Een Kerstvertelling (Volledig boek)

Samenvatting


Een Kerstvertelling is Charles Dickens' meesterlijke novelle over Ebenezer Scrooge, een gierige, kille oude geldschieter die op Kerstavond wordt bezocht door het spook van zijn dode compagnon Jakob Marley. Die waarschuwt hem dat drie geesten hem zullen opzoeken: de Geest van Verleden, Heden en Toekomst. Gedwongen terug te kijken op vergeten vreugdes, getuige te zijn van de stille armoede van zijn klerk Bob Cratchit en diens zieke zoontje Tim, en zijn eigen verlaten doodsbed te aanschouwen, worstelt Scrooge met de vraag of het nog niet te laat is om een ander mens te worden.


Luister naar de audio



Lees online


Hoofdstuk 1: Marley’s Geest

Marley was dood; daarmee willen we beginnen.

Er bestond geen enkele twijfel. Zijn begrafenisakte was door de geestelijke, de koster, de begrafenisondernemer en de voornaamste rouwdrager ondertekend; Scrooge ondertekende die ook, en Scrooges naam had krediet overal waar hij die zette, zelfs op een wissel. De oude Marley was zo dood als een pier.

Lezer, houd in gedachten dat ikzelf niet precies weet in welk opzicht een dode pier doder is dan welk ander dood dier dan ook. Of, en zo ja waarom dat zo is, mogen de wetenschappers beslissen. Genoeg dat die vergelijking afkomstig is uit de wijsheid van onze voorouders, en mijn ongewijde handen zullen daaraan niets veranderen; anders was het met de welvaart van ons land gedaan.

Sta me daarom toe nog eens nadrukkelijk te herhalen dat Marley zo dood was als een pier.

Wist Scrooge dat hij dood was? Natuurlijk wist hij dat. Hoe kon het anders? Scrooge en hij waren, ik weet niet hoeveel jaar lang, vennoten geweest. Scrooge was zijn enige zaakwaarnemer, zijn enige executeur, zijn enige overgebleven erfgenaam, zijn enige vriend—de enige die om hem rouwde. En toch was die enige vriend en erfgenaam door zijn dood niet zó uit het veld geslagen, of hij werkte op de dag van de begrafenis ijverig op zijn kantoor en vierde de rouwplechtigheid met het sluiten van een voordelige koop.

Die begrafenis van Marley brengt me weer terug bij het punt waarvan ik ben uitgegaan. Er viel niet aan te twijfelen: Marley was dood. Dat moet je goed en duidelijk weten, anders zit er niets wonderlijks in het verhaal dat ik van plan ben te vertellen. Waren we niet volkomen overtuigd dat Hamlets vader vóór het begin van het treurspel gestorven was, dan zou er in zijn nachtwandeling, onder een scherpe oostenwind op zijn eigen wallen, niet meer bijzonders gelegen zijn dan wanneer een andere man van middelbare jaren, na het vallen van de avond, op een winderige plek — het St. Paul’s kerkhof bijvoorbeeld — een ommetje maakte om de zwakke geest van zijn zoon de schrik op het lijf te jagen.

Scrooge liet de naam van de oude Marley niet weghalen. Die stond, na zoveel jaren, nog boven de deur van het pakhuis: Scrooge en Marley. De firma stond bekend als Scrooge en Marley. Soms spraken mensen die nog niet lang zaken met hem hadden gedaan Scrooge aan als ‘Scrooge’, soms noemden ze hem ‘Marley’, maar hij gaf in beide gevallen antwoord. Het was hem om het even.

Scrooges hand was een alles dringende, wringende, drukkende, plukkende, grijpende, knijpende, rapende, schrapende hand; met andere woorden: hij was een geldgierige, oude zondaar, zo hard en scherp als een steen waaruit nog nooit staal een vonk had geslagen; gesloten, niet‑mededeelzaam, en zichzelf zo dicht opsluitend als een oester in haar schelp. De koude van zijn hart had zijn verouderde gelaatstrekken als het ware doen bevriezen, zijn spitse neus doen krimpen, zijn wangen gerimpeld en zijn gang verstijfd; zijn ogen rood en zijn dorre lippen blauw gekleurd; ja, die koude was te horen in de vinnige toon van zijn krassende stem. Zijn hoofd, zijn wenkbrauwen en zijn langgerekte kin leken met rijp bedekt. Hij deelde zijn gesteldheid mee aan alles om hem heen; hij maakte zijn kantoor tijdens de hondsdagen zo koud als ijs, zonder er in de kersttijd ook maar één graad warmte aan toe te voegen.

Uitwendige hitte of koude hadden op Scrooge weinig invloed. Geen warmte kon hem behagen, geen winterweer hem verkleumen. Geen gure wind was scherper dan hijzelf, geen jagende sneeuw onvriendelijker, geen slagregen onverbiddelijker. Slecht weer had geen vat op hem. De hevigste stortregens, sneeuw- of hagelbuien wonnen het in één opzicht van hem: die bedaarden nog weleens; Scrooge nooit.

Niemand hield hem ooit op straat staande om hem met een opgewekt gezicht te vragen: ‘Hoe gaat het, Scrooge? Wanneer komt u eens bij me langs?’ Geen bedelaar vroeg hem ooit om een aalmoes; geen kinderen vroegen hem hoe laat het was; geen man en geen vrouw vroeg Scrooge ooit de weg hierheen of daarheen. Zelfs de honden van blinden leken hem te kennen en trokken, zodra ze hem in de verte zagen aankomen, hun baas onder een portiek of een binnenplaatsje in, en kwispelden daarbij benauwd, alsof ze wilden zeggen: ‘Blind zijn is nog beter dan zo’n onheilspellend oog te moeten zien.’

Maar wat kon dat Scrooge schelen? Hij was er juist mee gediend. Zijn levenspad afleggen terwijl hij iedereen waarschuwde zich niet met hem te bemoeien — dát was, zo wisten degenen die Scrooge kenden, wat hij nastreefde.

Op zekere dag — de heugelijkste van alle heugelijke dagen van het jaar — op Kerstavond, was de oude Scrooge op zijn kantoor aan het werk. Het was koud, grauw, scherp weer; mistig erbij, en hij hoorde de voorbijgangers in de steeg blazen, hun armen tegen elkaar slaan en met hun voeten op de stenen stampen om warm te worden. De stadsklokken hadden zojuist drie uur geslagen, maar het was al stikdonker; het was de hele dag niet licht geweest, en in de naburige etalages flakkerden de kaarsen als roodachtige vetvlekken tegen een lucht die zo dik was dat je haar bijna met je handen kon betasten. Door alle kieren en sleutelgaten drong de mist naar binnen, en buiten was hij zo dicht dat, hoewel de steeg nauw was, de huizen ertegenover wel op spoken leken. Bij het neerzijgen van die donkere nevel zou je gezegd hebben dat de Natuur daar dichtbij woonde en bezig was haar buien te brouwen.

De deur van Scrooges kantoor stond open, zodat hij een oogje kon houden op zijn klerk, die in een akelig celletje daarachter brieven zat over te schrijven. Scrooge zat bij een zeer klein vuurtje, maar dat van de klerk was nog zoveel kleiner dat het wel op een enkel kooltje leek. Hij kon het echter niet aanvullen, want Scrooge hield de kolenbak in zijn eigen kamer; en zo vaak de klerk met de schep binnenkwam, kon hij erop rekenen te horen: ‘Als het zo moet, zullen we wel van elkaar afscheid moeten nemen.’ Daarom trok de klerk liever zijn jas aan en probeerde zich bij de kaars te warmen, maar omdat hij geen man met een levendige verbeelding was, wilde dat niet lukken.

‘Ik wens u een vrolijke Kerstdag, oom! Heil en zegen erbij!’ riep een vrolijke stem. Het was Scrooges neef, die zo vlug was binnengekomen dat de oom zijn aanwezigheid nog niet had bemerkt.

‘Bah!’ zei Scrooge. ‘Malligheid! Allemaal malligheid!’

Scrooges neef had door in de mist en vorst te lopen zo’n warmte opgedaan dat hij ervan gloeide. Hij had een blozend en knap gezicht, zijn ogen fonkelden en je kon de adem uit zijn mond zien opstijgen.

‘Is Kerstmis dan maar malligheid, oom?’ zei Scrooges neef. ‘Dat meent u toch niet?’

‘Dat meen ik wel,’ zei Scrooge. ‘Een vrolijke Kerstdag! Welke reden hebt u om vrolijk te zijn? U bent toch een arme drommel.’

‘Wel,’ hernam Scrooges neef vrolijk, ‘welke reden hebt ú om treurig te zijn? Welke reden om knorrig te zijn? U bent toch een rijk man?’

Scrooge, die voor dat ogenblik geen beter antwoord wist te geven, zei weer: ‘Bah! Malligheid! Allemaal malligheid!’

‘Wees toch niet zo knorrig, oom!’

‘Wat kan ik anders zijn,’ antwoordde de oom, ‘als ik in zo’n wereld vol zotternij moet leven? Een vrolijke Kerstdag! Weg met die vrolijke Kerstdag! Wat is Kerstdag anders dan een tijd om je rekeningen te betalen zonder geld — een tijd waarin je een jaar ouder en geen uur rijker bent geworden — een tijd om je balans op te maken en al je posten van de afgelopen twaalf maanden als dode letters geboekt te zien? Als ik mijn zin had,’ ging Scrooge brommig verder, ‘dan zou ik elke zot die met “vrolijke Kerstdag!” op de lippen rondloopt met zijn eigen kerstkoek laten roosteren en braden en hem, met een hulsttak door zijn hart gestoken, laten begraven — dat zou ik!’

‘Oom!’ zei de neef.

‘Neef!’ antwoordde de oom ernstig. ‘Vier Kerst op uw manier en laat mij het op de mijne doen.’

‘Vieren!’ herhaalde Scrooges neef. ‘Maar u viert hem helemaal niet.’

‘Laat dat aan mij over,’ zei Scrooge. ‘Moge hij u veel goed doen! Hij heeft u tot nu toe ook al veel goeds gebracht!’

‘Er zijn veel dingen waaruit ik veel goeds had kunnen halen, maar waarvan ik moet zeggen dat ik er geen gebruik van heb gemaakt,’ hernam de neef, ‘en daaronder hoort Kerstmis. Ik verzeker u dat ik telkens wanneer Kerstmis terugkwam — naast het eerbiedige dat men aan zijn gewijde naam en oorsprong verschuldigd is, als je al het overige ervan kunt losdenken — hem heb beschouwd als een goede dag: een dag van blijdschap, liefde en vergeving; de enige van het jaar, voor zover ik weet, waarop mannen en vrouwen, als in stilzwijgend onderling akkoord, elkaar hun hartsgeheimen openbaren en aan mensen van lagere stand denken als aan hun reisgenoten naar het graf, en niet als aan een andere soort wezens met een andere bestemming. Om die reden, oom, geloof ik dat die dag, al heeft hij mij nog nooit een splinter goud of zilver in de zak gebracht, mij toch goed heeft gedaan en goed zal blijven doen. Daarom zeg ik dan ook: God zegene hem!’

De klerk juichte hem onwillekeurig toe, maar terwijl hij tegelijk het ongepaste daarvan inzag, ging hij het vuur oppoken — en doofde daarmee het laatste overgebleven vonkje.

‘Laat ik van u niet weer zo’n geluid horen,’ zei Scrooge, ‘of u viert uw Kerstdag met het verlies van uw betrekking. U bent al een welsprekend redenaar, meneer!’ voegde hij eraan toe, terwijl hij zijn neef aankeek. ‘Het verbaast me werkelijk dat u nog geen lid van het parlement bent.’

‘Beste oom, wees toch niet zo bitter knorrig! Kom, beloof me morgen bij ons te komen eten.’

Scrooge zei dat hij hem wel eens wilde komen zien — jawel, dat wilde hij — maar toen hij de zin afmaakte, kwam het erop neer dat hij hem pas wilde zien in zijn uiterste ellende.

‘Hoezo?’ vroeg Scrooges neef. ‘Wat bedoelt u daarmee?’

‘Wel, waarom bent u zo gek geweest om te trouwen?’

‘Omdat ik verliefd was.’

‘Omdat u verliefd was!’ bromde Scrooge, net alsof verliefd zijn, ná het vieren van een vrolijke Kerstdag, de bespottelijkste zaak ter wereld was. ‘Goedendag!’

‘Nee, oom! U bent eerder ook nooit bij mij gekomen. Waarom zou u het nu tot een reden maken dat u niet komen wilt?’

‘Goedendag!’ bromde Scrooge.

‘Ik heb niets van u nodig. Ik vraag u om niets. Waarom zouden we geen vrienden zijn?’

‘Goedendag!’ bromde Scrooge.

‘Het spijt me oprecht dat u zo onverzettelijk blijft. We hebben nooit ruzie gehad; ik heb me in niets tegen u gekeerd. Maar ter ere van Kerst heb ik de poging gewaagd, en ik wil tot het laatst toe mijn kerststemming behouden — en daarom nog eens: ik wens u een vrolijke Kerstdag, oom!’

‘Goedendag!’ bromde Scrooge.

‘En een gelukkig nieuwjaar!’

‘Goedendag!’ bromde Scrooge.

En toch verliet zijn neef tevreden de kamer. Hij bleef aan de buitendeur staan om de klerk — die, hoe koud hij ook was, toch warmer was dan Scrooge — het compliment van de dag te brengen; en die beantwoordde het hartelijk.

‘Daar hebben we er nog één,’ mopperde Scrooge, die het gehoord had. ‘Mijn klerk, die vijftien shilling per week verdient en daarbij een vrouw en kinderen heeft, praat óók al van een vrolijke Kerstdag. Eerlijk waar, ik wil naar het dolhuis.’

Toen die vermeende krankzinnige (de klerk) Scrooges neef uitliet, liet hij tegelijk twee anderen binnen. Het waren keurige heren met een welwillend voorkomen, die nu, met hun hoed in de ene hand en boeken en papieren in de andere, in Scrooges kantoor stonden. Ze bogen beleefd voor hem.

‘De heren Scrooge en Marley, geloof ik?’ zei een van hen, terwijl hij de naamlijst die hij in de hand hield, raadpleegde. ‘Wie van de heren heb ik het genoegen te spreken, meneer Scrooge of meneer Marley?’

‘Meneer Marley is nu sinds zeven jaar dood,’ antwoordde Scrooge. ‘Hij stierf zeven jaar geleden, juist vanavond.’

‘We twijfelen er allerminst aan,’ hernam de ander, terwijl hij zijn referenties overhandigde, ‘of zijn overgebleven vennoot ons met dezelfde milddadigheid als hij te hulp wil komen.’

Het was ook zo; Scrooge wilde hun even zo milddadig bijspringen als Marley gewild had, want beider zielen waren van dezelfde klei gebakken. Bij het onheilspellende woord ‘milddadigheid’ trok hij zijn wenkbrauwen op, schudde zijn hoofd en gaf hem zijn referenties terug. ‘Op deze heugelijke dag van het jaar, meneer Scrooge,’ hervatte hij, terwijl hij een pen pakte, ‘is het meer dan gewoonlijk te wensen dat we voor de armen en behoeftigen, die het in deze tijd hard, bitter hard hebben, enige voorraad aan levensmiddelen inzamelen. Vele duizenden ontberen de meest gewone benodigdheden; vele duizenden missen de allernoodzakelijkste dingen, meneer!’

‘Zijn er geen gevangenissen?’ vroeg Scrooge.

‘Die zijn er volop,’ antwoordde de ander, die intussen de pen neerlegde.

‘En de werkhuizen van de armenvereniging?’ ging Scrooge verder. ‘Zijn die niet langer in werking?’

‘O jawel, die zijn het nog,’ antwoordde een van de heren, en voegde eraan toe: ‘Ik zou willen dat ik kon zeggen dat het niet zo was.’

‘De tredmolen en de Armenwet zijn dus nog altijd van kracht?’ vroeg Scrooge.

‘Nog altijd van kracht, meneer!’

‘Zo? Uw eerste woorden deden me vrezen dat er iets gebeurd was waardoor die nuttige instellingen zouden zijn opgeschort,’ zei Scrooge. ‘Het verheugt me het tegendeel te horen.’

‘Gedreven door de overtuiging dat ze onvoldoende zijn om de grote massa enig christelijk genoegen of lichamelijke verkwikking te verschaffen,’ hernam de collectant, ‘hebben enkelen van ons de krachten gebundeld om een fonds te vormen, waaruit we voor de armen wat eten en drinken, iets om zich te verwarmen, kunnen kopen. We hebben juist deze tijd gekozen, omdat het de periode is waarin de armen hun nood het scherpst voelen en de overvloed zich het blijmoedigst verheugt. Hoeveel mag ik achter uw naam noteren?’

‘You wish to be anonymous?’

‘Geen enkele schelling!’ antwoordde Scrooge.

‘Dan wenst u als deelnemend lid ongenoemd te blijven?’

‘Ik wil met rust gelaten worden,’ zei Scrooge. ‘Dat is alles wat ik u te zeggen heb, heren—omdat u het me vraagt. Ik ben niet gewend me op Kerstmis bijzonder te verheugen en ik wens niets bij te dragen om luie leeglopers een vrolijke dag te bezorgen. Ik draag mijn deel bij aan het in stand houden van de instellingen waarover ik sprak; dat kost me al meer dan genoeg, en de sukkels die in verlegenheid zitten, kunnen zich daar aanmelden.’

‘Heel velen kúnnen dat niet, en anderen sterven liever.’

‘Als ze liever sterven, dan moeten ze dat ook maar doen,’ zei Scrooge, ‘om de bevolking van hun overtollige aanwezigheid te ontlasten. Bovendien—neemt u me niet kwalijk, meneer!—maar ik heb daar geen weet van.’

‘U zóu daar echter wél weet van moeten hebben,’ merkte de collectant op.

‘Het zijn mijn zaken niet,’ hernam Scrooge. ‘Het is genoeg wanneer iemand zich met zijn eigen zaken bemoeit en zich niet met die van een ander inlaat. Die van mij bezorgen me werk genoeg. Goedendag, heren!’

De collectanten begrepen maar al te goed dat ze hier aan dovemans deur klopten, en gingen heen; Scrooge hervatte met een hoge dunk van zichzelf zijn arbeid en was daarbij beter geluimd dan hem in lange tijd was overkomen.

De mist en de duisternis namen intussen zó toe dat overal mensen met brandende fakkels rondliepen en hun dienst aanboden om voor de paarden van de rijtuigen uit te lopen en de koetsiers de weg te wijzen. De oude kerktoren—waarvan de brommende klok, vanuit een gotisch venstertje in de muur, op Scrooges huis neerkeek—werd helemaal onzichtbaar, en de klok sloeg de uren en kwartieren met zo’n trillende nagalm in de wolken, alsof ze van de kou stond te klappertanden. De vorst werd hoe langer hoe snerpender. In de brede straat waar de steeg op uitkwam, waren enkele arbeiders bezig de gaspijpen te repareren; ze hadden een groot vuur in een kolenpot gestookt, waaromheen een menigte arme lieden en jongens in gescheurde kleren, opgetogen van vreugde, naar de vlam zat te knipogen en de handen warmde. Het schitterende licht van de winkels, in wier etalages takjes en hulstbessen, geknetterd door de warmte van de gaslampen, lagen te glanzen, wierp een rode gloed over de bleke gezichten van de voorbijgangers. De vogelhandels en kruidenierszaken boden een sierlijke vertoning, waardoor je je haast niet kon voorstellen dat zulke alledaagse dingen als kopen en verkopen ermee te maken hadden. De Lord Mayor gaf in zijn prachtige residentie zijn vijftigtal koks en keldermeesters opdracht Kerstmis te vieren zoals het de huishouding van een Lord Mayor betaamde; en zelfs de kleermaker die hij de maandag ervoor tot een boete van vijf schelling had veroordeeld omdat hij zich op straat schuldig had gemaakt aan dronkenschap en vechterij, zat op zijn zolderkamertje zijn pudding voor de volgende dag te bakken, terwijl zijn vrouw met hun jongetje aan de hand uitging om biefstuk te halen.

Het bleef mistig en koud—doordringend, scherp, snerpend koud. Had de goede Sint Dunstan de duivel nu eens zulk een weer om de punt van zijn neus laten waaien in plaats van zijn gewone wapen tegen hem te gebruiken, dan had hij hem vast huizenhoog laten schreeuwen. Een klein dreumesje met een wipneusje, rillend van de kou en pruilend van de honger, bleef bij het sleutelgat van Scrooges huis staan om hem te vergasten op een kerstlied; maar nauwelijks had deze de eerste tonen gehoord:

‘Geluk en zegen op deze dag!
Dat geen leed u treffen mag!’

of hij greep met zulk een drift de liniaal van zijn lessenaar, dat de kleine zanger niet wist hoe snel hij van het sleutelgat weg moest komen.

Eindelijk sloeg het gewone uur om het kantoor te sluiten. Scrooge stond met tegenzin van zijn stoel op, zei het tegen de klerk—die er al reikhalzend naar verlangde—en die doofde meteen zijn kaars en pakte zijn hoed.

‘U wilt morgen zeker de hele dag vrij hebben, denk ik?’ zei Scrooge.

‘Als u het goedvindt, meneer!’

‘Het bevalt me niet, en het is ook niet billijk,’ hernam Scrooge. ‘Als ik u er een halve kroon voor in de hand stopte, durf ik te wedden dat u niet eens tevreden zou zijn.’

De klerk glimlachte.

‘En toch vindt u dat ík tevreden moet zijn als ik een hele dag loon betaal zonder dat u iets voor me doet.’

De klerk merkte op dat het maar één keer per jaar gebeurde.

‘Dat is een beroerde smoes om iemand elk jaar op 26 december te bestelen!’ zei Scrooge, terwijl hij zijn jas tot onder zijn kin dichtknoopte. ‘Maar ik dacht al dat u de hele dag vrijaf wilde hebben. Kom dan overmorgen des te eerder hier!’

