De IJskoning

Er was eens een Indianendorp aan de oever van een brede rivier. In de lente, zomer en herfst waren de bewoners erg gelukkig. Er was genoeg hout en voedsel in de diepe bossen en de rivier gaf uitstekende vis. Maar de Indianen vreesden de maanden waarin de IJskoning regeerde.

Eén winter was het verschrikkelijk koud en leden de mensen in het dorp afschuwelijk. De IJskoning had de noordenwind meegenomen en het bos was bedekt met een enorm pak sneeuw. Daarnaast was de rivier met zo’n dikke laag ijs bedekt, dat de Indianen vreesden dat het nooit meer zou smelten. Hierdoor was het erg lastig om iedereen in de wigwams te voeden. “Wanneer zal de IJskoning ons verlaten?” vroegen ze aan elkaar. “Als hij nog veel langer regeert, dan zullen we allemaal sterven.”

Net toen ze het niet veel langer uit konden houden, werd het lente. De sneeuw begon te smelten en het ijs in de rivier brak in grote stukken. Deze dreven allen stroomafwaarts, op één stuk na, dat op de oever voor het dorp bleef liggen. Toen de Indianen zagen dat de lentezon het ijs niet deed smelten, werden zij angstig. “Het is het huis van de IJskoning”, zeiden ze tegen elkaar. “Zolang hij hier is, zal het nooit meer warm worden. Is er niemand dapper genoeg om het gevecht aan te gaan met deze tiran?”

Eén dappere jongeman besloot de IJskoning te trotseren. Hij nam een grote knuppel mee en sloeg met al zijn kracht op het ijs: ‘Oh wrede IJskoning, ga weg! Jouw tijd is voorbij. Ga weg!” Uiteindelijk lukte het hem om het ijs te breken. “Ga weg!” riep de dappere jongeman nogmaals. En één voor één duwde hij de stukken ijs stroomafwaarts. Toen hij klaar was, verscheen het witte figuur van de IJskoning voor de dappere Indiaan. “Je hebt mijn huis verpest”, zei de reus. “Het winterseizoen is voorbij”, antwoordde de jongeman. “Ga weg!”

“Over een aantal manen, zal ik terugkeren en voor altijd blijven”, dreigde de IJskoning. Toen verdween hij richting het noorden. De mensen in het dorp waren blij dat de dappere jongeman de reus had verslagen, maar ze waren ook angstig door de dreigementen van de IJskoning. “Ik zal mij voorbereiden op een nieuw duel”, sprak de Indiaan. Dit stelde de mensen iets gerust, maar nog steeds vreesden ze de komende winter.

In de herfst, bouwde de jongeman een wigwam naast de rivier, met daarin voldoende hout, olie, dekens en warme kleren. Toen de winter zijn intrede deed, blies de koude noordenwind zonder medelijden en bedekte alles met een laag sneeuw. Het ijs op de rivier was wel een meter dik. “De IJskoning is er”, zeiden de Indianen. “Als hij zich aan zijn dreigementen houdt, dan zullen we allen vergaan.”

Op een bitter koude dag, zat de jongeman in zijn wigwam bij het vuur, toen hij opeens een sterke wind voelde. Uit het niets verscheen daar de IJskoning. Zijn ijzige adem deed de jongeman rillen. “Welkom, IJskoning”, zei hij dapper. “Ik ben gekomen om te blijven”, antwoordde de reus.

De Indiaan bibberde van de kou, maar stond op en begon meer hout op het vuur te gooien. Daarna pakte hij olie en begon het over het hout te strooien. Hij bleef stoken en stoken, totdat de koude lucht in de wigwam werd verdreven door de warmte van het vuur. De IJskoning werd steeds verder teruggedrukt en werd met de minuut zwakker. Zijn ijzige veren of op zijn hoed stonden niet langer fier overeind, maar hingen voor zijn ogen en het zweet gutste over zijn gezicht.

De dappere Indiaan bleef maar stoken. “Spaar mij”, schreeuwde de IJskoning. Maar de jongeman had geen medelijden en gooide meer olie op het vuur. “Heb medelijden, ik smeek het je”, pleitte de IJskoning. Hij stond op en strompelde naar de deur. “Je hebt mij overwonnen”, zei hij met een zwakke stem. “Ik zal vertrekken. Vanaf nu zal ik niet langer proberen om het hele jaar over jullie te regeren. Mijn seizoen zal slechts drie manen duren.”

Zo sloop de IJskoning stilletjes weg en vanaf dat moment duurde de winter nooit meer langer dan drie manen.

Luister naar het verhaal van de IJskoning