De avonturen van mevrouw IJsbeer

De lange, donkere winter was bijna voorbij. Maanden van koud sterrenlicht en verschrikkelijke winden, met talloze zware sneeuwstormen, waren voorbijgegaan. Beetje bij beetje nam de lichtstreep aan de horizon toe en er blies een zachtere, warme wind; zodat iedereen die in dit verre Arctische gebied woonde in zijn winterslaap wakker werd en er voorbereidingen werden getroffen voor een korte en zeer drukke zomer.

Sommige dieren waren de poolwinter in het buitenland geweest, maar mevrouw IJsbeer had een andere manier om te overleven, ze was diep de sneeuw ingegaan en had voor zichzelf een warm nest uitgegraven. Daar was ze de hele winter gebleven.

En daar werden haar welpen geboren. Twee stuks. Mevrouw IJsbeer vond ze zo mooi dat ze ongeduldig uitkeek naar de warme dagen die zouden komen wanneer ze ze mee naar buiten kon nemen en ze aan haar familie en vrienden kon laten zien.

Op een dag, toen ze omrolden en omhoog keken door de sneeuwgrot, zagen ze voor het eerst iets wat ze nog nooit gezien hadden.

“Dat is de lucht,” legde mevrouw Beer uit. “En wanneer de hemel blauw kleurt gaan we naar buiten en weg.”

Wat dat betekende wisten ze niet; voor zover ze wisten bestond het leven uit eten en slapen en eindeloos spelen op de ijzige vloer van hun grot. Maar ze zouden er snel meer over weten.

Op een ochtend flitste een witte vleugel voorbij en een stem riep door de diepten van hun grot. Het was meneer Burgemeester, de goedaardige meeuw. Hij was gekomen om mevrouw IJsbeer te bezoeken, want hij had haar opwindende informatie voor haar.

“Er is een walvis aangespoeld”

De informatie was heel belangrijk, want een aangespoelde walvis betekende dat al snel gemene mannen met speren en boze honden zouden komen om het vlees, de olie en de huid mee te nemen, maar het betekende ook dat er eten was voor de ijsbeer familie.

Mevrouw IJsbeer legde de situatie uit aan haar welpen. “Natuurlijk zou ik ons huis niet hier hebben gebouwd als ik had gedacht dat de gemene mensen hier zouden komen. Ze komen met hun honden over eindeloze sporen van sneeuw en ijs om ons te vinden, en ze reizen snel. Jullie moeten zo stil mogelijk blijven liggen terwijl ik weg ben. Ga weer slapen als goede kinderen. Ik ga kijken wat er aan de hand is.”

Daarmee stond mevrouw IJsbeer op haar achterpoten en reikte omhoog en klom door de opening naar de klaarlichte dag. Want eindelijk was het echt licht, en een heerlijk glinstering van zonlicht achter de mist wees erop dat de zomer eraan kwam.

Het was heerlijk om de frisse lucht in te ademen, en mevrouw IJsbeer schudde zich heftig om de plooien van haar dikke jas glad te strijken. Ze had graag willen brullen, luid en lang, maar ze wist dat ze stil moest zijn met het aankomende gevaar.

“Je weet nooit wie je hoort”, zei haar eigen moeder altijd.

Plotseling suisden er honderden vleugels boven haar hoofd, en de jammerende kreten van kleine meeuwen en de vele zwermen vogels die zich haastten om van walvisvet te eten. Mevrouw IJsbeer liep de kant van de walvis op; en al snel hoorde ze het geluid van grommende stemmen, het gejank van de ruziënde vossen en het gemene geblaf van de wolven haar oren. Alle dieren streden, allemaal net zo uitgehongerd als zijzelf, om het eten.

Na de eerste happen voelde ze zich goed gehumeurd; want dat is het effect van een maaltijd als je lange tijd niks gegeten hebt.

“Ik moet u bedanken, meneer de Burgemeester”, was haar eerste opmerking. “Dit is een goed begin van de zomer. Ik zal mijn kinderen naar u en uw vrouw vernoemen! Olga en Odin.”

Mevrouw de IJsbeer besloot niet te veel te eten, want haar nicht had een keer zoveel gegeten dat ze prompt in slaap viel en niet meer terug kon lopen naar haar hol. Maar ze probeerde wel zoveel mogelijk voer mee te nemen als ze kon en toen ging mevrouw IJsbeer naar huis om haar baby’s te voeden. En ze hadden geluk, want de gemene mensen waren niet gekomen, dus kon mevrouw IJsbeer nog vaak meer vlees van de walvis halen en aan de kinderen geven.

Eindelijk was de winter echt voorbij, het dak van het sneeuwhuis stortte in en het was tijd om rond te dwalen.