De klerk beloofde het, en Scrooge mopperde weg. Het kantoor was in een oogwenk gesloten en de klerk ging, met de lange panden van zijn rok om zijn benen zwiepend (want een overjas had hij niet), ter ere van Kerstavond wel twintig keer langs een rij straatjongens een glijbaantje op Cornhill af. Daarna liep hij zo hard als hij kon naar zijn huis in Camden Town om de rest van de avond blindemannetje te spelen.

Scrooge ging naar zijn gebruikelijke sombere herberg om zijn karige maaltijd te gebruiken, en nadat hij alle kranten had gelezen en zich de rest van de avond met zijn grootboek had vermaakt, ging hij naar huis om te slapen. Hij woonde op kamers die vroeger aan zijn overleden compagnon hadden toebehoord. Het waren in elkaar overlopende vertrekken in een tamelijk vervallen huis aan een pleintje, waar het zo weinig paste dat je haast zou denken dat het, in zijn jeugd met andere huizen verstoppertje spelend, zich daar had verstopt en er later niet meer uit had weten te komen. Nu was het behoorlijk oud en somber, want niemand woonde er behalve Scrooge, terwijl alle andere vertrekken als kantoren waren verhuurd. Het pleintje was zo donker dat zelfs Scrooge, die er elke steen kende, met zijn handen moest tasten. Aan het oude, donkere portaal van zijn huis hingen mist en rijp zo dik dat het leek alsof de geest van het weer, in somber gepeins verzonken, op de drempel was neergestreken.

Over de klopper aan de deur valt niets bijzonders te zeggen, behalve dat hij zeer groot was. Het is een feit dat Scrooge hem, zolang hij daar woonde, ’s morgens en ’s avonds telkens had gezien. Even zeker is dat Scrooge net zo rijkelijk met verbeeldingskracht was toegerust als welke bewoner van de City van Londen ook—en dat wil wat zeggen, de leden van de gemeenteraad en de gildebroeders niet uitgezonderd. Houd daarbij in gedachten dat Scrooge sinds het moment dat hij, eerder die dag, over zijn compagnon had gesproken—die nu zeven jaar geleden gestorven was—helemaal niet meer aan Marley had gedacht. Leg me dan maar eens uit hoe het kwam dat Scrooge, juist toen hij de sleutel in het slot stak, in de klopper—zonder dat die ook maar enige zichtbare verandering had ondergaan—niet de klopper zag, maar Marleys gezicht. Ja, Marleys gezicht; niet gehuld in de ondoordringbare duisternis die alle andere dingen op het pleintje omhulde, maar met een akelige gloed eromheen, bijna als die van een bedorven kreeft in een kelder. Het keek niet boos of grimmig; o nee, het keek hem aan precies zoals Marley bij leven gewend was Scrooge aan te kijken; alleen droeg hij een spookachtige bril die tegen zijn spookachtige voorhoofd gedrukt zat. Zijn haren bewogen zich op een vreemde manier, alsof het door wind of door hete lucht kwam; en hoewel zijn ogen wijd openstonden, waren ze volmaakt strak en onbeweeglijk. Dat, met de doodskleur die erop lag, was het enige wat het akelig maakte; maar die akeligheid leek, tegen de wil van het gelaat in en buiten zijn macht, een uitdrukking van zijn gevoel.

Terwijl Scrooge dit verschijnsel aandachtig bekeek, werd het weer wat het geweest was: een klopper. Zeggen dat hij niet geschrokken was, of dat zijn bloed niet een gewaarwording onderging die hij sinds zijn kindertijd nooit had gevoeld, zou een leugen zijn; maar hij greep de sleutel, die hij had laten zakken, draaide hem fors om, ging naar binnen en stak zijn kaars aan.

Voordat hij de deur sloot, bleef hij even besluiteloos staan; toen keek hij voorzichtig achter de deur, alsof hij bijna verwachtte opnieuw te schrikken, of Marleys pruikstaart in het portaal te zien uitsteken. Maar hij zag niets achter de deur behalve de schroeven en spijkers waarmee de klopper vastzat. Daarom zei hij niets anders dan: ‘Wel zo, wel zo!’ en smeet de deur met een ruk dicht.

De klap galmde door het huis als een donderslag. Alle vertrekken boven, en alle vaten in de kelder van de wijnhandelaar beneden, leken de klap te herhalen. Scrooge was niet iemand die zich door een echo liet afschrikken. Hij sloot de deur, liep de gang door, de trap op, en knipte, terwijl hij naar boven ging, de lont van de kaars bij.

Men mag dan wel beweren dat een met zes paarden bespannen rijtuig tegen een oude wenteltrap op kan rijden; wat ik maar wil zeggen is dat op die trap naar Scrooges kamer een lijkbaar, dwars gehouden, heel gemakkelijk naar boven had kunnen worden gedragen. Zo breed was de trap; dáárom alleen verbeeldde Scrooge zich in die duisternis een lijkbaar te zien voorbijgaan. Een half dozijn straatgaslampen had de trap nog nauwelijks voldoende verlicht; je begrijpt dus dat het met Scrooges nachtkaarsje flink duister was.

Zonder er acht op te slaan ging Scrooge verder naar boven; duisternis is goedkoop, en Scrooge hield van alles wat goedkoop was. Maar voordat hij zijn zware deur op slot deed, liep hij eerst al zijn kamers door om te kijken of alles in orde was. Het beeld van de klopper stond hem nog net genoeg voor ogen om hem daartoe te bewegen.

In zijn zitkamer, zijn slaapkamer en zijn bergkamer was alles zoals het hoorde. Er zat niemand onder de tafel; er lag niemand onder de sofa; in de haard brandde een klein vuurtje; zijn bord stond klaar met zijn lepel ernaast en de steelpan met de gortpap (want Scrooge was verkouden) stond op het haardrek. Onder het bed lag niemand; in het buffet zat niemand; niemand verborg zich in zijn nachtjapon, die anders al vrij bedenkelijk daar aan de wand hing. De bergkamer was in dezelfde toestand als gewoonlijk: een oude haard, een paar oude schoenen, een paar viskorfjes, een wastafeltje op drie poten en een pook—dat was alles.

Hij sloot, volkomen gerust, zijn deur met het nachtslot, zodat niemand bij hem kon komen—iets wat anders niet zijn gewoonte was. Zo tegen elke overrompeling beveiligd maakte hij zijn halsdoek los, trok zijn nachtjapon en pantoffels aan en zette zijn nachtmuts op; zo ging hij bij het vuur zitten om zijn gortpap te eten.

Het was een heel sober vuurtje, dat op zo’n koude avond niets voorstelde. Hij moest er heel dicht bij schuiven en zijn handen erboven houden voordat hij van zo’n handvol brandstof ook maar het minste beetje warmte kon genieten. De haard was verroest, jaren geleden door een of andere Hollandse koopman gebouwd en rondom betegeld met gladde Hollandse tegeltjes die de verhalen uit de Heilige Schrift verbeeldden. Je zag er Kains en Abels; dochters van de farao; koninginnen van Scheba; engelen die op wolken als verenbedden uit de lucht kwamen zakken om een boodschap te brengen; Abrahams; Belsazars; apostelen die in boterschuiten een overzeese reis gingen maken; kortom: honderden figuren om zijn aandacht op te vestigen. En te midden van dat alles drong het gezicht van de al zeven jaar gestorven Marley, als de staf van de profeet, zich steeds weer aan hem op en wiste al het andere uit. Als elk van die gladde steentjes wit was geweest, zodat hij er zijn gedachten op had kunnen projecteren, dan was er zeker niet één geweest waarop niet Marleys gezicht had gestaan.

‘Malligheid!’ zei Scrooge, en hij liep onrustig door zijn kamer heen en weer.

Na een paar van die toertjes ging hij weer zitten. Toen hij zijn hoofd achterover tegen de leuning van zijn stoel liet rusten, viel zijn oog toevallig op een in onbruik geraakte kamerbel die verbonden was met een vertrek op de bovenverdieping. Tot zijn grootste verbazing en met een onuitsprekelijke vrees zag hij dat die bel begon te slingeren. In het begin bewoog hij zo langzaam dat er bijna geen geluid uit kwam, maar weldra begon de bel te klingelen en tegelijk ermee sloegen alle andere bellen in het huis aan.

Dat zal een halve minuut tot een minuut geduurd hebben, maar voor Scrooge was het zo goed als een jaar. De bellen hielden op, net zoals ze tegelijk begonnen waren, ook tegelijk stil. Daarop klonk van heel laag in huis een rinkelend gerammel, alsof iemand een zware ketting over de vaten in de kelder van de wijnhandelaar haalde. Scrooge herinnerde zich vaag gelezen of gehoord te hebben dat geesten die in huizen rondspoken vaak worden beschreven als slepend met kettingen.

De deur van de wijnkelder vloog met een sombere klap open; hij hoorde het gerammel veel duidelijker over de vloer van de benedenkamers, vervolgens de trap op en ten slotte tot aan zijn kamerdeur komen.

‘Het is toch heus malligheid!’ zei Scrooge. ‘Ik geloof er niet aan.’

Toch verschoot hij van kleur toen het spook voor zijn ogen, door de dikke deur heen, zijn kamer binnenkwam. Op dat moment laaide de vlam van het vuur, die al onder de as gloeide, helder op alsof ze zeggen wilde: ‘Ja, ja, ik ken hem wel: het is Marleys geest!’ — en doofde toen weer.

Het was zijn gezicht; helemaal zijn gezicht. Marley, met zijn dunne staart in zijn nek, met hetzelfde kamizool, met dezelfde broek en dezelfde laarzen aan. De kwastjes van die laarzen stonden recht overeind, net als zijn staart, de panden van zijn rok en de haren op zijn hoofd. De ketting die hij meesleepte zat om zijn middel vast. Ze was van aanzienlijke lengte, omwikkelde hem als een staart, en was — zoals Scrooge van dichtbij duidelijk zag — vervaardigd uit geldkistjes, sleutels, hangsloten, grootboeken, schuldbekentenissen en zware, van staal gevlochten beurzen. Zijn lichaam was volkomen doorzichtig, zodat Scrooge, die hem nauwkeurig opnam en door zijn vest heenkeek, de twee achterknopen van zijn rok kon zien.

Scrooge had vaak horen zeggen dat Marley ‘geen ingewanden had’, maar had dat nooit kunnen geloven. Zelfs nu geloofde hij het eigenlijk nog niet. Hoewel hij het spook door en door zag en vlak voor zich zag staan; hoewel hij de verkleumende invloed van zijn spokerige ogen voelde en tot in het weefsel toe de doek kon onderscheiden die om hoofd en kin vastgeknoopt zat — een omwinding waarin hij hem vroeger nooit had gezien — geloofde hij het toch niet en vocht hij tegen zijn eigen zintuigen.

‘Wel?’ vroeg Scrooge, zo bars en wrevelig als altijd. ‘Wat wilt u van me?’

‘Heel veel.’ Marleys stem; daaraan viel niet te twijfelen.

‘Wie bent u?’

‘Vraag me wie ik wás.’

‘Wie wás u dan?’ vroeg Scrooge, met verheffing van stem. ‘U bent al een zonderling wezen voor een schim.’ Hij had bijna gezegd: ‘in uw hoedanigheid van schim’, maar bedacht dat het andere beter klonk.

‘Toen ik leefde, was ik uw compagnon, Jakob Marley.’

‘Kunt u op een stoel gaan zitten?’ vroeg Scrooge, op een toon alsof hij daar enigszins aan twijfelde. ‘Doe het dan.’

Scrooge stelde die vraag omdat hij niet wist of zo’n doorzichtige geest wel in staat zou zijn een stoel te gebruiken en begreep dat, als hij het níét kon, daar een lastig te verklaren gevolg aan vastzat. Maar de geest ging, alsof het de gewoonste zaak was, in het andere hoekje bij de haard zitten.

‘U gelooft niet in mij,’ begon de geest.

‘Dat doe ik ook niet,’ zei Scrooge.

‘Welk bewijs van mijn werkelijke aanwezigheid verlangt u, behalve dat van uw zintuigen?’

‘Dat weet ik niet.’

‘Waarom twijfelt u aan uw zintuigen?’

‘Omdat een geringe oorzaak al genoeg is om ze te beïnvloeden. Een lichte maagklacht maakt ze bedrieglijk. Uw verschijning is misschien het gevolg van een onverteerd stuk rundvlees, wat mosterd, een korstje kaas of een halfgare aardappel. U mag zijn wat u wilt, maar u hebt meer van water en wind dan van vaste substantie!’

Scrooge gaf zich zelden aan scherts over, en nu al helemaal niet. Hij deed nu zijn best om grappig te lijken, enkel om zijn aandacht af te leiden en zijn schrik de baas te blijven; want de stem van het spook ging hem tot in het merg. Scrooge begreep dat hij het best gewonnen spel zou hebben als hij een paar ogenblikken zwijgend in die starre, glazige ogen staarde. Het akeligste was dat het spook als door een eigenaardige helse atmosfeer omgeven leek. Scrooge voelde er zelf niets van, maar het was kennelijk zo; want hoe onbeweeglijk de geest ook zat, zijn haren, rokspanden en kwastjes bleven, alsof door hete ovendamp, omhoog rijzen.

‘Ziet u deze tandenstoker?’ vroeg Scrooge — om de zojuist genoemde reden snel weer de aanval opnemend en verlangend die starre blik ook maar één seconde van zichzelf af te leiden.

‘Ja,’ zei de geest.

‘U kijkt er nochtans niet naar,’ zei Scrooge.

‘En toch zie ik hem.’

‘Goed dan,’ vervolgde Scrooge. ‘Ik hoef hem maar door te slikken om voor de rest van mijn leven gekweld te worden door een zwerm spoken van mijn eigen vinding. Malligheid, zeg ik u — malligheid en niets anders!’

De geest slaakte een vreselijke gil en rammelde zo verschrikkelijk met zijn ketting dat Scrooge zich krampachtig aan zijn stoel vastklemde, uit angst flauw te vallen. Maar hoe veel groter werd zijn schrik toen het spook de doek losmaakte die het om zijn hoofd droeg — alsof die hem binnenshuis te warm was — en zijn onderkaak helemaal op zijn borst neerzonk!

Scrooge viel op zijn knieën en sloeg zijn handen voor zijn gezicht. ‘Genade!’ riep hij. ‘Afschuwelijke verschijning, waarom verstoort u mijn rust?’

‘Man van wereldse gezindheid!’ antwoordde de geest. ‘Gelooft u in mij, of gelooft u niet in mij?’

‘Ja,’ zei Scrooge. ‘Ik moet wel. Maar waarom doorkruisen de geesten de aarde, en waarom komen ze naar mij?’

‘Van ieder mens,’ gaf de geest ten antwoord, ‘wordt verlangd dat de geest die in hem is onder zijn naasten wijd en zijd zal rondgaan. Doet die geest dat niet tijdens zijn leven, dan wordt hij gedoemd het na zijn dood te doen. Hij wordt gedoemd — wee mij! — om door de wereld te zwerven en getuige te zijn van wat hij niet kan delen, maar waarvan hij op aarde deel hád kunnen hebben en zijn geluk had kunnen bevorderen!’

De geest slaakte opnieuw een gil, rammelde met zijn ketting en wrong zijn schimmige handen.

‘U bent geketend,’ zei Scrooge bevend. ‘Zeg me waarom.’

‘Ik tors de ketenen die ik mijzelf, toen ik leefde, gesmeed heb,’ antwoordde de geest. ‘Ik maakte ze schalm voor schalm, stukje na stukje. Ik heb me er vrijwillig mee geboeid en droeg ze uit vrije wil. Is het, denkt u, te verwachten dat iemand zich omringd ziet door een ijzeren ketting van vijftig of zestig vadem lengte?’ Scrooge keek om zich heen, maar hij zag niets.

‘Jakob,’ zei hij smekend. ‘Oude Jakob Marley! Vertel meer. Spreek toch woorden van troost tot me, Jakob!’

‘Die heb ik niet voor u,’ hernam de geest. ‘Die komen uit een ander gewest, Ebenezer Scrooge! en worden door andere dienaren aan een ander soort mensen gebracht. Ik kan u niet eens alles vertellen wat ik zou willen. Heel weinig meer — dat is alles wat mij is toegestaan. Ik kan nergens blijven, ik kan nergens toeven, ik kan nergens rusten. Mijn geest kwam nooit verder dan onze kantoorkamer — let daar eens op — tijdens mijn leven kwam mijn geest niet buiten de grenzen van ons wisselaarshol, en ik heb nog vermoeiende omzwervingen af te leggen.’

Scrooge had de gewoonte, wanneer hij nadacht, zijn handen in zijn broekzakken te steken. Terwijl hij overdacht wat de geest hem zojuist had gezegd, deed hij dat nu ook, zonder zijn ogen op te slaan of van zijn knieën op te staan.

‘Dan moet ze wel langzaam daarmee te werk zijn gegaan, Jakob!’ merkte Scrooge op, op een toon alsof hij over zijn gewone zaken sprak, maar toch met eerbiedig ontzag.

‘Langzaam?’ herhaalde de geest.

‘Zeven jaar dood geweest,’ zei Scrooge peinzend. ‘En al die tijd gereisd?’

‘Al die tijd,’ herhaalde de geest. ‘Ik heb geen rust of vrede gehad, maar wel de knaging van onafgebroken berouw gevoeld.’

‘Reist u snel?’ vroeg Scrooge.

‘Op de teugels van de wind,’ antwoordde de geest.

‘Dan zult u in die zeven jaar al heel wat gezien hebben.’

Het spook gaf weer een gil en rammelde in de stilte van de nacht zo verschrikkelijk met zijn ketting, dat de wacht hem met recht wegens verstoring van de openbare rust had kunnen aanklagen.

‘Hoe vast en dubbelgeklonken moet men wel geboeid zijn,’ riep het spook uit, ‘om niet te weten dat eeuwen van onafgebroken werkzaamheid van onsterfelijke wezens, ten behoeve van deze wereld, in de eeuwigheid verzwolgen moeten worden vóór al het goede is ontwikkeld waartoe zij vatbaar is; om niet te weten dat voor elke christelijke ziel, bezig in haar kleine werkkring — welke die ook is — haar sterfelijk leven te kort is voor het uitgebreide nut dat zij kan stichten; om niet te weten dat geen eeuwig berouw toereikend is om voor het misbruik van de ogenblikken van het leven te boeten! En dat ben ík geweest; helaas, dat ben ík geweest!’

‘U bent toch altijd een werkzaam man in uw zaken geweest, Jakob!’ stotterde Scrooge, die het nu op zichzelf begon toe te passen.

‘In míjn zaken!’ riep de geest uit, zijn handen wringend. ‘De mensheid had mijn zaak moeten zijn; het welzijn van allen; weldadigheid, christelijke liefde, inschikkelijkheid en welwillendheid oefenen — dat alles had mijn zaak moeten zijn. De werkzaamheden van mijn handel waren slechts een druppel in de wijdomvattende oceaan van mijn plichten!’

Hij hield, zo ver als zijn arm reikte, zijn ketting omhoog, alsof die de oorzaak van zijn nutteloze jammer was, en smeet haar toen met fors geweld weer tegen de grond.

‘Op deze dag van het jaar,’ ging het spook verder, ‘heb ik het meest te lijden. Waarom heb ik met neergeslagen ogen tussen mijn medemensen gelopen en nooit mijn blik geheven naar die gezegende Ster die de Wijzen uit verre landen de weg wees naar een nederig onderkomen? Waren er geen behoeftige woningen waarheen háár glans mij had kunnen leiden?’

Scrooge hoorde met ontzetting het spook op die toon voortgaan en begon hevig te beven.

‘Luister naar mij,’ riep de geest. ‘Mijn tijd is bijna om.’

‘Dat zal ik,’ zei Scrooge, ‘maar wees niet te hard voor me. Wees toch niet zo bloemrijk, Jakob! Ik smeek u.’

‘Waardoor het komt dat ik u in zichtbare gedaante verschijn, weet ik niet. Ik heb al menige dag onzichtbaar aan uw zijde gezeten.’

Die gedachte was allerminst prettig. Scrooge huiverde en veegde de zweetdruppels van zijn voorhoofd.

‘Dat is geen gering deel van mijn straf,’ vervolgde het spook. ‘Vanavond ben ik naar u gekomen om u te waarschuwen dat u nog één kans, één hoop overhoudt om mijn lot te ontlopen; een kans, Ebenezer, die u aan mij te danken hebt.’

‘U bent altijd een welmenend vriend voor me geweest,’ zei Scrooge. ‘Ik dank u.’

‘U zult door nog drie andere geesten bezocht worden,’ vervolgde de geest.

Scrooge trok een gezicht bijna zo lang als dat van het spook zelf.

‘Ís dat de kans waarover u sprak, Jakob — en waarop ik mag hopen?’ vroeg hij stotterend. ‘Dat kan ik haast niet geloven,’ zei Scrooge.

‘Zonder hun bezoek kunt u niet verwachten het pad te vermijden dat ik bewandeld heb. Verwacht de eerste morgen, als de klok één uur slaat.’

‘Kan ik ze niet allemaal tegelijk verwachten, Jakob, en er zo in één keer vanaf zijn?’ vroeg Scrooge half.

‘Verwacht de tweede in de volgende nacht, op hetzelfde uur; en de derde in de nacht dáárna, zodra de laatste klokslag van twaalf uur is weggestorven. Verwacht mij nu niet weer, maar wees om uwentwil gewaarschuwd dat u wat tussen ons is gesproken in uw geheugen prent!’

Toen het spook die woorden had gezegd, nam het zijn doek weer van de tafel op en wikkelde die, zoals tevoren, om zijn hoofd. Scrooge merkte zelfs aan het klapperen van de tanden dat de zwachtel de beide kaken weer bij elkaar bracht. Hij durfde zijn ogen weer opslaan, en zag zijn bovenaardse bezoeker kaarsrecht voor zich staan, de ketting over en om zijn arm gewonden.

