeënkoningin en al haar ridders naar het buitenland. Als je je ware liefde durft te tonen, moet je bij Milescross wachten tot de Feeënkoningin en haar ridders voorbij gereden zijn. Ik zal in haar gevolg zijn.”

“Maar hoe zal ik je herkennen tussen zoveel ridders, Tam Lin?” vroeg Janet toen.

“Ik zal rijden in de derde groep volgers. Laat de eerste twee groepen passeren en zoek me in de derde groep. Er zullen daar slechts drie ridders rijden. Eén op een zwart paard, één op een bruin paard en één op een melkwit paard”, zei de ridder wijzend op zijn eigen paard. “Mijn rechter hand zal gehandschoend zijn maar mijn linker hand zal bloot aan mijn zijde hangen. Aan deze tekenen kun je me herkennen.”

“Ik zal je zeker herkennen”, knikte Janet.

“Wacht rustig tot ik bij je ben. Spring dan naar voren en grijp me vast. Als de Feeën zien dat je me vasthoudt, zullen ze mij in vele vormen veranderen. Maar wees niet bang en houdt me vast in je armen. Uiteindelijk zal ik weer mijn menselijk vorm aannemen. Als je genoeg moed hebt om dit te doen, zul je je ware geliefde bevrijden uit de macht van de Feeën.”

“Ik heb genoeg moed om alles te doen wat je zegt”, verklaarde Janet. Toen bezegelden ze deze belofte met een kus en namen afscheid.

Somber was de nacht, en griezelig was de weg naar Milescross. Maar Janet sloeg haar groene mantel om haar schouders en snelde naar de betoverde heide. De hele weg zei ze keer op keer tegen zichzelf: “Op deze Halloween om middernacht zal ik mijn ware geliefde, Tam Lin, uit Elfenland bevrijden.”

Bij Milescross verstopte ze zich en wachtte. Ze hoorde de wind kreunen boven de heide maar al snel klonk er een vrolijk rinkelend geluid en zag ze in de verte een fonkelend licht. Janet kon haar eigen hart horen kloppen maar ze bleef onverschrokken staan. De Feeënkoningin en haar gevolg reden voorbij. Aan het hoofd van de eerste groep reed de mooie koningin met haar versierde kroon en gordel, die blonken in de nacht. De tweede groep ging snel voorbij. Nu kwamen de drie ridders in de derde groep eraan.

Eén reed op een zwart paard, één op een bruin paard en als laatste kwam er een ridder op een melkwit paard. Janet zag de gehandschoende hand en de andere blote hand van de ridder. Toen sprong het meisje tevoorschijn. Snel greep ze de teugel van het melkwitte paard, trok de ruiter van zijn paard en wierp haar groene mantel om hem heen. Er klonk onmiddellijk rumoer onder de Elfenridders en de Feeënkoningin riep: “Tam Lin, Tam Lin. Eén of andere sterveling houdt Tam Lin vast, de dapperste ridder uit mijn gevolg.”

Toen gebeurden er vreemde dingen. In plaats van Tam Lin hield Janet een grote leeuw in haar armen, die enorm worstelde om weg te komen. Maar ze herinnerde zich de waarschuwing van de ridder: “Houd me vast en vrees me niet.”

Het volgende moment hield ze een vuurspuwende draak vast, die haar bijna ontglipte, maar ze verstevigde haar greep en dacht aan Tam Lin’s woorden. De draak veranderde in een brandende struik en de vlammen schoten aan alle kanten omhoog, maar Janet stond stil en voelde geen pijn. Toen hield ze in haar armen een vertakte boom, vol bloesems. En eindelijk stond Tam Lin, haar ware geliefde, daar.

Toen de Feeënkoningin zag dat geen van haar betoveringen Janet bang kon maken, riep ze boos uit: “Het meisje heeft een statige bruidegom gewonnen die mijn dapperste ridder was. Helaas! Tam Lin is verloren voor Elfenland.”

De Feeënkoningin reed met haar gevolg verder de duisternis in. Tam Lin en Janet haastten zich terug naar het grijze stenen kasteel en daar trouwden Tam Lin, een voorname Schotse graaf, en Janet, het dapperste meisje van Schotland. En ze leefden nog lang en gelukkig.


Downloads