“Je moet precies doen wat ik je zeg,” zei mevrouw IJsbeer steeds, “en je mag geen minuut van me afwijken.”

Toen de kleine Odin en Olga naast hun moeder draafden, met de hele wereld voor zich, waren ze zo alert en opgewonden als twee beren ter wereld maar kunnen zijn.

Het blauwe water, het ijs dat op het oppervlak dreef en glinsterde als wit ivoor in de zon, de groene grasvelden aan de zijkanten van de heuvels en de rotsen zwart van het sneeuwwater, vormden een oogverblindend tafereel.

Hun lange dag begon met een geweldige prestatie van Moeder IJsbeer. Nadat ze naar een brede ijsschots waren gezwommen, dook mevrouw IJsbeer plotseling in het water en verdween uit het zicht. Ze zwom ver weg, haar neus kwam amper boven water en de rest van haar lichaam was volledig verborgen. Toen steeg ze naar de oppervlakte en bracht een enorme vis mee terug die ze had verdoofd met een klap van haar machtige poot.

“Het zit hem allemaal in de manier waarop je in het water glijdt. Zodra je leert jagen, zul je grote afstanden onder water zwemmen,” zei ze, “en je zult moeten leren om het heel stil te doen.”

“We zullen hier de nacht doorbrengen, hier is eten en hier kun je over land of over het water ontsnappen als het moet. Onthoud dat ook, kinderen.”

De kleine Olga bleef even staan om haar hoofd erover te wrijven. Ze probeerde zoveel dingen te onthouden!

De kinderen en hun moeder liepen naar een lekker plekje om te gaan liggen en werden daar verwelkomt door vriendelijke pinguïns. Plotseling hoorde ze een dof gebrul ver beneden.

Het kwam weer en duurde langer. Het was een nieuw geluid voor de kinderen, maar mevrouw IJsbeer herkende het.

“Dat is een ijsberg die uiteenvalt,” zei ze ten slotte. “Geen prettig geluid, maar wel eentje waar je snel aan zult wennen.”

De nacht viel en ze krulden zich alle drie op in een knus hoekje. De wind was hard en de zee rumoerig, maar ze waren goed weggestopt. En toen gebeurde waar moeder IJsbeer zo verschrikkelijk bang voor was.

Want nauwelijks was de zon ondergegaan of de gemene mensen met hun teams van wolfachtige honden waren ter plaatse. Stukje bij beetje waren ze naar de beren toegeslopen.

Mevrouw IJsbeer zou nooit levend het water bereiken; en ontsnappen terug naar het vasteland was onmogelijk. Er waren genoeg honden en mannen aanwezig om de ontsnappingsroutes te dekken.

Maar de dappere moeder IJsbeer voelde de aanwezigheid van de honden en mensen in haar slaap en voordat de kleine Odin en Olga voldoende wakker waren om iets te zien, had mevrouw IJsbeer haar eerste vijanden in een hinderlaag gelokt. Van waar de welpen in hun hoek ineengedoken zaten, zagen ze hun moeder op haar achterpoten achterover leunen en vervolgens met een verschrikkelijke kracht vallen, waarbij ze de honden rechts en links raakte toen ze tussen hen landde. Er klonken donderende geluiden en haar eigen machtige gebrul werd bijna overstemd door het grommen van de honden en het geschreeuw van de mannen.

Plotseling vielen er stukken ijs neer, een ijsberg naast hen was uit elkaar aan het vallen! Mannen en honden renden voor hun leven; en om zichzelf te redden stortten ze zich in zee. Mevrouw IJsbeer wist precies wat ze moest doen, ze ging snel met haar kinderen op een ijsschots staan.

“Straks drijven we naar de eilanden of zo dicht bij de kust dat we terug kunnen zwemmen naar het land.”

Lange weken daarna, toen de wonden van Moeder IJsbeer waren genezen en Odin en Olga inderdaad hadden geleerd hoe ze moesten leven door onder water te duiken en te jagen, kwamen ze bij een smalle baai waar het land aan beide kanten groen was. De afstand tot hun ijsschots was maar klein; en ze stortten zich erin en zwommen eindelijk aan land. Hun vriend, meneer Burgemeester had hij al die weken heen en weer gevlogen over land en zee, hen gevolgd op hun ijskoude schip.

“Je zult merken dat je bij een prachtige kust bent gekomen waar bessen zijn en allerlei verfrissende dingen waar ijsberen van houden. Wat een geluk bij een ongeluk!” zei de meeuw.

“Alles, meneer de Burgemeester,’ zei de geweldige Moeder IJsbeer, terwijl ze uit het water kroop en haar ruige vacht schudde, “alles gebeurt met een reden!”

image_pdfDownloadimage_printPrint