Het verschijnsel week achteruit, en bij elke stap schoof het venster vanzelf een stukje hoger, zodat het wijd openstond toen de geest ervoor stond. Het wenkte Scrooge dichterbij te komen, wat hij deed. Toen ze op een paar schreden van elkaar stonden, hief Marleys geest de hand op en waarschuwde hem niet verder te naderen. Scrooge bleef staan.

Hij deed dat minder uit gehoorzaamheid dan uit vrees en verbazing; want bij het opheffen van die hand hoorde hij een verward gedruis in de lucht, dat bestond uit jammerklachten van berouw en kreten van zelfverwijt. Nadat het spook die geluiden een poos had aangehoord, mengde het er zijn eigen gejammer mee — en was in de donkere nachtlucht verdwenen.

Nu liep Scrooge naar het venster, want hij was razend nieuwsgierig, en keek naar buiten. De lucht wemelde van allerlei spookachtige gestalten die in grote haast heen en weer zweefden en maar bleven jammeren. Ieder droeg een ketting die op die van Marleys geest leek. Sommigen daarvan (misschien schuldige staatsbesturen) waren aan elkaar geketend; maar geen van hen was ongebonden. Scrooge had er verscheidenen in hun leven gekend. Hij was zelfs zeer gemeenzaam omgegaan met één oud spook in een wit vest, dat met een ketting een grote geldkist aan zijn been had en erbarmelijk klaagde omdat het niet in staat was een arme vrouw, die met een kind op een stoep zat, bijstand te verlenen. Het onheil van hen allen bestond blijkbaar hierin dat ze zich nu, met goede bedoelingen, de menselijke belangen wilden aantrekken, maar de macht daartoe voorgoed hadden verloren.

Of al die wezens zelf tot mist vervloeiden, of dat mist hen omgaf, kon hij niet goed zien. Maar alles verdween, en het werd zo donker als toen hij ’s avonds naar huis wandelde.

Scrooge schoof het venster dicht en keek naar de kamerdeur. Die zat op het nachtslot, zoals hij het met eigen handen had gedaan, en aan de grendels was niets veranderd. ‘Malli…’ wilde hij zeggen, maar hij bleef bij de eerste lettergreep steken; en omdat hij — hetzij door ontroering, hetzij door de vermoeienis van de dag, zijn blik in de onzichtbare wereld, zijn gesprek met het spook, of omdat het zo laat was geworden — behoefte aan rust voelde, ging hij rechttoe‑rechtaan, zonder zich uit te kleden, naar bed en viel meteen in slaap.


Hoofdstuk 2: De eerste van de drie spoken

Toen Scrooge wakker werd, was het zo donker dat hij, vanuit bed kijkend, nauwelijks het doorschijnende raam van de donkere wanden kon onderscheiden. Hij probeerde met zijn scherpe ogen door die duisternis heen te dringen, toen de klok van een naburige kerk de vier kwartierslagen liet horen. Tot zijn uiterste verbazing bleef de zware klok doorslaan: van zes naar zeven, van zeven naar acht, en zo voort tot twaalf uur toe. Daar bleef het bij. — Twaalf uur! Het was over tweeën geweest toen hij naar bed ging. De klok was vast van de wijs. Er moest een ijspegel in het raderwerk zijn geraakt. Twaalf uur! Hoe kon dat mogelijk zijn?

Hij pakte zijn repetitiehorloge, trok de veer om, betrouwbaarder dan die verwarde klok, om de waarheid te weten te komen. Het lieve, muzikale slagwerk liet twaalf slagen horen en zweeg toen.

‘Het is toch onmogelijk,’ zei Scrooge, ‘dat ik een hele dag en zó ver in de volgende nacht zou hebben doorgeslapen. Er zal toch niets met de zon gebeurd zijn, zodat het twaalf uur ’s middags is!’

Dat denkbeeld was tamelijk verontrustend. Hij kroop uit bed en zocht met zijn hand op de tast naar het raam. Hij moest met zijn mouw van zijn nachtjapon het ijs van de ruiten vegen, voordat hij zijn hand voor ogen kon zien, en zelfs dat was nog maar weinig. Alles wat hij kon onderscheiden, was dat het nog steeds verschrikkelijk mistig en ijzig koud was, en dat er geen enkel geluid te horen was van mensen die heen en weer liepen — wat zeker anders zou zijn geweest als de nacht de dag van zijn rechten had beroofd en de heerschappij over de wereld had overgenomen. Dat was voor hem een grote troost, want: “Na drie dagen zicht gelieve te betalen aan de heer Ebenezer Scrooge, of diens order, op deze mijn eerste wisselbrief,” enzovoort, zou geen betere zekerheid hebben geboden dan een waardeloos stukje papier uit de Verenigde Staten, als er geen dagen waren geweest om de vervaldatum te berekenen.

Scrooge kroop weer onder de dekens en dacht erover na — en dacht er opnieuw over na — en bleef erover denken, maar kon er geen kop of staart aan krijgen. Hoe langer hij erover nadacht, hoe meer hij de draad kwijt raakte; en hoe meer hij besloot er niet meer aan te denken, hoe minder hij het kon laten. Marley’s geestverschijning liet hem niet met rust. Telkens kwam hij, na rijp beraad, tot de conclusie dat het slechts een droom was; maar dan sprong zijn gedachtenmechanisme, als een ontspannen veer, weer terug naar het oude standpunt, en begon hij opnieuw te piekeren: “Was het een droom, of niet?”

Zo bleef Scrooge liggen tot de klok drie kwartieren verder was. Toen bedacht hij ineens dat het Spook hem had gewaarschuwd voor een bezoek om één uur. Hij besloot wakker te blijven tot het zover was, en aangezien hij aan slapen net zo weinig meer kon denken als aan het grijpen van de maan met zijn handen, was dat misschien nog het verstandigste besluit ook.

Dat kwartier leek zo lang te duren, dat hij zich wel tien keer verbeeldde dat hij onbewust weer in slaap was gevallen en de klokslag zou missen. Maar eindelijk — ja toch, daar hadden we het:

“Ting-tingeling!”
“Dat is het eerste kwartier,” zei Scrooge, tellend.

“Ting — tingeling!”
“Dat is het halfuur!” zei Scrooge.

“Ting tingeling!”
“Het kwartier voor het volle uur!” zei Scrooge.

“Ting — tingeling!”
“Daar is het volle uur!” zei Scrooge triomfantelijk. “En ik merk niets.”

Hij zei het nog voordat de klok sloeg. Maar toen de klok de doffe, sombere, zwaarmoedige slag van één liet horen, werd het plotseling helder licht in zijn kamer en werden zijn bedgordijnen opengeschoven.

Ja, ik kan het onder ede bevestigen: de gordijnen van zijn bed werden door een hand opengeschoven. Niet die aan het voeteneinde, niet die achter hem, maar de gordijnen waar hij met zijn gezicht naar toe lag. En daar zat Scrooge, half overeind, oog in oog met het bovenaardse wezen dat de gordijnen had geopend — zo dicht bij als ik nu bij u ben, lezer, want u moet weten dat ik in gedachten naast u sta.

Het was een zonderlinge gedaante, lijkend op een kind, maar ook op een oude man, alsof het door een wonderlijk instrument was bekeken dat het tegelijk de trekken van beiden gaf. Het haar, dat over zijn hals en schouders hing, was wit als sneeuw, maar het gezicht was glad en jeugdig. De armen waren lang en gespierd, evenals de handen, die kracht uitstraalden. De benen en voeten waren tenger en naakt. Het droeg een sneeuwwit gewaad met een glanzende gordel om het middel, en hield in de hand een verse groene hulsttak. Opmerkelijk was dat het gewaad versierd was met zomerbloemen — geheel in tegenspraak met het winterse symbool van de hulst.

Maar het meest wonderlijke was een heldere vlam die uit de kruin van het hoofd opsteeg. Wanneer het wezen stilstond, leek het deze te kunnen doven met een grote kap die het onder de arm droeg. Toch was dat niet het vreemdste: de verschijning veranderde voortdurend van vorm — soms leek ze maar één arm en één been te hebben, soms helemaal geen hoofd, soms een hoofd zonder lichaam. Door de mist die haar omhulde, losten de contouren telkens op. Maar dan, ineens, stond ze weer duidelijk voor hem, helderder dan ooit.

“Bent u de Geest,” vroeg Scrooge, “wiens komst mij voorspeld is?”

“Ja, dat ben ik.”

De stem was vriendelijk en zacht, maar klonk alsof ze van ver weg kwam.

“Wie en wat bent u?”

“Ik ben de Geest van vroegere Kersttijden.”

“Van lang geleden?” vroeg Scrooge, haar kleine gestalte opnemend.

“Nee, van de uwe.”

Scrooge voelde plots een onbedwingbare drang om de Geest de kap op te zetten, en vroeg haar dat te doen.

“Hoe?” riep het Spook. “Wilt u zo snel het licht dat ik verspreid uitdoven? Is het niet genoeg dat u en uw soort deze kap hebben gemaakt, waardoor ik haar jaren achtereen over mijn ogen moest dragen?”

Scrooge verzekerde dat hij niets beledigend bedoelde en zich niet kon herinneren ooit een reden te hebben gegeven om haar die kap te laten dragen. Toen vroeg hij wat haar naar hem bracht.

“Uw welzijn!” antwoordde de Geest.

Scrooge bedankte, maar dacht bij zichzelf: “Een ongestoorde nachtrust zou mij beter van dienst zijn geweest.” De Geest scheen zijn gedachten te horen:

“Uw terechtwijzing dan. Wees gewaarschuwd!”

Ze pakte hem zachtjes bij de arm.

“Sta op en ga met mij mee!”

Het had geen zin voor Scrooge om te zeggen dat het uur en het weer zich niet voor een wandeling leenden; dat zijn bed warm was; dat de thermometer ver onder nul stond; dat hij alleen een nachtjapon, pantoffels en een slaapmuts droeg, en dat hij verkouden was. De greep van de Geest, hoewel zacht als die van een vrouw, was onweerstaanbaar. Toen hij merkte dat zij naar het raam liep, greep hij haar smeekend bij de zoom van haar gewaad.

“Ik ben een sterfelijk mens,” zei Scrooge, “en zou naar beneden vallen.”

“Voel slechts de zachte druk van mijn hand op uw hart,” zei de Geest, “en u zult veilig zijn, op een hoogte veel groter dan deze!”

Ze gingen samen door de muur heen en stonden plots op een brede landweg, met velden aan weerszijden. De stad was volledig verdwenen. Mist en duisternis waren verdwenen, en het was nu een koude, heldere winterdag, met sneeuw op de grond.

“Lieve hemel!” riep Scrooge. “Hier ben ik opgegroeid! Hier ben ik als jongen geweest!”

De Geest keek hem vriendelijk aan. De lichte aanraking leek hem nog steeds bij te blijven. De lucht bracht hem duizend geuren die verbonden waren met lang vergeten herinneringen, hoop, vreugde en zorgen.

“Uw lippen beven,” zei de Geest. “En wat is dat op uw wang?”

“Dat is een rood puistje,” antwoordde Scrooge op een toon die hij zelf ongewoon vond, en vroeg de Geest hem te leiden waarheen zij wilde.

“Kent u de weg nog?”

“Of ik die ken? Blindelings!” riep Scrooge.

Ze wandelden verder; hij herkende elke deur, elke paal, elke boom. In de verte zagen zij een klein marktstadje met brug, kerk en rivier. Pony’s met jongens erop draafden hen voorbij, gevolgd door wagens vol kinderen die elkaar vrolijk een goede Kerst wensten. De lucht weerklonk van gelach en geroep.

“Dit zijn slechts schimmen van het verleden,” zei de Geest. “Ze zijn zich niet van ons bewust.”

Scrooge herkende velen van hen en noemde hun namen. Waarom maakte het hem zo blij hen te zien? Waarom fonkelden zijn ogen en bonsde zijn hart? Waarom verheugde hij zich zo op hun “Vrolijke Kerst!”, terwijl die hem toch nooit iets had opgeleverd?

“De school is nog niet helemaal verlaten,” zei de Geest. “Er zit nog een jongen alleen achter, door zijn vrienden vergeten.”

Scrooge zei dat hij hem kende, en begon te snikken.

Ze sloegen een bekende laan in en kwamen bij een groot, maar vervallen huis van rood baksteen, met een weerhaan en een klok erop. Schuren stonden leeg, muren waren vochtig en met mos begroeid, ramen rammelden, deuren waren beschadigd. Binnen was het kaal en kil, slechts spaarzaam gemeubileerd. Ze liepen door naar een achterkamer: een lang, leeg vertrek met houten banken en lessenaars, wat het geheel nog akeliger maakte.

Op een van de banken zat een jongetje bij een klein vuurtje te lezen. En zie — daar ging onze Scrooge op een schoolbankje zitten huilen toen hij zichzelf daar zag zitten, zo vergeten als hij altijd was.

Er was geen enkel geluid in huis: geen geschuifel of gepiep van muizen achter de panelen, geen gedrup uit de halfvolle dakgoot op de binnenplaats, geen geruis in de bladerloze takken van de enige populier, geen geknars van een deur van een leeg pakhuis. Nee, zelfs het vuur kon niet knetteren zonder dat het Scrooge op een ontroerende manier raakte en hem vrijuit deed huilen.

Het Spook tikte hem op de arm en wees naar zijn eigen beeltenis, zoals hij daar aandachtig zat te lezen. Plots stond er buiten voor het raam een man in buitenlandse kleren, met een vreemd uiterlijk, een bijl in zijn gordel en een ezel aan de teugel, beladen met hout.

“Wat is dat? Daar hebben we Ali Baba!” riep Scrooge verheugd uit. “De goede, brave Ali Baba! Ja, ja, ik ken hem nog! Eens op een Kerstdag, toen dat kind hier alleen was, kwam hij — precies zoals hij daar nu staat. Die arme jongen! En daar gaan Valentijn en zijn wildzang van een broer Orgon ook! En hoe heette die ook alweer, die in slaap viel en in zijn onderbroek naar de poort van Damascus werd gedragen? Zie je hem wel? En de stalknecht van de Sultan, door de Geesten ondersteboven gekeerd! Daar staat hij op zijn hoofd! Ja, goed zo, geef hem loon naar werken; ik ben er blij om. Wat moest hij ook met een prinses trouwen!”

Scrooge sprak op een geheel ongewone manier, lachend en huilend tegelijk. Zijn opgewonden gedrag zou voor zijn handelsvrienden in de City werkelijk verbazingwekkend zijn geweest.

“Daar zit Lorretje ook nog!” riep Scrooge. “Met zijn groene lijfje en gele staart, en met iets als een krop sla op zijn kop! Arme Robinson Crusoe,” riep hij hem toe, toen hij, na het eiland omgevaren te zijn, weer thuiskwam. “Arme, arme Robinson Crusoe, waar ben je geweest?” De man dacht dat hij droomde, maar het was Lorry. “En daar gaat Vrijdag ook, zo hard als hij kan naar de Kreek. Toe, jongen, toe!”

Plots, met een verandering van gevoel die niet bij zijn normale karakter paste, zei hij vol medelijden met zichzelf: “Arme jongen!” en hij huilde opnieuw.

“Och, had ik nu maar…” mompelde hij, terwijl hij zijn zakdoek wegstopte. “Maar het is nu te laat.

“Wat scheelt er?” vroeg het Spook.

“Niets,” antwoordde Scrooge. “Er was gisterenavond een jongen die voor mijn deur een kerstlied zong. Ik wou dat ik hem iets had gegeven. Dat is alles.”

Het Spook glimlachte nadenkend, zwaaide met zijn hand en zei: “Laten we nog een ander Kerstfeest zien.”

Scrooge’s vroegere zelf vervaagde, en de kamer werd donkerder en bouwvalliger. De panelen krompen, de ramen rammelden, stukken pleister vielen van het plafond en lieten de kale daklatten zien. Hoe dat allemaal gebeurde wist Scrooge niet, maar het gebeurde, en hij stond opnieuw alleen, terwijl alle andere jongens naar huis waren gegaan voor de feestdagen.

Nu las hij niet meer, maar liep rusteloos heen en weer. Hij keek het Spook aan, schudde treurig zijn hoofd en wierp een verlegen blik naar de deur.

De deur ging open, en een klein meisje, veel jonger dan de jongen, kwam naar binnen springen, sloeg haar armen om zijn hals, kuste hem en noemde hem haar “lieve, lieve broer.”

“Ik ben gekomen, lieve broer, om je naar huis te halen,” zei ze, haar tengere handjes samenklappend en vooroverbuigend van plezier. “Om je naar huis, naar huis, ja naar huis te halen!”

“Naar huis, kleine Fanny?” vroeg de jongen.

“Ja,” zei ze, vol vreugde. “Voor altijd naar huis. Vader is zoveel vriendelijker geworden dat het thuis nu net de hemel is! Hij sprak laatst zo vriendelijk tegen mij, dat ik durfde vragen of jij ook naar huis mocht komen. En hij zei ja, en stuurde me in een rijtuig om je op te halen. Nu zul je snel een man worden,” zei ze, haar ogen groot open, “en nooit meer hier terugkomen. Maar eerst gaan we Kerst vieren — de fijnste tijd van het jaar!”

“Je bent al een echte dame, kleine Fanny!” riep de jongen.

Ze lachte, klapte in haar handen, ging op haar tenen staan om hem te omhelzen, en trok hem vol energie naar de deur. Hij had er geen bezwaar tegen en liep met haar mee.

Een bars stem riep: “Breng meneer Scrooge’s koffer!” Daar stond de schoolmeester zelf, die hem met een barse vriendelijkheid de hand schudde, wat Scrooge zichtbaar in verlegenheid bracht. Daarna nam hij hen mee naar het koudste spreekkamertje dat je ooit had kunnen zien, waar de landkaarten aan de muren en de globes op de vensterbanken ijzig aanvoelden. Hij haalde een kruik met lichte wijn tevoorschijn en een stuk dikke koek, en gaf de kinderen daarvan, terwijl een magere knecht een glas naar de koetsier bracht. Die bedankte, maar zei dat hij liever niets nam als het nog van hetzelfde vaatje was als de vorige keer.

Intussen werd de koffer van jonge Scrooge achter op de postkoets vastgemaakt, namen de kinderen afscheid, stapten in en reden vrolijk de bochtige oprijlaan af, terwijl de wielen sneeuw en rijp van de takken van het wintergroen sloegen als ware het schuimvlokken.


“Ze was altijd een teer schepseltje,” zei de Geest. “Maar ze had een uitstekend hart.”

“Dat had ze,” zei Scrooge. “En ik zal het niet ontkennen, Geest! God verhoede dat!”

“Ze is getrouwd gestorven,” zei de Geest, “en had, meen ik, kinderen?”

“Eén kind,” antwoordde Scrooge.

“Uw neef.”

“Ja.”

Plots stonden ze in een levendige straat vol mensen en rijtuigen. Naar de winkels te zien was het weer Kerst, en het was avond, met de lantaarns aangestoken.

Het Spook bleef staan voor een winkel en vroeg of hij die kende.

“Of ik dat ken? Ik ben er in de leer geweest!” zei Scrooge.

Ze gingen naar binnen. Achter een hoog lessenaar zat een oude heer met een Welsche pruik.

“Wel, dat is de oude Fezziwig!” riep Scrooge. “Die goede ziel!”

Fezziwig keek op de klok, die zeven uur wees, wreef in zijn handen, schikte zijn vest en riep met luide stem:

“Heidaar, jongens! Ebenezer! Dick!”

Scrooge’s vroegere zelf, inmiddels een jongeman, kwam met zijn collega Dick Wilkens binnen.

“Dick Wilkens! Die hield veel van mij. Arme Dick!” zei Scrooge zacht.

“Geen werk meer vanavond! Het is Kerstavond!” riep Fezziwig. “De luiken dicht!”

De jongens vlogen naar buiten, sloegen de luiken dicht, staken de pennen erin, en kwamen buiten adem weer binnen.

“Aan de kant hier! Ruim de zaal!” riep Fezziwig. Binnen een minuut was de ruimte schoon, het vuur opgestookt, de lampen versierd, en de winkel veranderd in een warme, droge danszaal.

“Ruim de zaal!” Wel, er was niets wat ze niet graag en snel zouden hebben opgeruimd onder Fezziwigs oog. In een minuut was alles geregeld: elk verplaatsbaar stuk werd zo snel weggeschoven alsof het nooit meer nodig zou zijn; de vloer werd geveegd en geschrobd; de lampen versierd; het vuur opgestookt — en in een oogwenk was de winkel veranderd in een droge, behaaglijk warme en schitterende danszaal, precies zoals je op een winteravond zou wensen.

Daar kwam een violist binnen met een muziekboek, die naar de hoge lessenaar liep en hem tot orkest verhief. Hij stemde zijn viool alsof er een vijftigtal mensen tegelijk van buikpijn kreunde. Toen kwam mevrouw Fezziwig binnen, van top tot teen één en al vriendelijke, vrolijke glimlach. Daarna verschenen de drie dochters van meneer en mevrouw Fezziwig, allen even bekoorlijk en met ogen die straalden van plezier. Vervolgens kwamen de zes jongemannen wier harten zij veroverd hadden, de jonge mannen en vrouwen die de winkel netjes moesten houden, de werkmeid met haar neef — een bakker — en de keukenmeid met de melkboer, die een bijzonder goede vriend van haar broer was.

Ook kwam de winkeljongen van de overkant, van wie men dacht dat hij van zijn meester geen al te royaal loon kreeg, en die probeerde zich te verschuilen achter het dienstmeisje van naast de deur, dat er uitzag alsof haar meesteres haar bij de ogen had vastgepakt.

Iedereen kwam binnen, de een na de ander: sommigen verlegen, sommigen vrijpostig, sommigen lief, sommigen lomp; elkaar duwend, stotend, trekkend — maar allemaal op hun eigen manier.

En toen begon het dansen. Een twintigtal paren bewoog eerst naar de ene kant, dan naar de andere; allemaal in het rond, in allerlei houdingen van liefde en vriendschap. Het voorste paar keerde telkens op de verkeerde plaats om; het nieuwe voorste paar stoof weg zodra ze het eerste hadden opgevolgd, en uiteindelijk waren ze allemaal tegelijk voorste paren zonder dat er iemand achter hen stond om hen te helpen.

Toen het zover was, klapte de oude Fezziwig in zijn handen om de dans te stoppen, riep: “Bravo! Bravo! Goed gedaan!”, en de violist stak zijn bezwete hoofd in een pot porter die hem daarvoor was klaargezet. Maar zodra hij zijn hoofd er weer uit haalde, begon hij opnieuw te spelen, alsof de vorige violist van vermoeidheid naar huis was gedragen en hij zelf een frisse kracht was die van plan was zijn voorganger te overtreffen of erbij neer te vallen.

Eerst werd er opnieuw gedanst, toen werden er spelletjes gespeeld, toen weer gedanst. Er was eten en drinken: een groot stuk koud gekookt vlees, taartjes en bier in overvloed. Maar het hoogtepunt van de avond kwam pas na de maaltijd, toen de violist — een sluwe kerel die zijn vak beter kende dan jij of ik hem hadden kunnen leren — het deuntje van “Sir Roger de Coverly” inzette.

Daar stond de oude Fezziwig op om met mevrouw Fezziwig te dansen. Zij waren zelf het eerste paar, gevolgd door nog drie of vierentwintig paren — allemaal mensen met wie je geen gekheid kon maken, mensen die wilden dansen maar geen enkel idee hadden van ordelijk lopen.

Maar al waren het er twee-, drie-, viermaal zoveel geweest, dan nog had Fezziwig hen allemaal aan gekund — en mevrouw Fezziwig eveneens. Want zij verdiende in de volle betekenis van het woord zijn gelijke te zijn. Als dat geen lof genoeg voor haar is, wijs mij dan iemand anders aan en ik zal hem of haar die lof toezwaaien.

Uit Fezziwigs kuiten leken vuurvonken te spatten. En toen meneer en mevrouw Fezziwig de hele dans hadden meegedaan, alle figuren hadden uitgevoerd, vooruit en achteruit waren gegaan, elkaar de hand hadden gegeven, voor elkaar gebogen en geknikt, chaîne des dames hadden gemaakt en weer op hun plaats waren gekomen, maakte Fezziwig een zo snelle kruissprong dat zijn kuiten leken te knipogen — en hij kwam zonder de minste wankeling weer op zijn voeten terecht.

Toen de klok elf sloeg, was het familiebal afgelopen. Meneer Fezziwig en zijn vrouw gingen aan weerszijden van de deur staan en wensten ieder die langs kwam — man of vrouw — met een vriendelijke handdruk een vrolijk kerstfeest. Toen iedereen dat had gedaan, behalve de twee leerjongens, deden ook zij hetzelfde. De vrolijke stemmen stierven weg in de verte en de jongens konden zich op hun bedden, onder een lessenaar in de winkelruimte, ter ruste leggen.

Al die tijd had Scrooge zich als een bezetene gevoeld. Zijn hart en ziel waren volledig in beslag genomen door zijn vroegere zelf en dat tafereel. Hij bevestigde de waarheid van alles, herinnerde zich alles, genoot van alles en voelde de meest wonderlijke emoties.

Pas toen Dick en zijn vroegere zelf zich hadden teruggetrokken, begon hij weer aan het Spook te denken. Dat keek hem strak aan, terwijl het licht boven zijn hoofd helder straalde.

“Veel drukte om weinig,” zei het Spook. “Dat soort mensen is al dankbaar voor een kleinigheid.”

“Een kleinigheid?” herhaalde Scrooge.

Het Spook gebaarde hem te luisteren naar de twee winkeljongens, die hun lof over Fezziwig niet konden inhouden, en vervolgde:

“Ja, is het niet zo? Hij heeft er maar een paar van jullie wereldse ponden aan uitgegeven, misschien drie of vier. Is dat nu zoveel waard om zulke lof te verdienen?”

“Ja, maar daar gaat het niet om,” zei Scrooge, wat driftig op die opmerking reagerend en — zonder het zelf te beseffen — sprekend zoals zijn vroegere zelf. “Daar gaat het niet om, Geest! Hij heeft de macht om ons gelukkig of ongelukkig te maken, om ons werk zwaar of licht te maken, tot een vreugde of een last. Zeg dat zijn macht zit in zijn blik, in zijn woorden, in zulke schijnbaar onbeduidende dingen dat je ze niet kunt berekenen. Wat doet dat ertoe? Het geluk dat hij ons geeft is even groot alsof het hem een fortuin kostte.”

Hij deinsde terug voor de blik van het Spook en zweeg.

“Wat scheelt er?” vroeg het Spook.

“Niets.”

“Toch is er iets dat u hindert,” zei het Spook.

“Nee, echt niet,” zei Scrooge. “Behalve… dat ik mijn klerk wel een paar woorden had willen zeggen. Dat is alles.”

Terwijl hij deze wens uitsprak, doofde zijn vroegere zelf de lampen. Scrooge en het Spook stonden weer samen onder de open hemel.

“Mijn tijd raakt op,” zei het Spook. “Snel!”

Het was niet tegen Scrooge gezegd, noch tegen iemand die hij kon zien, maar toch had het onmiddellijk effect. Scrooge zag zichzelf opnieuw — iets ouder nu, een man in de bloei van zijn leven. Zijn gezicht vertoonde nog niet de harde trekken van zijn latere jaren, maar begon al tekenen van hebzucht en onrust te vertonen. In zijn ogen lag een nerveuze, rusteloze blik die de hartstocht verried die in zijn hart wortel had geschoten, en toonde in welke richting de schaduw van de opgroeiende boom zich zou uitbreiden.

Hij was niet alleen. Naast hem zat een mooi jong meisje in rouwkleding. Haar ogen stonden vol tranen die fonkelden in het licht dat het Spook van Verleden Kerst verspreidde.

“Het maakt weinig uit,” zei het meisje zacht en vriendelijk. “Voor u tenminste heel weinig. Een ander afgodsbeeld heeft mij vervangen, en als dat beeld u kan steunen en troosten zoals ik zou hebben geprobeerd, dan heb ik weinig reden tot klagen.”

“Welk afgodsbeeld heeft u dan vervangen?” vroeg hij.

“Een afgod van goud.”

“Dat is precies het soort opmerking dat men van de wereld verwacht,” zei hij. “Er is niets dat zij harder behandelt dan armoede, en toch veroordeelt zij niets zo streng als het najagen van rijkdom.”

“U bent te bang voor de wereld,” antwoordde zij vriendelijk. “Uw vroegere hoopvolle verwachtingen zijn gesmolten in de wens haar laaghartige verwijten te ontlopen. Ik heb uw vroegere edeler drijfveren één voor één zien plaatsmaken voor goudzucht. Is dat niet zo?”

“En wat dan nog?” antwoordde hij. “Wat maakt het uit als ik wijzer ben geworden? Ik ben tegenover u niet veranderd.”

Zij schudde haar hoofd.

“Ben ik dat wel?” vroeg hij.

“Onze belofte dateert uit een tijd dat we allebei arm waren en tevreden met onze armoede, in de hoop ons vermogen door geduld en inspanning te vergroten. U bent veranderd. Toen we elkaar die belofte deden, was u een ander man.

“Ik was een jongen,” zei hij knorrig.

“Uw eigen geweten zegt u dat u toen niet was wie u nu bent,” ging zij verder. “Ik ben nog dezelfde. Wat ons toen geluk voorspelde, is nu vol van verdriet. Hoe vaak ik daarover heb nagedacht, zal ik u niet zeggen. Het is genoeg dat ik heb ingezien dat ik u moet vrijlaten.”

“Heb ik ooit om zo’n vrijlating gevraagd?”

“Nooit met woorden. Maar wel door uw veranderde aard, uw veranderde hart, uw andere manier van leven, uw andere doelen — allemaal dingen die de waarde van mijn liefde hebben ondermijnd. Als het nooit zo ver was gekomen tussen ons,” zei zij zacht maar standvastig, “zou u mij dan nu nog zoeken om mijn liefde te vragen? Zeg het eerlijk. Nee, toch?”

Hij leek, ondanks zichzelf, de waarheid van haar woorden te voelen, maar zei met innerlijke strijd: “U denkt van niet.”

“Ik zou graag anders denken, als ik maar kon,” zei zij. “De hemel weet het! Maar ik weet dat het niet zo is. Als u nu vrij was, zelfs als dat gisteren nog zo was, zou u dan een arm meisje kiezen? Misschien voor een moment, maar daarna zou u er spijt van krijgen. Dat weet ik zeker. Daarom geef ik u, met verdriet, maar uit liefde voor wie u ooit voor mij was, uw woord terug.”

Hij wilde spreken, maar zij wendde haar gezicht af en ging verder:

“Misschien zult u nog spijt voelen. Maar al snel zult u die herinnering van u afschudden als een nare droom, blij dat u bent ontwaakt. Moge het u goed gaan in de levensweg die u hebt gekozen!”

Ze scheidden, en hij zag haar nooit meer terug.

“Geest!” zei Scrooge. “Laat me niets meer zien! Breng me naar huis. Waarom doet u mij dit aan?”

“Nog één schim!” riep het Spook.

“Geen meer!” zei Scrooge. “Geen meer! Ik wil haar niet zien. Laat mij niets meer zien.”

Maar het onverbiddelijke Spook sloot hem in zijn armen en dwong hem te kijken naar wat er later gebeurde.

Ze bevonden zich op een andere plaats, in een kamer die niet groot of prachtig was, maar wel warm en gezellig ingericht. In een hoek bij de open haard zat een charmante jonge vrouw, zo sterk lijkend op de vorige dat Scrooge haar even voor dezelfde hield — tot hij tegenover haar een dochter zag zitten.

De kamer was gevuld met een kabaal dat oorverdovend was, want er waren meer kinderen dan Scrooge in zijn verwarring kon tellen. En het was niet zoals bij de beroemde kinderschare uit het gedicht, waar veertig kinderen zich gedroegen als één; nee, hier gedroeg ieder kind zich alsof het er veertig tegelijk waren. Het resultaat was een ongelooflijk rumoer — maar niemand scheen zich eraan te storen. Integendeel, moeder en dochter lachten hartelijk mee en leken er groot plezier in te hebben.

Uiteindelijk mengde de dochter zich in de kinderspelen en werd door de levendige kleintjes op de meest onbarmhartige manier “aangepakt”. Wat had ik niet willen geven om één van hen te zijn! Toch — zo ruw had ik nooit met haar durven omgaan. Nee, voor geen schat ter wereld had ik haar in de war geraakte haren kunnen lostrekken, of haar lieve kleine schoentje van haar voet kunnen rukken, zelfs al had mijn leven ervan afgehangen. Haar tedere middel omvatten tijdens het spel? Onmogelijk! Ik zou gevreesd hebben dat mijn arm voor altijd krom zou blijven staan. En toch, hoe graag had ik haar lippen willen zien bewegen, haar neerwaarts geslagen ogen bewonderen, met haar golvende lokken spelen — één enkel lokje zou mij een onschatbare herinnering zijn geweest. Kortom, ik moet bekennen: ik zou graag de vrijpostigheid van een kind hebben gehad, maar tegelijk genoeg man zijn geweest om de waarde ervan te beseffen.


Toen werd er op de deur geklopt. Er ontstond een wilde opschudding en het meisje werd, bijna haar kleren van het lijf gerukt, lachend meegesleurd naar de deur — juist op tijd om haar vader te verwelkomen, die thuiskwam met een man beladen met speelgoed en geschenken. Nu brak er pas echt een storm van lawaai los: de kinderen klommen op stoelen als waren het stormladders, graaiden in zijn zakken, plunderden hem van zijn goudpapier, hingen aan zijn halsdoek, sloegen hun armpjes om zijn nek, klopten hem op de rug en schopten hem uit pure liefde en vreugde tegen de schenen.

Wat een gejuich en verrukking bij het uitpakken van de pakjes! Wat een consternatie toen het jongste kind de poppenbraadpan een stuk in zijn mond had gestopt — en hoogstwaarschijnlijk ook de suikerpauw van een houten bordje had ingeslikt! Wat een opluchting toen bleek dat het vals alarm was! Hun vreugde en dankbaarheid waren met geen pen te beschrijven.

Langzaam verdwenen de kinderen, groepje voor groepje, naar boven om naar bed te gaan en in een zoete slaap te vallen.

Nu keek Scrooge aandachtiger dan ooit, terwijl de vader, met zijn dochter die liefdevol aan zijn hals bleef hangen, tegenover de moeder bij het haardvuur ging zitten. En toen Scrooge bedacht dat ook hij zo’n ander, even liefelijk wezen “vader” had kunnen laten zeggen, en dat het de winter van zijn leven in een vrolijke lente had kunnen veranderen — toen werd zijn blik wazig.

“Belle,” zei de man, zich lachend tot zijn vrouw wendend, “ik heb vanmiddag een oude vriend van je gezien.”

“Wie dan?”

“Raad eens.”

“Hoe kan ik dat raden? Wacht… zou het kunnen zijn? Meneer Scrooge?”

“Precies. Ik liep langs zijn kantoor en omdat het niet gesloten was, zag ik hem zitten bij kaarslicht. Ik hoorde dat zijn compagnon op sterven ligt, en daar zat hij dan, moederziel alleen in de wereld.”

“Geest!” riep Scrooge met gebroken stem. “Breng me van hier.”

“Ik heb u gezegd dat dit slechts schaduwen van het verleden zijn,” antwoordde het Spook. “Verwijt mij niet dat ze zijn wat ze zijn.”

“Breng me van hier!” riep Scrooge opnieuw. “Ik kan het niet verdragen.”

Hij keerde zich naar het Spook, en toen hij zag dat het hem aankeek met een gelaat waarin alle gezichten die hij zojuist had gezien samenvloeiden, begon hij ermee te worstelen.

“Laat me gaan! Breng me weg! Kwel me niet langer!”

Tijdens die worsteling — als men het zo kan noemen — gaf het Spook geen enkel zichtbaar verzet en bleef onaangedaan. Maar Scrooge merkte dat het licht boven diens hoofd feller en feller straalde. Een vaag idee dat dit licht misschien macht over hem had, deed hem naar de kap grijpen, en hij drukte die plotseling stevig op het hoofd van de Geest.

Het Spook zakte ineen zodat de kap het geheel bedekte, maar hoewel Scrooge al zijn kracht gebruikte om het neer te drukken, kon hij het licht niet doven. Het bleef in stralende gloed over de vloer schijnen.

Scrooge voelde zich uitgeput en overweldigd door een onweerstaanbare slaap, en dat nog wel op zijn eigen bed. Terwijl hij wegliep gaf hij de kap een laatste, stevige druk, en nauwelijks had hij zijn bed bereikt of hij viel in een diepe slaap.


Hoofdstuk 3: De tweede van de drie spoken

Met een luid gesnurk ontwaakte Scrooge en richtte zich in bed op om zijn gedachten te ordenen. Niemand was bij hem om hem te waarschuwen dat de klok bijna één zou slaan. Toch begreep hij dat hij op tijd wakker was geworden voor zijn ontmoeting met de tweede bode, die hem door Jacob Marley was beloofd.

Omdat hij het bitter koud kreeg terwijl hij nieuwsgierig afwachtte welke van zijn gordijnen dit nieuwe Spook zou wegtrekken, besloot hij ze allemaal zelf open te schuiven. Daarna ging hij weer liggen, om alvast in de kamer goed rond te kijken. Hij wilde het Spook bij zijn komst meteen onder ogen zien en niet door een plotselinge schrik overvallen worden.

Scrooge voelde zich nu voorbereid op zowat alles — van een klein kind tot een neushoorn — en niets leek hem nog werkelijk te kunnen verbazen. Toch had hij niet verwacht dat er helemaal niets te zien zou zijn. Toen de klok eenmaal één had geslagen zonder dat er een verschijning verscheen, begon hij hevig te beven.

Vijf minuten gingen voorbij. Tien minuten. Vijftien minuten. Nog steeds niets. Maar al die tijd lag Scrooge in een roodachtige gloed, die tegelijk met het slaan van de klok op zijn bed was gevallen. Die gloed, die alleen uit licht leek te bestaan, verontrustte hem meer dan een dozijn spoken. Hij kon niet ontdekken wat het betekende of wat het doel ervan was. Soms bekroop hem zelfs de angst dat hij misschien een slachtoffer zou worden van zelfontbranding, zonder het zelf te weten.

Eindelijk begon hij te denken — zoals jij en ik waarschijnlijk ook zouden hebben gedaan, want de beste stuurlui staan immers aan wal — dat de oorsprong van dat spookachtige licht in de aangrenzende kamer te vinden moest zijn. Bij nader inzien leek het licht daar inderdaad vandaan te komen. Met dat idee voor ogen stond hij zachtjes op en schoof in zijn pantoffels naar de deur.

Op het moment dat hij de deurknop aanraakte, hoorde hij een vreemde stem zijn naam roepen en hem bevelen binnen te komen. Hij gehoorzaamde.

Het was nog steeds zijn eigen kamer, maar deze had een wonderlijke gedaanteverwisseling ondergaan. De wanden en het plafond waren zó overvloedig met vers groen behangen dat het op een klein bos leek. Overal glinsterden rode bessen. De glanzende bladeren van hulst, klimop en maretak weerkaatsten het licht alsof er overal kleine spiegeltjes hingen.

Onder de schoorsteen brandde een vuur zo groot als Scrooge of Marley, ja zelfs hun voorgangers in vele winters, nooit hadden gezien. Op de vloer lag, als een soort troon, een enorme stapel lekkernijen: gouden fazanten, ander gevogelte en wild, grote stukken vlees, lammeren, biggen, lange rijen worst, taarten en puddingen, bakken vol oesters, geroosterde kastanjes, vuurrode appels, sappige sinaasappels, malse peren, reusachtige tulbanden en schalen dampende punch, waarvan de geur de kamer vulde.

Bovenop deze troon zat, op zijn gemak, een reusachtige gedaante met een vriendelijk en opgewekt uiterlijk. Hij hield een brandende fakkel vast in de vorm van een hoorn des overvloeds, die hij zo omhoog hield dat het licht precies op Scrooge viel toen deze de kamer rondkeek.

“Kom binnen!” riep de Geest. “Kom binnen en maak kennis met mij.”

Scrooge stapte schuchter naar binnen en liet zijn hoofd voor het Spook zakken. Hij was niet langer de stijve, kille man die hij was geweest. Hoewel de ogen van de Geest helder en vriendelijk stonden, durfde hij hem toch nauwelijks aan te kijken.

“Ik ben de Geest van het Tegenwoordige Kerstfeest,” zei het Spook. “Kijk naar mij!”

Scrooge gehoorzaamde eerbiedig. Het Spook droeg een donkergroene mantel met een rand van wit bont. De mantel hing zo los dat zijn borst geheel onbedekt was, alsof hij niets te verbergen had. Zijn voeten, zichtbaar onder de plooien, waren blootsvoets. Op zijn hoofd droeg hij slechts een krans van hulst, versierd met glinsterende ijsdruppels. Zijn donkere lokken vielen los om zijn hals. Alles aan hem straalde openheid, warmte en levenslust uit: zijn fonkelende ogen, zijn milde handen, zijn vrolijke stem, zijn ongedwongen houding.

Rond zijn middel hing een oude gordel, waaraan een lege schede bungelde, verroest en ongebruikt.

“U hebt nog nooit iemand als ik gezien!” riep het Spook.

“Nee, nooit,” antwoordde Scrooge.

“U hebt zich ook nooit onder mijn jongere broeders begeven — ik bedoel de Geesten van vorige Kerstfeesten van de laatste jaren?”

“Ik geloof van niet,” zei Scrooge. “Hoeveel broeders hebt u, Geest?”

“Meer dan achttienhonderd.”

“Wat een dure familie om te onderhouden,” mompelde Scrooge.

De Geest stond op.

“Geest,” zei Scrooge onderdanig, “breng mij waar u wilt. Vorige nacht heb ik veel moeten reizen, maar ik heb er een les geleerd die nog steeds in mij doorwerkt. Als u mij nog iets te leren hebt, laat mij er dan vannacht van profiteren.”

“Raak mijn gewaad aan.”

Scrooge deed wat hem gezegd werd en greep de mantel vast.

De hulsttakken, het maretak, de rode bessen, de klimop, de fazanten, de ganzen, het andere gevogelte, het wild, het vlees, de worsten, de oesters, de taarten, de tulbanden, de puddingen, het fruit en de punch — alles was in een oogwenk verdwenen. Van de hele kamer met het brandende vuur en de rode gloed was niets meer te zien.

Ze stonden nu op straat, op de ochtend van eerste Kerstdag, waar het volk — want het weer was bitter koud — een ruwe maar levendige en voor het oor allerminst onaangename muziek maakte door de sneeuw voor de deuren en uit de dakgoten te schuiven. Voor de kinderen was het een dolle pret om het naar beneden te horen ploffen en het in kleine wolkjes door de lucht te zien stuiven.

De gevels van de huizen waren diepzwart, de ramen nog zwarter, wat scherp afstak tegen de zuivere witte sneeuw op de daken en de sneeuw op straat. Daarin waren diepe sporen en dwarssporen gegroefd door de zware wielen van karren en wagens. De lucht was donker, en in de smalle straten hing een halfontdooide, halfbevroren mist, waarvan de zwaardere deeltjes in een regen van roetdruppels neervielen, alsof alle schoorstenen van Groot-Brittannië tegelijk in brand stonden en zich zonder terughoudendheid van hun inhoud ontdeden.

In de lucht of in de stad was eigenlijk niets dat je als vrolijk zou bestempelen, en toch hing er een stemming van opgewektheid die zelfs de liefelijkste zomerlucht en de helderste zon niet zichtbaarder hadden kunnen verspreiden.

De mensen die boven op de daken sneeuw wegschepten, waren net zo dartel en goedgemutst. Ze riepen elkaar grappen toe en wisselden af en toe uit baldadigheid een sneeuwbal uit — een veel vriendelijker wapen dan een bits woord, hartelijk lachend wanneer hij raakte, en minstens zo hartelijk wanneer hij miste.


De winkels van de poeliers waren nog maar half open, maar die van de fruitverkopers pronkten in volle glorie. Grote, ronde, bolle manden vol hazelnoten lagen uitgestald, lijkend op de buiken waarmee sommige oude heren graag voor hun deur staan te pronken, of waarmee ze al waggelend door de straten lopen. Rode en bruine strengen Spaanse uien, met brede linten samengebonden, hingen op de planken, klaar om verlegen meisjes te lokken die in het voorbijgaan even op een neerhangende maretak keken.

Appels en peren lagen opgestapeld tot hoge piramides. Druiventrossen, uit welwillendheid van de winkelier op de meest in het oog springende plekken opgehangen, zorgden dat voorbijgangers ten minste het voordeel hadden om gratis te watertanden. Stapels St. Lambertsnoten verspreidden een geur die deed denken aan herfstwandelingen in het bos en het plezierige ritselen van droge bladeren tot aan de enkels.

Zelfs de gouden en zilveren visjes in glazen kommen, tussen al dat fruit, leken — hoewel koudbloedig — te weten dat er iets bijzonders gaande was, en zwommen vrolijk rond in hun kleine wereld.

En dan die kruidenierswinkels! Bijna gesloten, met een of twee luiken neergelaten, maar wat een praal achter de openingen! Zelfs de weegschalen leken een vrolijk geluid te maken bij het neerzetten op de toonbank. De voorraadbussen werden met goochelaarsbehendigheid gepakt en neergezet. De geur van koffie en thee was verrukkelijk; de rozijnen waren zo zoet en sappig; de amandelen zo wit; de kaneelstokken zo lang en gaaf.

Alle andere kruidenierswaren zagen er even heerlijk uit. De gekonfijte vruchten, glanzend in gesmolten suiker, waren zo verleidelijk dat zelfs de meest onverschillige toeschouwer er een risico op indigestie voor over zou hebben. De vijgen waren sappig en vlezig, de Franse pruimen sierlijk neergelegd in prachtig opgemaakte kistjes. Alles straalde uit dat het bedoeld was voor gebruik én voor feest.

Zelfs de klanten hadden haast en straalden verwachting uit over het plezier dat hen wachtte. Ze liepen elkaar bij de deur omver, lieten hun aankopen op de toonbank liggen, kwamen terug om het vergeten op te halen, en deden dit alles met grote tevredenheid. Ondertussen waren de kruidenier en zijn personeel zo vrolijk en spraakzaam, dat de blinkende metalen harten waarmee zij hun schorten van achteren vastmaakten wel hun eigen warme harten hadden kunnen voorstellen — al vonden de winterspreeuwen het kennelijk geen bezwaar om er een pikje uit te nemen.

Al snel riep het klokgelui de hele gemeente naar de kerken en kapellen, waar iedereen met het vrolijkste gezicht en in zijn zondagse pak heen ging. Tegelijkertijd zagen ze talloze mensen uit smalle stegen en zijstraten komen, die hun middagmaaltijd naar de bakkerswinkel brachten.

De Geest leek bijzonder geïnteresseerd in het gezicht van die eenvoudige feestgangers, want hij bleef met Scrooge naast zich voor de deur van een bakkerswinkel staan. Telkens als er iemand voorbijging, tilde hij het deksel van hun schaal op en strooide wat geurige damp uit zijn fakkel over het eten. Die fakkel was van een bijzondere soort: één of twee keer, toen er woordenwisselingen ontstonden tussen de etensdragers, sprenkelde hij een paar druppels water over hen heen, en meteen was de vrede hersteld. Dan zeiden ze: “Foei! Het is een schande om op Kerstdag ruzie te maken.” En dat was het ook — God weet dat het zo is.

Het luiden van de klokken verstomde en de bakkerswinkels sloten, hoewel het feestelijke bereiden van eten nog merkbaar was aan de natte plekken boven de ovens, waarvan de muren rookten alsof de stenen zelf aan het braden waren.

“Zit er een bijzondere geur aan wat u met uw fakkel over hun eten sprenkelt?” vroeg Scrooge.

“O ja, mijn eigen geur.”

“En werkt die geur op elke maaltijd van deze dag?”

“Op elke maaltijd die met een goed hart wordt gegeven; maar het sterkst op die van een arme.”

“Waarom dat?”

“Omdat die het het meest nodig hebben.”

“Geest,” zei Scrooge na even nadenken, “het verbaast me dat u, van alle wezens in alle werelden die ons omringen, juist deze mensen de kans op onschuldig plezier zou willen ontnemen.”

“Ik?” riep de Geest uit.

“U probeert hen te beroven van de gelegenheid om op elke zevende dag te eten — vaak de enige dag dat men kan zeggen dat ze echt eten,” zei Scrooge. “Is dat niet zo?”

“Doe ik dat?” vroeg de Geest.

“U zorgt ervoor dat deze plekken op de zevende dag gesloten blijven,” zei Scrooge. “Dat komt toch op hetzelfde neer?”

“Doe ik dat?” riep de Geest uit. “Vergeef me als ik het mis heb, maar dit gebeurt toch in uw naam, of in die van uw familie,” hield Scrooge aan.

De Geest antwoordde: “Er zijn hier op aarde mensen die beweren ons te kennen, en die hun daden van drift, hoogmoed, haat, huichelarij en hebzucht in onze naam doen. Maar zij zijn ons en ons hele geslacht even vreemd alsof wij nooit hadden bestaan. Houd dat in gedachten en verwijt niet ons, maar hén, hun verkeerdheden.”

Scrooge beloofde het, en samen gingen ze, onzichtbaar zoals tevoren, naar de buitenwijken. Het was opmerkelijk dat de Geest — ondanks zijn reusachtige gestalte — zich overal gemakkelijk wist te bewegen, en dat hij onder een eenvoudig dak even natuurlijk en waardig stond als in de grootste zaal van een paleis.

Misschien vond hij er plezier in dat vermogen te tonen, of misschien was het het gevolg van zijn welwillende, edelmoedige aard en zijn medeleven met de armen, dat hij rechtstreeks naar het huis van Scrooge’s klerk ging. Hoe dan ook, hij liep erheen, terwijl Scrooge zich aan de zoom van zijn mantel vasthield.

Bij de deur gekomen, glimlachte de Geest en bleef staan om Bob Cratchits huis te zegenen met een sprenkel uit zijn fakkel. Stel je voor: Bob had niet meer dan vijftien shilling per week inkomen, en toch werd zijn eenvoudige huisje van vier kamers gezegend door de Geest van het Tegenwoordige Kerstfeest!

Binnen zagen ze mevrouw Cratchit — netjes maar eenvoudig gekleed in een binnenstebuiten gekeerde mantel, versierd met linten en strikken (goedkoop, maar voor zes stuivers kun je er al een heel vertoon mee maken) — opstaan van haar stoel. Ze spreidde het tafellaken uit, geholpen door Belinda Cratchit, de tweede dochter, die net zo met linten getooid was. Ondertussen stak jongeheer Peter Cratchit een vork in de aardappelpan, terwijl hij zich trots toonde met de brede punten van zijn vaders speciale feesthemd, dat hij vandaag had mogen dragen. Hij brandde van verlangen om ermee in het park te pronken.

Toen stormden nog twee kleintjes binnen — een jongen en een meisje — gillend van plezier omdat ze, langs de bakker lopend, de geur van hun gans hadden geroken. Vol van verwachting over de uien- en saliesaus dansten ze om de tafel, en gaven ze Peters opschik nog meer aanzien. Peter zelf, hoewel bijna stikkend in zijn hoge kraag, blies intussen het vuur aan, tot de koppige aardappelen eindelijk begonnen te pruttelen en tegen het deksel te springen alsof ze ernaar verlangden om geschild en gegeten te worden.

“Waar blijft vader toch?” zei mevrouw Cratchit. “En je broertje Tim? En Martha is ook al een half uur later dan vorig jaar met Kerst!”

“Hier is Martha, moeder!” riep een meisje dat net binnenkwam.

“Daar is Martha, moeder!” gilden de twee kleintjes. “Hoera! O Martha, we hebben een gans!”

“Welkom, liefje! Welkom! Hoe komt het dat je zo laat bent?” zei mevrouw Cratchit, terwijl ze haar dochter tien, twaalf kussen gaf en met zorg haar sjaal en hoed afnam.

“We hadden gisteravond nog veel werk af te maken,” zei Martha, “en moesten vanochtend alles weer opruimen.”

“Ach, als je er maar bent,” zei mevrouw Cratchit. “Kom bij het vuur zitten, lieverd, en God zegene je met deze dag!”

“Nee, nee! Daar komt vader!” riepen de kleintjes tegelijk. “Verstop je, Martha! Verstop je!”

Martha verstopte zich, en daar kwam Bob, de vader, binnen — met een mantelkraag van minstens een meter lang, exclusief de franje, en zijn versleten, hier en daar gestopte jas keurig geborsteld om er een beetje netjes uit te zien. Op zijn schouders zat kleine Tim, die een kruk in zijn hand hield en volledig in ijzeren beugels zat.

“Waar is onze Martha?” riep Bob Cratchit vrolijk uit, terwijl hij rondkeek.

“Ze is nog niet thuisgekomen,” zei mevrouw Cratchit.

“Nog niet thuisgekomen?” herhaalde Bob, en meteen verdween zijn vrolijkheid. Martha had namelijk de hele weg terug van de kerk op zijn rug gezeten, dartel en opgewekt. “Nog niet thuisgekomen, en dat op Kerstdag!”

Martha kon het niet over haar hart verkrijgen om hem nog langer te plagen, zelfs niet voor de grap. Ze kwam achter het kamerdeurtje vandaan en vloog in zijn armen, terwijl de kleintjes Tim van zijn schouders tilden en hem naar het washok brachten, waar de pudding in de koperen ketel stond te pruttelen.

“En hoe heeft kleine Tim zich gedragen?” vroeg mevrouw Cratchit, nadat ze Bob hartelijk had uitgelachen om zijn goedgelovigheid en hij zijn dochter had omhelsd.

“O, zo goed! Beter dan ik had durven hopen,” antwoordde Bob. “Soms zit hij wat te veel in gedachten verzonken, naar mijn zin, en dan heeft hij de vreemdste invallen. Onderweg naar huis vertelde hij dat hij blij zou zijn als de mensen hem in de kerk hadden zien zitten, omdat hij kreupel is, en dat het hen eraan zou herinneren met Kerst diegene te gedenken die de kreupelen deed lopen en de blinden het gezicht teruggaf.”

Bob vertelde het met een trillende stem, die nog meer beefde toen hij zei dat kleine Tim sterk en gezond zou worden. Op dat moment klonk het duidelijke getik van zijn kruk op de vloer, en daar kwam Tim zelf al binnen, vergezeld door zijn broer en zus. Hij kroop meteen naar het haardhoekje, terwijl Bob, zijn jas omslaand alsof de arme jongen nog kouder kon worden, een warme drank van brandewijn en citroen bereidde. Hij roerde het mengsel om en zette het zachtjes op een stoofje te pruttelen.

Peter ging intussen samen met de twee jongste Cratchits de gans halen. Even later kwamen ze triomfantelijk terug, alsof ze een schat hadden buitgemaakt. Het gejoel was zo groot dat je zou denken dat een gans de zeldzaamste vogel op aarde was, vergeleken waarmee een zwarte zwaan iets heel gewoons leek. En in dit huis wás dat ook zo.

Mevrouw Cratchit maakte de jus heet; Peter stampte de aardappelen met groot enthousiasme; Belinda roerde de suiker door de appelmoes; Martha droogde de borden af; Bob zette kleine Tim aan een hoek van de tafel naast zich; en de twee kleintjes schoven voor iedereen stoelen aan, waarbij ze hun eigen plek niet vergaten. Zodra ze zaten, staken ze snel hun lepels in hun mond, alsof ze bang waren te vroeg om een stukje gans te vragen.

Toen werden de borden neergezet en werd er gebeden. Daarna volgde een plechtige stilte, terwijl mevrouw Cratchit het mes bekeek waarmee ze de borst van de gans zou aansnijden. Zodra ze het opvulsel tevoorschijn haalde en op de schaal liet vallen, barstte er een gejuich los rond de tafel. Zelfs kleine Tim tikte met het heft van zijn mes op tafel en riep met een zwak stemmetje: “Hoera!”

Nog nooit was er zo’n gans geweest! Bob beweerde niet te geloven dat er ooit zo’n mooie gebraden was. De geur, de malsheid, de grootte én de betaalbaarheid waren onderwerp van algemene bewondering. Met de appelmoes en aardappelen erbij was het een overvloedige maaltijd voor het hele gezin. En, zoals mevrouw Cratchit verheugd opmerkte toen ze een stukje van een poot op de schaal zag liggen: ze hadden nog niet eens alles opgegeten. De kleintjes vooral hadden zich flink tegoed gedaan aan de salie- en uiensaus.

Daarna ruimde Belinda de borden af, en mevrouw Cratchit — te zenuwachtig om hulp te vragen — ging alleen de pudding halen. Wat als hij niet gaar was? Wat als hij bij het uitnemen uit elkaar viel? Wat als iemand hem stiekem had gestolen terwijl zij zich met de gans vermaakten? Alleen al bij die gedachte werden de kleintjes lijkbleek.

Maar daar kwam de stoom al! De pudding was uit de ketel. Het rook in het washok alsof het wasdag was — dat kwam door de doek — en tegelijk als in een bakkerij én een wasserij. Binnen een halve minuut kwam mevrouw Cratchit weer binnen, rood van de hitte maar met een trotse glimlach, de pudding hoog in haar armen. Hij was zo stevig als een kanonskogel, dreef in brandewijnsaus en was versierd met een takje hulst.

“Een heerlijke pudding!” zei Bob Cratchit, en voegde er kalm aan toe dat het het beste werk was dat zijn vrouw sinds hun trouwdag had gemaakt. Mevrouw Cratchit gaf toe dat ze bang was geweest dat er te weinig meel in zat. Iedereen zei er iets lovends over, en niemand durfde te suggereren dat hij te klein was voor zo’n groot gezin. Dat zou een schande geweest zijn.

Toen het eten voorbij was, werd het tafellaken weggehaald, de haard opgeruimd en een nieuw vuur aangemaakt. De warme drank werd geproefd en goed bevonden; appels en sinaasappels werden op tafel gezet; een ijzeren plaat met hazelnoten ging op het vuur. Het hele gezin ging zitten in wat Bob een kring noemde — maar eigenlijk was het meer een halve kring — en naast zijn elleboog stond het tafeltje met alle glazen die ze bezaten: twee drinkglazen met een versierde voet, waarvan het oor afgebroken was.

De warme drank uit de kom smaakte er niet minder om dan wanneer hij in gouden bekers was geschonken. Bob schonk de glazen vol, zijn ogen twinkelden van plezier, terwijl de hazelnoten boven het vuur knapten en kraakten, een genot om naar te luisteren.

“Nu, lieve kinderen: op onze vrolijke Kerstdag! God geve ons Zijn zegen!” zei Bob.

Het hele gezin herhaalde de wens.

“God zegene ons allemaal!” zei kleine Tim als laatste.

Hij zat dicht tegen zijn vader aan op zijn kleine stoeltje. Bob hield zijn magere handje vast, alsof hij bang was dat iemand het kind, dat hij zo liefhad, van hem zou wegrukken.

“Geest,” zei Scrooge met een belangstelling die hij nog nooit eerder had gevoeld, “vertel me… zal kleine Tim in leven blijven?”

“Ik zie een lege plek bij de haard,” antwoordde de Geest, “en een kruk zonder eigenaar, zorgvuldig bewaard. Als deze toekomstbeelden niet veranderen, zal het kind sterven.”

“O nee!” riep Scrooge. “O nee, goede Geest, zeg dat hij zal leven!”

“Als deze schimmen onveranderd blijven,” herhaalde de Geest, “zal geen ander van mijn geslacht hem hier terugzien. En wat maakt het uit? Als hij sterven wil, is het beter dat hij sterft en ons verlost van het teveel aan bevolking.”

Op het horen van zijn eigen, vroegere woorden liet Scrooge zijn hoofd hangen, overmand door verdriet en spijt.

“Mens!” zei de Geest streng. “Als je in je hart een mens bent en geen steen, houd dan op met zulke onzin te praten voordat je weet wat en wie dat zogenaamd overtollige is. Denk je dat jij mag beslissen wie leeft en wie sterft? Misschien ben jij in Gods ogen minder waard dan miljoenen die lijken op dit kind van een arme man. O mijn God! Moet de worm op het blad verklaren dat er te veel hongerige broeders in het zand leven?”

Scrooge boog beschaamd het hoofd en keek naar de grond, maar keek weer op toen hij zijn eigen naam hoorde.

“Op de gezondheid van meneer Scrooge!” zei Bob. “Ik wil op zijn gezondheid drinken. Hij is de aanleiding van ons feest.”

“Een mooie aanleiding voor ons feest, inderdaad!” riep mevrouw Cratchit fel, terwijl haar wangen rood kleurden. “Ik zou willen dat hij hier was. Dan zou ik hem eens naar mijn hart trakteren — en ik hoop dat het hem zou bekomen!”

“Lieve,” zei Bob zacht, “denk aan de kinderen, en aan Kerst.”

“Ja, juist… alleen op Kerst zou ik op de gezondheid drinken van zo’n hatelijke, harde en ongevoelige man als meneer Scrooge. Jij weet het best hoe hij is, arme ziel!”

“Denk aan Kerst,” herhaalde Bob vriendelijk.

“Niet om hem, maar om jou en om Kerst zal ik op zijn gezondheid drinken. Lang moge hij leven! Een vrolijk Kerstfeest en gelukkig nieuwjaar — al twijfel ik er niet aan dat hij het beiden zal hebben,” zei ze met bittere ironie.

De kinderen dronken de toast na, maar zonder enthousiasme. Kleine Tim dronk als laatste, maar het liet hem koud. Voor het hele gezin was Scrooge de boeman. Alleen al als zijn naam werd genoemd, verspreidde dat al een waas van somberheid, die wel vier of vijf minuten bleef hangen.

Toen die bui voorbij was, werden ze vrolijker dan daarvoor — enkel al bij de gedachte dat ze niet met die bullebak te maken hadden. Bob vertelde dat hij misschien een baantje voor Peter had gevonden dat hem vijf of zes stuivers per week zou opleveren. De twee kleintjes schaterden bij het idee dat Peter een betrekking zou hebben, en Peter zelf keek peinzend in het vuur, alsof hij overdacht welke prachtige kleren hij zou kopen van zo’n enorm inkomen.

Martha, die als leermeisje bij een naaister werkte, vertelde wat voor werk ze deed, hoeveel uren ze achter elkaar naaide, en hoe ze morgen heerlijk wilde uitslapen, omdat ze de hele dag thuis zou zijn. Ze vertelde dat ze kortgeleden een gravin met een lord had gezien, en dat die lord bijna net zo lang was als Peter — waarop Peter zijn kraag zo hoog optrok dat je zijn hoofd niet meer kon zien.

Intussen gingen de kom met drank en de schaal met hazelnoten rond. Kleine Tim zong een liedje over een kind dat in de sneeuw verdwaalde, met zijn zachte, klaaglijke stemmetje, dat werkelijk mooi klonk.

Er was niets bijzonders of verfijnds aan dit alles. Niemand van hen was knap of rijk gekleed: hun schoenen waren verre van waterdicht, hun kleren armoedig, en het was goed mogelijk dat Peter het pandjeshuis kende. Maar ze waren gelukkig, dankbaar en tevreden met elkaar. En toen ze nóg gelukkiger leken terwijl de Geest hen bij het afscheid nog eens met zijn fakkel zegende, hield Scrooge zijn blik tot het laatst op hen gericht — vooral op kleine Tim.

Het werd donker en begon hard te sneeuwen. Terwijl de Geest en Scrooge door de straten liepen, was het wonderlijk te zien hoe de vuren in keukens en kamers brandden. Overal was de gloed van feestmaaltijden te zien; borden werden voor het vuur verwarmd en zware, donkerrode gordijnen dichtgetrokken tegen de kou. Kinderen renden naar buiten om hun getrouwde zussen, broers, nichten, ooms en tantes tegemoet te gaan en hen een kerstgroet te brengen. Achter de gordijnen zag je de schaduwen van binnenkomende gasten, en verderop huppelde een groepje meisjes, in hoeden en vilten laarsjes, giechelend naar het huis van een buurman. Wee de arme vrijgezel — en de meisjes wisten het goed — die hen met rode wangen van de kou binnen zag komen!

Aan het aantal mensen te zien dat op straat onderweg was naar feestelijkheden, zou je denken dat er niemand thuisbleef om gasten te ontvangen — en niet dat in elk huis gezelschap werd verwacht, met vuren die tot halverwege de schoorsteen oplaaiden.

Goede hemel, hoe genoot de Geest van dit schouwspel! Hoe ontblootte hij zijn brede borst, hoe opende hij zijn grote hand, en hoe gleed hij voort om met een mild hart zijn vreugde over alles wat hij tegenkwam uit te storten! Zelfs de lantaarnopsteker, die voor hen uitliep om de donkere straat met kleine lichtvlekjes te verlevendigen, lachte van harte toen de Geest hem passeerde — ook al had die man geen idee dat hij die avond in heel ander gezelschap verkeerde dan hij zelf dacht.

En toen stonden ze plotseling, zonder waarschuwing van het Spook, op een eenzame, desolate kust. Zware steenblokken lagen verspreid als grafzerken voor reuzen. Het water zou tot ver op het land zijn gestroomd, ware het niet dat de vorst het had tegengehouden. Er groeide niets behalve wat mos, varens en dor, stekelig gras. In het westen had de ondergaande zon een vurige, rode streep achtergelaten, die de ruige omgeving nog even verlichtte, voor ze steeds lager zonk en in de duisternis van de nacht verdween.

“Welke plaats is dit?” vroeg Scrooge.

“Hier wonen mijnwerkers, die diep in de aarde werken,” antwoordde het Spook. “Maar ze kennen mij. Kijk maar!”

Door het raam van een hut scheen licht. Ze gingen erheen en drongen door de klei- en stenen muur naar binnen. Daar zat een vrolijk gezelschap rond een knapperend vuur: een stokoude man en vrouw, hun kinderen, kleinkinderen, en zelfs achterkleinkinderen, allemaal vrolijk in hun zondagse kleren. De oude man zong een kerstlied, een lied dat zelfs in zijn jeugd al oud was. Af en toe zongen de anderen met hem mee, en telkens als dat gebeurde, werd zijn stem sterker. Als ze ophielden, zakte zijn stem weg.

Het Spook hield zich hier niet lang op. Hij gebood Scrooge zijn mantel vast te houden, en samen liepen ze over het moeras — maar waarheen? Niet toch de zee op? Jawel! Scrooge zag, toen hij omkeek, tot zijn schrik de kust verdwijnen en achter zich een rij kale klippen. Hij werd bedwelmd door het gedreun van de golven, die in uitgeholde spelonken bulderden en probeerden het land te ondermijnen.

Op bijna een mijl van de kust stond, op een akelig rif van blinde rotsen waar de zee het hele jaar woest tegenaan sloeg, een eenzame vuurtoren. De voet was bedekt met zeewier, en stormvogels en meeuwen vlogen er omheen, gedragen door de wind zoals het wier door het water.

Zelfs daar hadden twee vuurtorenwachters een vuur gestookt. Door een kijkraam in de dikke stenen muur scheen een bundel licht over de sombere zee. Ze reikten elkaar hun sterke handen, wensten elkaar bij een kan grog een vrolijke kerst, en de oudste — wiens gezicht door storm en weer bijna tot een scheepsornament was verweerd — begon een lied te zingen met een stem die op een storm leek.

Weer spoedde het Spook zich voort met Scrooge, over de donkere, deinende zee, tot ze, ver van elke kust, aan boord van een schip neerstreken. Ze stonden bij de stuurman aan het roer, bij de uitkijk op het voorschip, en bij de matrozen die wachtliepen. Donkere gestalten, op hun posten, maar ieder neuriede een kerstlied, dacht terug aan kerst, of sprak zachtjes met een maat over vroeger. Elk had die dag een vriendelijker woord dan anders, en dacht aan degenen die hem lief waren — en wist dat die ook aan hem zouden denken.

Terwijl Scrooge naar het huilen van de wind luisterde en bedacht hoe plechtig het was om in die stilte en verlatenheid over een onbekende diepte te varen — zo geheimzinnig en onpeilbaar als de dood zelf — hoorde hij plotseling iemand uitbundig lachen.

Hij stond nog meer versteld toen hij in die lach de stem van zijn neef herkende, en zichzelf ineens in een lichte, warme kamer bevond, terwijl de Geest glimlachend naast hem stond, duidelijk goedkeurend kijkend naar die neef.

“Ha! ha! ha!” lachte Scrooge’s neef. “Ha! ha! ha!”

Mocht jij iemand kennen wiens lach vrolijker klinkt dan die van Scrooge’s neef, dan zou ik die persoon graag ontmoeten. Breng hem alsjeblieft bij me.

Het is een gelukkige wetmatigheid van het leven dat, terwijl ziekte en verdriet besmettelijk zijn, niets zo onweerstaanbaar aanstekelijk is als oprechte vrolijkheid. Toen Scrooge’s neef zo lachte dat hij zijn zij vastgreep, zijn hoofd achterover wierp en duizend gekke trekjes in zijn gezicht kreeg, begon zijn vrouw net zo uitbundig mee te lachen. De vrienden om hen heen wilden niet achterblijven en schaterden even hard mee.

“Ha! ha! ha! En het is nog waar ook: hij zei dat Kerst maar onzin was,” riep Scrooge’s neef, “en hij meende het nog ook!”

“Des te beschamender voor hem, Frits,” zei zijn vrouw verontwaardigd.

Scrooge’s nicht was mooi, buitengewoon mooi. Ze had een open gezicht, kuiltjes in haar wangen, een kleine mond die gemaakt leek om te kussen, en een lief, rond kinnetje — vooral als ze lachte. Haar ogen waren het vriendelijkste paar dat je bij zo’n lief mens kon wensen. Ze had iets plagerigs, maar was ook altijd bereid alles weer goed te maken.

“Hij is een zonderlinge oude vrek,” ging Frits verder, “dat is waar, en gezellig is hij niet. Maar zijn gebreken zijn hun eigen straf. Ik heb geen reden om hem iets kwalijk te nemen.”

“Ik geloof dat hij schatrijk is, Frits!” zei Scrooge’s nicht. “Dat heb je me in elk geval al vaak genoeg verteld.”

“Wat heeft hij eraan, lieve? Zijn rijkdom dient hem nergens toe. Hij doet er helemaal geen goed mee. Hij gunt zichzelf er niet eens een beetje gemak van. Hij heeft zelfs niet het plezier om te denken dat hij het allemaal alleen maar spaart voor ons. Ha! ha! ha!”

“Ik mag hem niet,” zei Scrooge’s nicht. De zussen van Scrooge’s nicht en alle andere dames waren het daar volledig mee eens.

“Ik wel,” zei Scrooge’s neef. “Het spijt me om hem, maar kwaad op hem kan ik niet worden, al zou ik willen. Wie lijdt het meest onder zijn grillen? Hijzelf. Hij vond dat hij niet bij ons wilde komen eten — en wat is daarvan het gevolg? Nou, veel mist hij niet aan onze maaltijd.”

“Ik denk dat hij er heel veel aan mist,” viel Scrooge’s nicht hem in de rede. Iedereen knikte instemmend — en wie kon dat beter beoordelen dan zij, die het maal net hadden genoten en nu, met het nagerecht op tafel, gezellig rond de lamp bij het vuur zaten?

“Nou, ik ben blij dat jullie er allemaal zo over denken,” zei Scrooge’s neef. “Want ik heb weinig vertrouwen in zulke jonge gastvrouwen. Wat zeg jij ervan, Topper?”

Topper, die duidelijk zijn oog op een van de zussen van Scrooge’s nicht had laten vallen, antwoordde dat hij een ongehuwde, een ongelukkige balling was die geen recht had om zijn mening hierover te geven. Waarop de bewuste zus — het fijne meisje met het kanten cachet, niet degene met de rozen — heftig begon te blozen.

“Goed zo, Frits!” riep Scrooge’s nicht terwijl ze in haar handen klapte. “Hij zegt nooit wat hij écht denkt, mijn rare man!”

Scrooge’s neef begon opnieuw onbedaarlijk te lachen — en het was onmogelijk om niet mee te doen, hoezeer het fijne meisje ook probeerde haar gezicht in de plooi te houden. Zijn aanstekelijke voorbeeld werkte als een lopend vuurtje.

“Ik wilde alleen zeggen,” ging Frits verder, “dat het gevolg van zijn weigering om bij ons te komen, is dat hij een paar momenten van onschuldig plezier aan zich voorbij laat gaan. En ik weet zeker dat hij een veel leuker gezelschap mist dan dat van zijn eigen gedachten — of dat nu op zijn vochtige kantoor is, of in zijn stoffige kamer. Ik ga elk jaar opnieuw proberen hem over te halen, of hij daar nu zin in heeft of niet. Want ik heb medelijden met hem. Al is het alleen maar zodat hij eens overweegt zijn arme klerk vijftig pond na te laten. En ik geloof dat ik gisteren al een beetje zijn hart heb geraakt.”

Nu was het de beurt van de anderen om te lachen bij het idee dat hij Scrooge’s hart geraakt zou hebben. Maar omdat Frits een goedhartig man was, kon het hem weinig schelen waaróm men lachte, zolang er maar gelachen werd. Dus moedigde hij hen nog meer aan en liet vrolijk de fles rondgaan.

Na de thee werd er muziek gemaakt — de hele familie was muzikaal en deinsde niet terug voor de levendigste presto of de lastigste fuga. Topper was een goede zanger en kon met zijn zware basstem zingen zonder dat de aderen op zijn voorhoofd zwollen of zijn gezicht rood werd alsof hij een oven had aangeblazen. Scrooge’s nicht speelde prachtig harp en onder andere een eenvoudig melodietje (een niemendalletje dat je in een paar minuten kon leren fluiten) dat ooit heel bekend was geweest bij het kind dat Scrooge uit kostschool was komen halen, zoals de Geest van het Verleden hem had laten zien. Terwijl ze speelde, kwamen al die herinneringen bij hem terug. Hij werd steeds zachter van gemoed en begon te denken dat, als hij hier jaren geleden vaker naar had kunnen luisteren, hij vanzelf het ware geluk van het leven had leren kennen — zonder dat de schop van de doodgraver, die Jakob Marley begraven had, nodig was geweest.

Maar de hele avond bleef het niet bij muziek. Even later begonnen ze panden te verbeuren, want soms is het goed om weer even kind te worden — en nooit past dat beter dan met Kerst, toen de machtige Stichter van dat feest zelf een kind was.

Maar wacht, eerst werd er blindemannetje gespeeld — niets natuurlijker. Ik voor mij geloof evenmin dat Topper écht niets kon zien, als dat hij ogen in zijn laarzen had. Het leek me eerder een afspraakje tussen hem en Frits, en misschien wist de Geest van het Tegenwoordige Kerstfeest er ook van. De manier waarop hij achter het fijne meisje met het kanten cachet aan zat, was een regelrechte belediging voor iemands geloof in de goedheid van de mens. Hij mocht over stoelen struikelen, tegen de piano botsen of achter de gordijnen verdwalen — welke kant zij ook op ging, hij volgde haar. Hij voelde naar geen enkele andere speler.

Al botste iemand frontaal tegen hem op of bleef vlak voor hem stilstaan, hij deed alleen maar alsof hij naar hen tastte, om dan onmiddellijk opzij te schieten in de richting van het fijne meisje. Ze riep vaak dat het niet eerlijk was — en dat was het ook niet. Maar toen hij haar eindelijk te pakken kreeg, ondanks het ritselen van haar zijden jurk en haar vlugge bewegingen, en haar in een hoekje dreef waaruit ontsnappen onmogelijk was, werd zijn gedrag op z’n zachtst gezegd onbetamelijk. Al zijn uitvluchten dat hij haar niet herkende, dat hij haar hoed moest aanraken of een ring aan haar vinger of een ketting om haar hals moest voelen om zeker te zijn wie ze was — het was schaamteloos. En ze zal hem dat vast niet in dank hebben afgenomen, toen ze later, terwijl een andere blindeman bezig was, samen achter de gordijnen stonden te fluisteren.

Scrooge’s nicht had niet meegedaan met blindemannetje, maar zat rustig met een stoel en een stoof in een hoekje, precies waar het Spook en Scrooge achter haar stonden. Maar bij het pandspel deed ze wel mee en ze ging de hele rij van haar vrijers van A tot Z door met zo’n snelheid, dat iedereen versteld stond. Ook in het spel Hoe, Wanneer en Waar was ze zeer bedreven, tot grote vreugde van Scrooge’s neef, en ze stak daarin haar zussen de loef af, hoe scherpzinnig die ook waren — zoals Topper u wel zou kunnen vertellen.

Er waren misschien wel twintig mensen, oud en jong door elkaar, maar iedereen speelde mee, zelfs Scrooge; want zo geboeid was hij door wat hij om zich heen zag, dat hij vergat dat zijn stem voor hen onhoorbaar was. Zo kwam het dat hij soms hardop een gok deed, en vaak goed ook, want de scherpste naald uit de fabriek van Whitechapel was niet scherper dan Scrooge’s oog, hoe dom hij zich anders ook graag voordeed.

Het Spook was zichtbaar verheugd om hem zo opgewekt te zien en keek hem zo vriendelijk aan, dat Scrooge — bijna als een jongen — vroeg of hij daar mocht blijven tot de gasten weg waren. Maar het Spook zei dat dat niet kon.

“Daar begint een nieuw spel,” zei Scrooge. “Nog een half uurtje, Geest! Nog één half uurtje!”

Dat spel heette Ja en Nee. Scrooge’s neef moest ergens aan denken, en de anderen moesten raden wat, waarbij hij alleen maar ja of nee mocht antwoorden. De stortvloed aan vragen die op hem afkwam, bracht hem ertoe te verklaren dat hij dacht aan een dier — een levend dier, een heel onaangenaam dier, een wild dier, een dier dat soms gromde en bromde, en soms praatte; een dier dat in Londen thuishoorde, door de straten liep en toch niet in het openbaar tentoongesteld werd, door niemand werd geleid, tot geen enkele menagerie behoorde, nooit op een markt werd verkocht; geen paard, geen ezel, geen os, geen stier, geen tijger, geen hond, geen varken, geen kat en geen beer.

Bij elke nieuwe vraag barstte de neef weer in lachen uit, zo heftig dat hij niet meer op de bank kon blijven zitten maar moest opstaan en van het lachen met zijn voeten stampte.

Eindelijk riep het fijne meisje in een even grote lachbui:

“Ik heb het! Ik weet het, Frits!”

“Wat dan?”

“Je oom Scro—o—o—oge!”

En ja, dat was het. Allen juichten de vondst toe, al vonden sommigen dat Frits de vraag “Is het een beer?” eigenlijk met ja had moeten beantwoorden, want anders zou niemand op Scrooge zijn uitgekomen.

“Kom nou,” zei Frits, “hij heeft ons al best wat plezier bezorgd, dus het zou ondankbaar zijn om niet op zijn gezondheid te drinken. Hier hebben we een glas hete wijn en ik zeg: op oom Scrooge!”

“Op oom Scrooge!” riepen de anderen.

“Een vrolijk Kerstfeest en een gelukkig Nieuwjaar voor de oude man, hoe hij ook is,” zei Scrooge’s neef. “Hij wilde het niet van mij aannemen, maar hij krijgt het toch. Oom Scrooge!”

Oom Scrooge was inmiddels zo vrolijk en licht van hart geworden, dat hij het gezelschap — zonder dat ze het wisten — dolgraag had willen bedanken in stille, onhoorbare woorden, als het Spook hem maar de tijd had gegeven. Maar alles verdween bij het laatste woord van zijn neef, en hij was alweer op reis met het Spook.

Ze zagen veel, reisden ver, en bezochten talloze huizen — altijd met een gelukkige uitkomst. De Geest stond naast menig ziekbed en bracht er vreugde; in verre landen, waar het ineens leek alsof men thuis was; bij menige strijd in het hart, die eindigde in blijdschap; bij armoede, die even rijk leek; in weeshuizen, ziekenhuizen en gevangenissen — overal waar de trotse mens in zijn kortstondige macht de deur niet voor hem gesloten had, liet de Geest zijn zegen achter en leerde Scrooge zijn lessen.

Het was een lange nacht — als het er al maar één was. Scrooge twijfelde, want het leek alsof alle Kerstdagen samen in één tijdsbestek samenvloeiden. Opvallend was dat het Spook, terwijl Scrooge zelf onveranderd bleef, zichtbaar ouder werd. Scrooge had het al opgemerkt, maar zweeg erover tot ze een Driekoningenfeest hadden verlaten. Toen, staand op een open plek, zag hij dat het haar van het Spook grijs was geworden.

“Leven de Geesten zo kort?” vroeg Scrooge.

“Mijn leven op aarde is in elk geval heel kort,” antwoordde de Geest. “Het eindigt vannacht.”

“Vannacht!” riep Scrooge uit.

“Ja, om middernacht. Luister, dat uur nadert al.”

Op dat moment sloegen de klokken kwart voor twaalf.

“Vergeef me als ik te veel vraag,” zei Scrooge, terwijl hij naar het gewaad van de Geest keek, “maar ik zie daar iets onderuit komen dat niet bij u lijkt te horen. Is het een voet… of een klauw?”

“Om het vlees dat erop zit, zou je het een klauw kunnen noemen,” antwoordde de Geest treurig. “Kijk.”

Uit de plooien van zijn mantel kwamen twee kinderen tevoorschijn: mismaakte, ellendige, meelijwekkende wezens. Ze knielden voor hem neer en klemden zich vast aan de zoom van zijn kleed.

“Kijk hier! Kijk!” riep de Geest.

Het waren een jongetje en een meisje. Ze zagen er geel en mager uit, met gescheurde kleren, smekend en hongerig. Waar hun jeugdige gelaatstrekken hadden moeten stralen, had een gerimpelde hand — als die van de ouderdom — hun gezicht tot kleine geraamtes gemaakt. Waar engelen hadden moeten zitten, loerden demonen dreigend. Geen enkel bederf van het menselijk lichaam, hoe vreselijk ook, kon zulke afzichtelijke wezens voortbrengen.

Scrooge deinsde terug. Hij wilde nog zeggen dat het “lieve kindertjes” waren, maar de woorden stierven op zijn lippen — hij kon zo’n leugen niet uitspreken.

“Zijn ze van u, Geest?” was alles wat hij kon zeggen.

“Het zijn kinderen van de mensen,” antwoordde de Geest. “Ze ontvluchten hun ouders en zoeken bescherming bij mij. Die jongen is Onwetendheid. Dat meisje is Gebrek. Wees op je hoede voor allebei, en voor wat ze voortbrengen; maar pas vooral op voor de jongen, want ik zie — tenzij het wordt uitgewist — verdoemenis op zijn voorhoofd geschreven. Ontken het! Noem mij een leugenaar! Maar wacht af wat het einde wordt.”

“Hebben ze dan geen toevluchtsoord?” riep Scrooge.

“Zijn er geen gevangenissen?” antwoordde de Geest, voor het laatst zijn eigen woorden tegen hem gebruikend. “Zijn er geen werkhuizen?”

De klok sloeg twaalf.

Scrooge keek om — maar het Spook was verdwenen. En terwijl de laatste slag nog nagalmde, herinnerde hij zich de waarschuwing van Jakob Marley. Hij keek op… en zag een statige verschijning, van top tot teen gehuld, als een kolom van mist die over de grond naar hem toe kwam.


Hoofdstuk 4: Het laatste spook

Dit spook naderde hem langzaam, ernstig en stil. Toen het dicht bij hem stond, boog Scrooge voor het, want de lucht zelf, waar de verschijning zich door bewoog, scheen duisternis en geheimzinnigheid om zich heen te verspreiden.

Het was in een somber zwart gewaad gehuld, waarin zijn hoofd, gezicht en hele gestalte gewikkeld waren, zodat er niets anders dan één uitgestrekte hand zichtbaar was. Zonder die zou het moeilijk zijn geweest de verschijning, van de nacht en de duisternis die haar omgaven, te onderscheiden.

Scrooge voelde dat het een rijzige en statige gestalte was toen deze hem naderde, en dat zijn geheimzinnige aanwezigheid hem een plechtig ontzag inboezemde. Meer wist hij niet, want het spook sprak geen woord en bewoog zich verder niet.

“Ben jij de geest van de toekomstige kerstdagen?” vroeg Scrooge.

Het spook gaf geen antwoord, maar wees met zijn hand naar de grond.

“Jij zult mij zeker de schaduwen tonen van de dingen die nog niet gebeurd zijn, maar in de toekomst zullen plaatsvinden?” vervolgde Scrooge. “Is dat niet zo, geest?”

De plooien van het bovenkleed trokken zich even samen, alsof het spook zijn hoofd boog, maar dat was het enige antwoord dat Scrooge kreeg.

Hoewel hij inmiddels tamelijk gewend was geraakt aan het omgaan met geesten, was Scrooge voor dit zwijgende verschijnsel zo bevreesd dat zijn knieën knikten, en hij, terwijl hij het wilde volgen, nauwelijks op zijn benen kon blijven staan. Het spook wachtte enkele ogenblikken, alsof het zijn toestand doorzag en hem even de tijd gaf om weer op adem te komen.

Hij werd overvallen door een onbeschrijfelijke angst bij de gedachte dat er vanonder het akelige gewaad misschien een paar spookachtige ogen naar hem keken, terwijl hij, hoe hij ook zijn best deed, niets anders kon zien dan de hand van het spook, die uit het zwarte omhulsel stak.

“Geest van de toekomst!” riep hij uit. “Ik vrees je meer dan enige andere verschijning die ik gezien heb. Maar omdat ik weet dat je voornemen is om mij goed te doen, en omdat ik hoop te zullen leven als een heel ander mens dan ik geweest ben, wil ik je graag en met een dankbaar hart vergezellen. Wil je niet tot mij spreken?”

Hij kreeg geen antwoord, maar de hand strekte zich recht voor hem uit.

“Leid mij,” zei Scrooge. “Leid mij! De nacht is bijna voorbij, en ik weet dat hij kostbare tijd voor mij betekent. Leid mij, geest!”

Het spook ging hem voor op dezelfde manier als het gekomen was. Scrooge volgde in de schaduw van zijn gewaad, dat hem, zo leek het, opnam en verder meevoerde.

Men kan nauwelijks zeggen dat ze de stad binnengingen, want het leek eerder alsof die om hen heen oprees en hen vanzelf omsloot. Toch stonden ze nu midden op de beurs, tussen de kooplieden die daar op en neer liepen, met het geld in hun zakken rammelden, in groepjes met elkaar praatten, op hun horloges keken en in een peinzende houding met hun grote gouden zegelringen speelden, zoals Scrooge hen vaak had zien doen.

Het spook bleef dicht bij een klein groepje handelaren staan. Toen Scrooge merkte dat de hand naar hen wees, deed hij een stap naar voren om hun gesprek af te luisteren.

“Nee,” zei een grote, dikke man met een forse kin, “ik weet van het een zo veel als van het ander. Alles wat ik weet, is dat hij dood is.”

“Wanneer is hij gestorven?” vroeg een ander.

“Gisteravond, geloof ik.”

“En wat heeft hem gescheeld?” vroeg een derde, terwijl hij uit een enorme snuifdoos een snuifje nam. “Ik dacht dat het leven in hem verroest was.”

“God weet het,” zei de eerste spreker geeuwend.

“Wat heeft hij met zijn geld gedaan?” vroeg een heer met een hoogrode kleur en een klein neerhangend gezwelletje aan het uiteinde van zijn neus, dat trilde als de lel van een kalkoen.

“Daar heb ik niets van gehoord,” antwoordde de man met de brede kin, opnieuw geeuwend. “Misschien heeft hij het aan zijn compagnon nagelaten. Mij heeft hij het in elk geval niet nagelaten, dat weet ik wel.”

Die grap werd van alle kanten met gelach begroet.

“Het zal waarschijnlijk een goedkope begrafenis worden,” zei dezelfde spreker, “want eerlijk gezegd, ik ken niemand die erheen gaat. Zullen we het uit aardigheid maar doen?”

“Dat wil ik wel,” merkte de man met het gezwelletje aan zijn neus op, “mits er een begrafenismaal is, want als ik zoiets doe, wil ik er ook wat te eten bij hebben.”

Er klonk opnieuw gelach.


“Ik ben in elk geval de onbaatzuchtigste van jullie allemaal,” zei de eerste spreker, “want ik draag nooit zwarte handschoenen en eet nooit tussendoor. Maar als er iemand anders gaat, ga ik ook. En nu ik erover nadenk, geloof ik dat ik nog een heel goede vriend van hem was; want als we elkaar tegenkwamen, bleven we altijd staan om samen te praten. Goede dag, heren! Goede dag!”

De spreker en zijn toehoorders liepen uiteen en voegden zich bij andere groepjes.

Scrooge kende die mensen en keek het spook aan, alsof hij een verklaring van hem verwachtte. Het spook zweefde een straat in en wees met zijn vinger naar twee mannen die elkaar ontmoetten. Scrooge luisterde ook naar hen, in de veronderstelling dat hun gesprek de verklaring zou geven waar hij op hoopte. Hij kende ook deze mannen heel goed: rijke en vooraanstaande kooplieden. Hij had altijd zijn best gedaan om hoog in hun achting te staan — op het gebied van zaken, en uitsluitend op dat gebied.

“Hoe gaat het?” vroeg de een.

“Hoe maakt u het?” vroeg de ander.

“Wel?” zei de eerste, “de oude Harpax is eindelijk dan toch overleden?”

“Dat hoor ik,” antwoordde de ander. “Het is koud, nietwaar?”

“Precies op tijd voor Kerstmis. — Trouwens, kun jij schaatsrijden?”

“Nee, nee. Ik heb wel andere dingen om aan te denken. Goedemorgen!”

Geen woord meer! Dat was het hele treffen, het hele gesprek en het hele afscheid.

In eerste instantie verbaasde het Scrooge enigszins dat het spook zulke ogenschijnlijk onbeduidende gesprekken belangrijk vond. Maar ervan overtuigd dat ze een verborgen betekenis moesten hebben, begon hij te overwegen wat die kon zijn. Hij dacht niet dat ze iets te maken hadden met de dood van zijn oude compagnon Jacob Marley, want dat was lang geleden, en deze geest was de geest van de toekomst. Op iemand anders die zo direct met hem verbonden was, kon hij ze ook niet goed toepassen. Toch twijfelde hij er niet aan dat ze, wie het onderwerp ook was, een morele les voor hemzelf inhielden. Daarom besloot hij elk woord dat hij hoorde en alles wat hij zag op te slaan in de schatkamer van zijn hart, en vooral zijn eigen verschijning, mocht hij die zien, scherp in de gaten te houden. Hij verwachtte vast dat zijn toekomstig gedrag hem het ontbrekende draadje zou opleveren waarmee hij het kluwen kon ontrafelen en de raadsels oplossen.

Hij zocht op die plek naar zijn eigen gedaante, maar een ander stond op zijn gebruikelijke hoekje. En hoewel de klok laat genoeg stond voor hem om daar te zijn, zag hij onder de menigte die door het portaal liep dat hij daar nog nooit eerder was geweest — al kende hij de ligging en de slechte reputatie van die buurt maar al te goed.

De straten waren er smal en smerig; de huizen en winkels zagen er ellendig uit; de bewoners waren halfnaakt, dronken, met kapotte schoenen en in het geheel haveloos. Alle steegjes en doorgangen loosden hun modder en vuil op de straten waaraan ze uitkwamen. De hele wijk ademde niets dan viezigheid, ondeugd en ellende.

Diep in dit hol van schaamteloze verloedering stond een klein, onaanzienlijk winkeltje onder een afdak, waar verroest ijzer, oude vodden, flessen, botten, vet en ander afval verkocht werden. Binnen lagen op de vloer stapels verroeste sleutels, spijkers, kettingen, deurhengsels, vijlen, weegschalen, gewichten en allerlei ijzerwaren. Tussen bergen oude rommel, bedorven vet en botten lagen geheimen die maar weinigen zouden willen doorgronden.

Midden tussen die koopwaar zat, bij een kachel op steenkool, een grijsharige schurk van bijna zeventig jaar. Tegen de strenge kou buiten had hij zich beschermd met een smerig gordijn van aan elkaar genaaide lappen, dat aan een touw hing. Daar zat hij, genietend van zijn stille afzondering, zijn pijp te roken.

Scrooge en het spook kwamen juist bij hem aan op het moment dat een vrouw met een zwaar pakket onder haar arm de winkel in stapte. Maar ze was nog maar net binnen, of er kwam een andere vrouw aan met een vergelijkbaar pakket, gevolgd door een man in een versleten zwarte jas. Deze schrok net zo van hun aanblik als zij van het zijne, toen ze elkaar herkenden.

Na een korte stilte van wederzijdse verbazing, waarin ook de man met de pijp deelde, barstten ze alledrie in luid gelach uit.

“Laat de werkster maar de eerste zijn!” riep degene die het eerst binnenkwam. “De wasvrouw mag de tweede zijn, en de knecht van de begrafenisondernemer de derde. Kijk eens aan, oude Joa, dat we elkaar zo toevallig hier aantreffen, wij drieën, zonder dat we het van elkaar wisten!”

“Je had geen betere plek kunnen kiezen,” zei oude Joa, terwijl hij zijn pijp uit zijn mond nam. “Kom in het kantoortje. Jij kent de weg hier allang, dat weet je wel, en de anderen zijn ook geen vreemden. Stil! Laat me eerst de winkeldeur sluiten. Hemel, wat kraakt dat ding! Zulke verroeste stukken ijzer als scharnieren vind je nergens meer, en zulke oude botten als die van mij lopen er ook niet veel. Nou, we zijn goed voor ons vak en passen bij elkaar. Kom in het kantoortje, het kantoortje!”

Dat kantoortje was de ruimte achter het gordijn. De oude man pookte het vuur op met een stuk van een oude ijzeren trapleuning. Daarna snoot hij de pit van zijn lamp (want het was avond) tussen zijn vingers en de steel van zijn pijp, en nam toen de pijp weer in zijn mond.

Terwijl hij dat deed, gooide de vrouw die als eerste had gesproken haar pakket op de vloer. Ze ging op onbeschofte wijze op een stoel zitten, sloeg haar armen over elkaar en keek de andere twee uitdagend aan.

“Nou, en wat dan nog, juffrouw Dilber?” zei de vrouw. “Iedereen heeft toch het recht om voor zichzelf te zorgen? Dat heeft hij ook altijd gedaan.”

“Dat is waar!” zei de wasvrouw. “Niemand meer dan hij.”

“Wel dan, mens, sta daar niet zo te kijken alsof je doodsbenauwd bent. We zijn toch niet gekomen om elkaar iets af te pakken, zou ik denken?”

“O nee, o nee,” zeiden juffrouw Dilber en de man tegelijk. “Dat hopen we toch niet.”

“Nou dan, dan is het goed,” riep de vrouw. “Wie zal er nou slechter van worden als je een paar van zulke vodden mist? Zeker een dode vent niet, zou ik denken.”

“Nee, inderdaad niet,” zei juffrouw Dilber, lachend.

“Als hij die oude raaf die nog na zijn dood had moeten bewaren,” vervolgde de vrouw, “waarom was hij dan in zijn leven geen beter mensenvriend? Dan had hij iemand bij zich gehad toen de dood hem trof, in plaats van moederziel alleen zijn laatste adem uit te blazen.”

“Dat is het waarachtigste woord dat ooit iemand gesproken heeft,” zei juffrouw Dilber. “Het is een oordeel dat over hem is gekomen.”

“Ik wou dat het nog wat zwaarder geweest was,” zei de vrouw. “En dat zou het ook geweest zijn, daar kun je heilig op vertrouwen, als ik mijn handen op iets anders had kunnen leggen. Maak dat bundeltje eens los, oude Joa, en geef me er een prijs voor. Spreek gewoon, en draai er niet omheen. Ik ben niet bang om de eerste te zijn, en ze mogen het gerust zien. We weten toch allemaal dat we elkaar, voordat we elkaar hier nu toevallig aantroffen, al in andere zaakjes geholpen hebben. Het is heus geen zonde. Maak maar los, Joa!”

Maar de galanterie van de anderen wilde dat niet toestaan. De man in de vale zwarte jas was de eerste die zijn buit tevoorschijn haalde. Het was niet veel: een paar zegelringen, een tekendoos, een paar manchetknopen en een gesp van weinig waarde — dat was alles. Joa bekeek de voorwerpen zorgvuldig, schreef het bedrag dat hij voor elk wilde geven met krijt op de muur, en telde het op toen er niets meer bij kwam.

“Daar is je rekening,” zei Joa. “En daar leg ik geen stuiver bij, al moesten ze me ervoor braden. — Wie nu?”

Juffrouw Dilber was de volgende. Hemden, handdoeken, wat ondergoed, twee ouderwetse zilveren theelepels, een suikertang en een paar laarzen. Haar rekening werd op dezelfde manier opgemaakt.

“Ik geef vrouwen altijd te veel,” zei oude Joa. “Dat is een zwak van me, en het zal me nog eens de das omdoen. Daar is je rekening. Vraag je er een cent meer voor, dan zou ik er spijt van hebben dat ik al zo veel heb geboden, en trek ik er nog een halve kroon af.”

“Maak nu mijn pakket maar open, Joa!” zei de eerste vrouw. Joa ging op zijn knieën voor het pakket zitten, maakte een hele reeks knopen los, en haalde er een zware rol donkere stoffen uit.

“Wat is dat allemaal?” vroeg Joa.

“O, dat?” zei de vrouw lachend, terwijl ze voorover op haar knieën leunde. “Bedgordijnen.”

“Je hebt ze toch niet met ringen en al van het bed gehaald terwijl hij er nog op lag?” vroeg Joa.

“Jawel, zeker,” antwoordde ze. “Waarom niet?”

“Jij bent geboren om fortuin te maken,” zei Joa. “En dat zul je ook wel doen.”

“Ik zal in elk geval mijn hand niet terugtrekken als ik er iets in kan krijgen, en al helemaal niet voor zo’n kerel als hij was,” zei ze koel. “Pas wel op dat je geen olie op die dekens laat druipen.”

“Zijn dekens?” vroeg Joa.

“Van wie anders, denk je?” antwoordde ze. “Ik geloof niet dat hij nu nog zonder dekens kou zal vatten.”

“Ik hoop toch niet dat hij aan een besmettelijke ziekte is gestorven?” zei oude Joa, terwijl hij ophield met zijn werk en opkeek.

“Daar hoef je niet bang voor te zijn,” antwoordde de vrouw. “Als dat zo was geweest, zou ik niet zo gesteld zijn geweest op zijn gezelschap dat ik voor zulke vodden om dat karkas heen zou hebben gelopen. Kijk dat hemd maar goed na, tot je er pijn van in je ogen krijgt: geen gaatje, geen kale plek. Het is het beste dat hij had, en het fijnste ook. Als ik er geen stokje voor had gestoken, zouden ze het me helemaal door de neus hebben geboord.”

“Hoe bedoel je?” vroeg oude Joa.

“Nou, stel je voor dat ze het hem als lijkhemd hadden aangedaan en hem erin hadden begraven,” zei de vrouw met een duivelse lach. “Er was er al eentje mee bezig, maar ik heb het teruggenomen. Als katoen niet goed genoeg is voor zo’n doel, dan is het nergens goed voor. En voor het lijk is het ook beter zo. Hij had er niet lelijker uit kunnen zien dan in dit ding.”

Scrooge luisterde met afgrijzen naar het gesprek. Terwijl ze om hun buit zaten, in het zwakke licht dat de lamp van oude Joa verspreidde, keek hij hen met een walging en afkeer aan die niet sterker had kunnen zijn als het duivels waren geweest die zijn lijk zelf verkochten voor een paar stuivers.

“Ha, ha, ha!” lachte de vrouw, toen Joa een met fluweel gevoerde doos met een baar geld tevoorschijn haalde en ieder zijn deel gaf. “Zo zie je maar. Dit is het einde van het liedje. Toen hij leefde joeg hij iedereen van zich af, zodat hij ons na zijn dood kon verrijken. Ha, ha, ha!”

“Geest!” zei Scrooge, sidderend van top tot teen. “Ik begrijp het. Ik begrijp het. Het lot van die ongelukkige man zou ook het mijne kunnen worden. Mijn leven gaat die kant op. Genadige hemel! Wat is dat?”

Hij deinsde achteruit van schrik. Het toneel was veranderd, en hij stootte opeens tegen een bed. Een bed zonder gordijnen, waarop onder een gescheurd laken iets lag, dat, hoe stil ook, op een angstaanjagende manier duidelijk maakte wat het was.

De kamer was zo donker dat Scrooge nauwelijks iets kon onderscheiden, hoewel hij uit nieuwsgierigheid rondkeek om te zien wat voor soort kamer het was. Een zwakke lichtstraal van buiten viel recht op het bed, en op dat bed lag, van al zijn bezittingen beroofd, uitgekleed, onbeheerd, onbeweend en onverzorgd, het lichaam van een mens.

Scrooge keek naar het spook, wiens hand naar het hoofd wees. Het laken was er zo slordig overheen gegooid dat hij het met de minste beweging van zijn vinger had kunnen wegslaan en het gezicht blootleggen. Hij dacht eraan, hij voelde de neiging het te doen, maar was evenmin in staat het op te lichten als het spook van zijn zijde te verdrijven.

Kille, gruwelijke, onverbiddelijke Dood! Richt hier je altaar op en omhang het met al je verschrikkingen, want dit is je domein! Maar van een geëerd, bemind en gerespecteerd hoofd kun je geen haar krenken, geen trek verwringen. Het doet er niet toe dat de hand stijf is en neerhangt als je haar loslaat; het doet er niet toe dat hart en pols stilstaan — zolang die hand maar gul, vriendelijk en trouw was, zolang dat hart maar warm en meelevend was, en die polsslag die van een mens. Sla toe, koning van de verschrikkingen! Maar zie ook hoe uit de wond het zaad van goede daden kan ontspruiten, die het sterfelijke leven voor de onsterfelijkheid rijpen.

Scrooge hoorde deze woorden door geen stem uitgesproken, en toch hoorde hij ze, terwijl hij dat doodsbed aanstaarde. Hij dacht: als deze man nu zou herleven, welke zouden zijn eerste gedachten zijn? Gierigheid, hardheid, hebzucht? Inderdaad, dat heeft hem ver gebracht — naar dit einde.

Daar lag hij, in het donkere, lege huis, zonder man, vrouw of kind die kon zeggen: hij is in dit of dat opzicht goed voor mij geweest, en om één goed woord wil ik hem ook genegen zijn. Aan de deur hoorde Scrooge een kat krabben, en onder de haard klonk het geluid van knagende ratten. Hij durfde er niet aan te denken wat die in de kamer van de dode zochten, en waarom ze zo onrustig waren.

“Geest!” zei hij. “Dit is een verschrikkelijke plaats. Geloof me, als ik hier wegga, zal ik de les die zij mij heeft geleerd, niet vergeten. Laten we gaan!”

De geest bleef echter met zijn vinger naar het hoofd wijzen.

“Ik begrijp u,” zei Scrooge, “en ik zou het doen als ik kon. Maar ik ben er niet toe in staat. Ik kan het niet.”

Het spook leek hem opnieuw strak aan te kijken.

“Ik smeek u, geest!” zei Scrooge, in doodsangst. “Als er in de stad iemand is bij wie de dood van deze man ook maar enige emotie opwekt, laat mij die persoon zien.”

De geest spreidde voor een moment zijn donkere gewaad uit als een vleugel voor zijn ogen, en haalde het toen weer weg, waardoor hij een kamer te zien kreeg, verlicht door daglicht, waar een moeder met haar kinderen zat.

Zij wachtte op iemand over wie ze ongerust leek. Ze liep heen en weer door de kamer, schrok bij elk geluid, keek uit het raam, wierp af en toe een blik op de klok, probeerde vergeefs aan haar naaiwerk te werken, en kon nauwelijks het lawaai van de spelende kinderen verdragen.

Eindelijk klonk het langverwachte bonzen van de deurklopper. Ze haastte zich naar de deur en ging haar man tegemoet, een nog jonge man, maar met een somber en bedrukt gezicht. Toch lag er op dat moment een bijzondere uitdrukking op — een soort ernstig genoegen, waarover hij zich schaamde en dat hij probeerde te verbergen.

Hij ging aan tafel zitten voor het eten dat bij de haard voor hem klaarstond. Toen zij hem met matte stem, na een lange stilte, vroeg welk nieuws hij had, leek hij te aarzelen.

“Is het goed of slecht nieuws?” vroeg zij, om hem op weg te helpen.

“Slecht,” antwoordde hij.

“Zijn we dan helemaal verloren?”

“Nee, Karolina, er is nog hoop.”

“Als hij zou veranderen, ja, dan wel,” zei ze verbaasd. “Als zo’n wonder kan gebeuren, kan alles.”

“Hij zal niet meer veranderen,” zei haar man. “Hij is dood.”

Ze leek een zacht en lijdzaam mens, maar haar gezicht liet zien dat ze blij was dit te horen, en haar gevouwen handen bevestigden het. Een moment later vroeg ze om vergeving en was bedroefd, maar haar eerste gevoel was toch een opluchting.

“Wat dat dronken wijf me gisteren vertelde, toen ik hem probeerde te spreken om uitstel te krijgen, is waar gebleken. Hij was niet alleen erg ziek, maar lag toen al op sterven.”

“Op wie gaat onze schuld nu over?”

“Dat weet ik niet, maar we hebben het geld voor die tijd wel bij elkaar. En al zouden we dat niet hebben, dan nog zou het wel heel slecht moeten uitpakken als zijn opvolger net zo onbarmhartig zou zijn als hij. We kunnen dus vannacht rustig slapen, Karolina!”

En zo was het. Ja, of ze het nu wilden toegeven of niet, hun harten waren lichter na de dood van die man. De kindergezichtjes die naar hen luisterden, zonder te begrijpen waar het over ging, waren vrolijker, en het hele gezin was gelukkiger — door zijn dood! De enige emotie die de geest hem kon tonen, gewekt door deze gebeurtenis, was die van blijdschap.

“Laat mij een teder gevoel zien bij de dood van iemand, geest!” smeekte Scrooge. “Anders zal die donkere kamer van zo-even altijd in mijn gedachten blijven.”

Het was er stil, doodstil. De anders zo speelse kinderen zaten roerloos in een hoek en keken naar Peter, die een boek voor zich had. De moeder en dochters zaten te naaien, maar ook zij zwegen.

“En hij nam een kind en zette het in hun midden.”

Waar had Scrooge die woorden gehoord? Had hij het niet gedroomd? De jongen moest ze hardop hebben gelezen toen Scrooge met de geest binnenkwam. Maar waarom las hij niet verder?

De moeder legde haar werk neer en bedekte haar gezicht met haar hand.

“Het rouwgoed maakt mijn ogen moe.”

“Het rouwgoed? — Ach, arme Tim!”

“Het gaat alweer beter,” zei mevrouw Cratchit. “Mijn ogen worden zo zwak bij kaarslicht, en ik wil voor geen goud dat je vader thuiskomt en mij met rode ogen ziet. Het is bijna zijn tijd.”

“Het is al over zijn tijd, moeder,” zei Peter, zijn boek dichtklappend. “Ik denk dat hij vanavond iets langzamer loopt dan gewoonlijk.”

Ze werden weer stil. Eindelijk zei zij, met vaste maar opgewekte stem, die slechts één keer trilde:

“Ik weet nog dat hij altijd heel hard liep met kleine Tim op zijn schouders.”

“Dat heb ik ook vaak gezien,” zei Peter.

“En ik ook!” riepen de anderen tegelijk.

“Maar hij was ook zo licht als een veertje,” vervolgde ze, terwijl ze weer begon te naaien, “en zijn vader hield zoveel van hem dat het hem geen moeite kostte. Ah! daar is vader!”

Ze vloog hem tegemoet. Bob kwam binnen, zijn mantelkraag hoog opgetrokken — hij had hem hard nodig, de arme ziel. Zijn thee stond klaar op het komfoortje, en iedereen deed zijn best om hem te helpen. De twee kleintjes kropen bij hem op schoot en drukten ieder een wang tegen zijn gezicht, alsof ze wilden zeggen: denk er niet aan, vader, wees niet bedroefd!

Bob was erg blij hen te zien en sprak opgewekt met het hele gezin. Hij bekeek het werk dat op tafel lag en prees de vlijt van zijn vrouw en dochters. Ze zouden ruim op tijd klaar zijn voor zondag, zei hij.

“Vóór zondag! Ga je dan vandaag, Robert?” vroeg zijn vrouw.

“Ja, mijn lieve,” antwoordde Bob. “Ik zou willen dat je mee kon gaan. Het zou je goed hebben gedaan om te zien wat een mooie, groene plek het is. Maar je zult er vaak komen. Ik heb hem beloofd dat ik er op zondagen heen zal wandelen. Mijn lieve, lieve kind!” riep hij klagend uit. “Mijn lieve jongen!”

Plotseling brak hij af. Het was niet zijn schuld — als het zijn schuld was geweest, zouden hij en zijn kind elkaar niet zo na aan het hart hebben gelegen.

Hij verliet de kamer en ging de trap op, naar de bovenkamer die vrolijk verlicht en met kerstgroen versierd was. Dicht bij het kind stond een stoel, en het was duidelijk dat er nog kort geleden iemand op had gezeten. De arme Bob ging op de stoel zitten, liet zijn gedachten even gaan, kwam tot rust en drukte toen een kus op het kleine gezichtje. Gelaten onder wat hem was overkomen, ging hij rustig weer naar beneden.

Ze schoven allen dichter bij het vuur en begonnen te praten, terwijl moeder en de meisjes aan hun werk gingen. Bob vertelde over de buitengewone vriendelijkheid van Scrooge’s neef, die hij nauwelijks meer dan één keer had ontmoet, en die hem ’s morgens op straat was tegengekomen.

“En toen hij zag dat ik er zo… eh… neerslachtig uitzag — je begrijpt het wel,” zei Bob, “vroeg hij wat er aan de hand was. Ik vertelde het hem, want hij is de vriendelijkste man die je je kunt voorstellen. ‘Dat spijt me van harte, Cratchit,’ zei hij, ‘omwille van jou en omwille van je lieve vrouw.’ Hoe hij dat weet, begrijp ik niet.”

“Hoe hij wat weet, mijn beste?”

“Dat jij zo’n lieve vrouw bent,” antwoordde Bob.

“Dat weet iedereen,” zei Peter.

“Goed gezegd, jongen!” riep Bob. “Dat hoop ik zelf ook. — ‘En omwille van je lieve vrouw,’ zei hij nogmaals. “Als ik ergens mee kan helpen, hier is mijn adres, kom bij me langs.” Dat heeft me erg opbeurd,” ging Bob verder, “niet zozeer om wat hij zou kunnen doen, maar om zijn vriendelijkheid. Het was alsof hij onze kleine Tim zelf had gekend en met ons mee rouwde.”

“Ik ben er zeker van dat hij een goed mens is,” zei mevrouw Cratchit.

“Daar zou je nog meer van overtuigd zijn als je hem zelf had gezien en gesproken,” zei Bob. “Let op mijn woorden: het zou mij niet verbazen als hij Peter aan een ander, beter baantje hielp.”

“Hoorde je dat, Peter?” zei mevrouw Cratchit.

“En dan,” riep een van de meisjes, “zal Peter een meisje kiezen en zijn eigen huishouden beginnen.”

“Welnee,” antwoordde Peter, half lachend, half geërgerd.

“Zo onmogelijk is dat niet,” zei Bob, “hoewel het nog wel even kan wachten, lieve. Maar hoe en wanneer we ook van elkaar gescheiden worden, ik weet zeker dat geen van ons de lieve kleine Tim, of deze eerste scheiding in ons gezin, ooit zal vergeten.”

“Nooit, vader!” riepen ze allemaal tegelijk.

“En ik weet ook, lieve kinderen,” vervolgde Bob, “dat als we denken aan hoe zachtaardig en geduldig hij was — hoewel hij nog maar zo klein was — we nooit ruzie met elkaar zullen maken, en zo zijn voorbeeld niet zullen vergeten.”

“Nooit, vader!” riepen ze opnieuw.

“Dan zal ik heel, heel gelukkig zijn,” zei Bob.

Mevrouw Cratchit kuste hem, de dochters kusten hem, de kleintjes kusten hem, en Peter schudde hem de hand. Geest van kleine Tim — jouw invloed kwam van God!

“Ik vermoed,” zei Scrooge nu tegen het spook, “dat het moment van onze scheiding nabij is. Ik weet het, zonder te weten waarom. Zeg me toch wie die man was die we daarstraks op zijn doodsbed zagen.”

De geest van de toekomstige Kerst leidde hem zoals tevoren — hoewel het hem nu leek dat er minder orde in de tijd zat, behalve dat alles betrekking had op de toekomst. Tussen de drukte van de mensen door toonde het spook hem zichzelf niet. Het bleef nergens staan, maar ging recht vooruit, alsof het een bepaald doel had, tot Scrooge het vroeg even stil te houden.

“Dit is de plaats waar ik mijn zaken doe, en al een tijd doe,” zei hij.

Het spook bleef staan, maar wees naar een andere kant.

“Het huis is dáár!” riep Scrooge. “Waarom wijst u van daar weg?”

De onverbiddelijke vinger bleef in dezelfde richting wijzen.

Scrooge haastte zich naar het raam van zijn kantoor en keek naar binnen. Het was nog steeds een kantoor, maar niet meer het zijne. Het meubilair was veranderd, en de man in de stoel was hijzelf niet. Het spook wees naar dezelfde plek.

Hij voegde zich weer bij het spook en volgde het, tot ze voor een ijzeren hek kwamen. Hij bleef staan om rond te kijken voordat hij erdoor ging. Het was een kerkhof.

Hier lag nu de man wiens naam hij zou vernemen, onder de grond. Het was een plechtige plaats, omringd door huizen, met gras en struiken begroeid, maar het rijk van de dood, vol met graven — een plechtige plaats!

Het spook stond tussen de graven en wees naar één ervan. Scrooge liep er bevend heen. Het spook was precies zoals voorheen, maar hij vreesde dat zijn gestalte nu een nieuwe betekenis had.

“Voordat ik dichterbij kom, bid ik u één vraag te beantwoorden,” zei Scrooge. “Zijn dit de schaduwen van dingen die zeker zullen gebeuren, of van dingen die slechts kunnen gebeuren?”

Het spook bleef zwijgend naar de steen wijzen.

“De wegen van een mens voorspellen vaak een zeker einde, waar zij naartoe leiden als hij ze blijft volgen,” zei Scrooge. “Maar als hij van die wegen afwijkt, zullen ook die einden veranderen. Zeg me dat het zo is met wat u mij toont!”

Het spook bleef onveranderd.

Scrooge stapte dichterbij, volgde de richting van de vinger, en las op de verlaten grafsteen de naam:

Ebenezer Scrooge.

“Ben ik dan de man die op het doodsbed lag?” riep hij uit, terwijl hij op zijn knieën viel.

Het spook wees met zijn vinger van de steen naar hem, en toen weer terug.

“O nee, geest! O nee!”

De vinger bleef onbeweeglijk.

“Geest,” riep hij, terwijl hij zich vast aan diens gewaad klemde, “luister naar mij! Ik ben niet langer de man die ik geweest ben. Ik wil nooit meer de man zijn die ik zonder uw leiding zou zijn geworden. Leer mij of er nog hoop voor mij is!”

Voor het eerst leek de hand te bewegen.

“Goede geest!” vervolgde hij, terwijl hij zich opnieuw op de grond voor het spook neerboog, “uw aard heeft medelijden met mij, ik voel het. Heb genade, en zeg mij dat ik door mijn levenswandel te veranderen, kan voorkomen wat u mij hebt laten zien!”

De vriendelijke hand beefde.

“Uit het diepst van mijn hart zal ik de kersttijd eren en proberen hem het hele jaar door te vieren. Ik wil leven in het verleden, het heden en de toekomst. De geesten van die drie tijden zullen invloed op mij hebben. Ik zal hun lessen niet vergeten. Zeg me dat ik de letters op deze steen mag uitwissen!”

In doodsangst greep hij de hand van het spook. Het probeerde zich los te rukken, maar hij hield stevig vast. Het spook was echter sterker en stootte hem van zich af.

Toen hij zijn handen voor een laatste smeekbede ophief om zijn lot te veranderen, merkte hij dat er iets veranderde aan het hoofd, de omhulling en het gewaad van het spook. Het slonk, kromp ineen… en werd — de paal van een bed!


Hoofdstuk 5: Het einde van het verhaal

Zijn eigen ledikant! — En het mooiste en gelukkigste van alles was dat de tijd die voor hem lag, nog steeds de zijne was om zich te beteren.

“Ik wil leven in het verleden, in het heden en in de toekomst!” zei Scrooge terwijl hij uit bed kroop. “Die drie geesten zullen invloed op mij hebben, Jacob Marley! Moge de hemel en de kersttijd ervoor gezegend worden! Op mijn knieën dank ik je, oude Jacob! Op mijn knieën!”

Zijn goede voornemens raakten hem zo diep dat hij nauwelijks in staat was het uit te spreken. Tijdens zijn strijd met de geest had hij hevig gesnikt, en zijn gezicht was nog nat van tranen.

“Ze zijn er nog!” riep Scrooge, terwijl hij een van de bedgordijnen vastgreep. “Ze zijn niet met ringen en al weggehaald! Hier zijn ze, en ik ben er ook nog! — De schaduwen van de dingen die zouden komen, kunnen misschien veranderd worden. Ze zúllen veranderd worden, ja, ik weet het, ze zúllen!

Ondertussen was hij druk in de weer met zijn kleren, draaide ze binnenstebuiten, keerde ze om, scheurde er bijna in, legde ze weer neer — kortom, hij deed er de vreemdste dingen mee.

“Ik weet niet wat ik moet doen,” riep Scrooge, lachend en huilend tegelijk, terwijl hij met zijn kousen om zich heen een perfecte imitatie van de Laocoön leverde. “Ik voel me zo licht als een veertje; zo gelukkig als een engel, zo speels als een schooljongen! Het duizelt me als een dronkaard. Ik wens iedereen een vrolijk kerstfeest! De hele wereld een gelukkig nieuwjaar! Hoera! Heisa! Hopsasa!”

Hij huppelde naar de eetkamer en stond daar als een totaal ander mens dan hij ooit geweest was.

“Kijk, daar is de pan waar mijn pap in zat!” riep Scrooge, weer weg — en naar de haard springend. “Daar is de deur waar de verschijning van Jacob Marley binnenkwam! En daar is het hoekje waar de geest van het tegenwoordige kerstfeest zat! En daar is het raam waar ik al die geesten door elkaar heen zag! Alles klopt, alles is waar, alles is écht gebeurd! Ha, ha, ha!”

En die lach — voor een man die het al zo lang ontwend was, mocht die gelden als de stamvader van een heel geslacht vrolijke lachbuien.

“Ik weet niet welke dag van de maand het is,” zei Scrooge. “Hoe lang ik bij die geesten ben geweest, weet ik niet; ik weet helemaal niets meer. Ik ben als een kind. Maar het maakt niets uit. Helemaal niets! Hoera! Heisa! Hopsasa!”

Zijn vreugde werd onderbroken door het vrolijkste klokgelui dat hij ooit had gehoord. Bam, bom, bam, bom! Het was het heerlijkste geluid dat ooit in zijn oren had geklonken.

Hij rende naar het raam, gooide het open en stak zijn hoofd naar buiten. Geen mist, geen rook; alles was helder, schitterend, vrolijk, verkwikkend. De kou prikte zo dat je er bijna van zou willen dansen. De zon scheen stralend; de lucht was fris; alles was even levendig — en daarboven het vrolijke klokgelui! Het was verrukkelijk!

“Wat is er vandaag te doen?” riep Scrooge naar beneden, naar een jongetje in zijn zondagse kleren dat misschien al naar hem stond te kijken.

“Hé?” vroeg het jongetje verbaasd.

“Wat is er vandaag aan de hand, jongen?” vroeg Scrooge nog eens.

“Vandaag?” zei de jongen. “Wel, het is kerstmis!”

“Het is kerstmis!” herhaalde Scrooge bij zichzelf. “Dan heb ik het niet gemist! De geesten hebben alles in één nacht gedaan. Natuurlijk, ze kunnen alles wat ze willen. Ja, natuurlijk! Hé daar, kereltje!”

“Wat wilt u?” antwoordde de jongen.

“Weet je waar de poelier op de hoek zit?” vroeg Scrooge.

“Dat zou ik denken!” antwoordde de jongen.

“Een vlugge jongen!” zei Scrooge. “Weet je of de grote kalkoen die ze wilden verloten er nog hangt? Niet die kleine, maar die enorme?”

“Wat, die ene die net zo dik is als ik?” vroeg de jongen.

“Wat een knaap!” zei Scrooge lachend. “Ja, precies die!”

“Die hangt er nog,” zei de jongen.

“Echt waar?” zei Scrooge. “Ga hem dan kopen voor mij.”

“Ga er zelf heen!” riep de jongen.

“Nee, ik meen het,” zei Scrooge. “Ga hem kopen, zeg dat ze hem hierheen moeten brengen; dan wijs ik ze waar hij naartoe moet. Kom met de verkoper terug, dan krijg je een schelling. En als je binnen vijf minuten terug bent, maak ik er een halve kroon van.”

De jongen schoot weg als een pijl uit een boog.

“Ik zal hem naar Bob Cratchits huis sturen,” zei Scrooge, terwijl hij in zijn handen wreef en schudde van het lachen. “Hij zal niet weten van wie hij hem krijgt. De kalkoen is twee keer zo groot als kleine Tim! Joa Miller heeft nog nooit zo’n grap meegemaakt als dit!”

Terwijl hij het adres opschreef, trilde zijn hand nog steeds, maar hij kreeg het voor elkaar en ging toen naar beneden om de deur te openen voor de poelier, die hij verwachtte. Terwijl hij stond te wachten, viel zijn oog op de deurklopper.

“Die zal ik liefhebben zolang ik leef!” riep Scrooge, terwijl hij er met zijn hand over streek. “Voorheen lette ik er nooit op. Wat keek hij me eerlijk aan! Het is een prachtige klopper! — Daar is de kalkoen! Hoera! Heisa! Hoe gaat het, buurman? Ik wens u een vrolijk kerstfeest!”

En wat een kalkoen was het! Die vogel had nooit op zijn poten kunnen staan; die zouden als luciferhoutjes onder hem zijn geknapt.

“Het is niet mogelijk om zo’n dier naar Camdentown te dragen,” zei Scrooge. “Je moet een kruier halen.”

Het gelach waarmee hij dit zei, het gelach waarmee hij de kruier betaalde, en het gelach waarmee hij de jongen zijn fooi gaf, werd alleen overtroffen door het schateren waarmee hij, buiten adem, in zijn stoel neerplofte en daar bleef zitten tot hij het bijna uitschreeuwde van het lachen.

Scheren was een lastige klus voor hem, want zijn hand beefde hevig, en scheren vereist toch altijd enige oplettendheid — al danst men er niet bij. Maar zelfs als hij per ongeluk het puntje van zijn neus had afgesneden, zou hij er een pleister op hebben geplakt en nog steeds tevreden zijn geweest.

Hij kleedde zich keurig in zijn zondagse kleren en ging de deur uit. Op straat was het druk, net zoals hij dat met de Geest van het Tegenwoordige Kerstfeest had gezien. Scrooge wandelde met zijn handen op zijn rug door de menigte, glimlachte blij naar iedereen, en zag er zo opvallend vrolijk uit dat drie of vier jonge knapen riepen: “Goedemorgen, mijnheer! Vrolijk kerstfeest!” Later zei Scrooge vaak dat van alle klanken die hij die dag hoorde, dit hem het meest plezier had gedaan.

Hij was nog niet ver toen hij de deftige heer zag die de dag ervoor als collectant bij hem was geweest en had gezegd: “De heren Scrooge en Marley, geloof ik.” Scrooge voelde een lichte spanning bij de gedachte aan hoe de man hem zou bekijken, maar toch liep hij recht op hem af.

“Mijn waarde heer!” zei Scrooge, zijn pas versnellend en de man bij beide handen grijpend. “Hoe gaat het met u? Ik hoop dat u gisteren een fijne dag heeft gehad. Het was buitengewoon vriendelijk van u. Ik wens u een vrolijk kerstfeest, mijnheer!”

“Mijnheer Scrooge?”

“Ja, dat is mijn naam, en ik vrees dat die bij u geen prettige herinnering oproept. Staat u mij toe om vergiffenis te vragen. En wilt u zo goed zijn om—” Scrooge boog zich voorover en fluisterde hem iets in het oor.

“De hemel zegene ons!” riep de collectant uit, bijna buiten adem. “Mijn waarde heer Scrooge, meent u dat echt?”

“Zeer zeker,” zei Scrooge. “Geen penny minder. Ik verzeker u dat in dat bedrag ook een flinke inhaalslag zit voor achterstallige bijdragen. Wilt u mij dat genoegen doen?”

“Mijn waarde heer!” zei de man, hem stevig de hand schuddend. “Ik weet niet hoe ik u ooit genoeg kan bedanken voor zo’n weldaad.”

“Praat er niet over,” antwoordde Scrooge. “Kom mij eens bezoeken, wilt u?”

“Zeker!” riep de man uit — en het was duidelijk dat hij het meende.

“Dank u,” zei Scrooge. “Duizendmaal dank. God zegene u!”

Daarna ging hij naar de kerk, liep door de straten, keek hoe de mensen vrolijk om hem heen krioelden, aaide kinderen over het hoofd, sprak met bedelaars, keek nieuwsgierig in keukens en naar versierde ramen. Alles bracht hem plezier. Hij had nooit gedacht dat een wandeling hem zó veel vreugde kon geven.

In de namiddag ging hij naar het huis van zijn neef. Hij liep wel tien of twaalf keer voorbij voordat hij de moed vond om aan te bellen. Uiteindelijk sprong hij naar de deur en klopte aan.

“Is je meester thuis, lief kind?” vroeg Scrooge aan het meisje dat open deed. Het was werkelijk een lief meisje.

“Ja, mijnheer.”

“Waar is hij, lieve?”

“In de eetkamer, mijnheer, met mevrouw. Ik zal u de trap op begeleiden.”

“Dat hoeft niet, hij kent mij wel,” zei Scrooge, terwijl hij al naar de deurknop greep. “Ik loop zelf wel naar binnen.”

Hij draaide langzaam de knop om en stak zijn hoofd door de kier. Zijn neef en nicht waren bezig de feesttafel nog eens te inspecteren.

“Fred!” zei Scrooge.

Zijn nicht schrok hevig. Scrooge was vergeten dat hij haar eerder met stoel en stoof in de hoek had gezien, anders had hij haar nooit zo laten schrikken.

“Wie is daar?” riep Fred.

“Ik ben het — je oom Scrooge. Ik kom bij jullie eten. Mag ik binnenkomen, Fred?”

Of hij mocht binnenkomen! Fred had hem bijna de arm uit de kom getrokken. Binnen tien minuten was Scrooge er helemaal thuis. Niets kon hartelijker zijn. Zijn nicht was even vriendelijk, en zo ook iedereen die later arriveerde. Het was een heerlijk gezelschap, vol warmte en geluk.

De volgende dag was Scrooge vroeg op kantoor. Ja, zeer vroeg — zo vroeg als hij maar kon — want hij wilde Bob Cratchit verrassen als die te laat kwam. En zo gebeurde het. De klok sloeg negen, maar nog geen Bob. Een kwartier later nog steeds niet. Uiteindelijk kwam Bob pas achttien en een halve minuut te laat. Scrooge zat met zijn deur wijd open om hem te zien binnenkomen.

Nog voor hij binnen was, had Bob zijn hoed en sjaal afgedaan en zat hij al achter zijn bureau, driftig schrijvend, alsof hij de verloren tijd wilde inhalen.

“Hola daar!” gromde Scrooge, terwijl hij probeerde zijn oude, strenge toon aan te nemen. “Wat betekent dit, dat u zo laat op de dag verschijnt?”

“Het spijt me zeer, mijnheer!” zei Bob bedeesd. “Ik ben over mijn tijd heen.”

“Ja, dat zie ik ook. Kom eens hier.”

“Het gebeurt maar één keer per jaar, mijnheer,” zei Bob verlegen. “Het zal niet meer gebeuren. Ik had gisteren een vrolijk feestje.”

“Luister eens, mijn vriend,” zei Scrooge, terwijl hij opstond en Bob een speelse duw gaf zodat hij bijna achteroverviel, “zo kan het niet langer. Daarom heb ik besloten om… uw salaris te verhogen!”

Bob stond perplex en twijfelde even of hij Scrooge niet met de liniaal moest slaan — of hem gewoon moest vastpakken en hulp roepen.

“Vrolijk kerstfeest, Bob!” zei Scrooge, nu op een toon die onmogelijk verkeerd te begrijpen was, terwijl hij hem hartelijk op de rug klopte. “Meer geluk, mijn beste Bob, dan ik je in jaren heb geschonken! Ik zal je salaris verhogen, je gezin helpen ondersteunen, en we zullen vanmiddag samen over je zaken praten bij een warme kom punch. Steek de kachel maar op en koop een nieuwe kolenbak voordat je nog één letter hebt geschreven, Bob Cratchit!”

Scrooge hield woord. Hij deed alles wat hij had beloofd — en meer. Voor kleine Tim, die niet stierf, werd hij een tweede vader. Hij werd een zo’n goede vriend, zo’n goede werkgever en zo’n goed mens als maar denkbaar was. Sommigen lachten hem uit toen ze hem zo veranderd zagen, maar Scrooge liet hen lachen. Hij wist dat er niets goeds op de wereld gebeurt zonder dat er mensen zijn die het belachelijk maken, en hij vond het beter dat ze zich blind lachten dan dat ze op een minder aangename manier blind werden.

Zijn hart lachte, en dat was hem genoeg.

Van toen af zei iedereen dat hij als geen ander wist hoe je kerst moet vieren. Moge dat ook van ons gezegd worden, en zoals kleine Tim zei:

“God zegene ons, ieder van ons!”

Auteursvermelding

Charles Dickens was een Brits schrijver uit de negentiende eeuw, wereldberoemd om zijn sociale bewogenheid en zijn scherpe blik op armoede en onrechtvaardigheid in het Victoriaanse Engeland. Een Kerstvertelling verscheen in december 1843 en was binnen enkele dagen uitverkocht; het verhaal geldt sindsdien als dé literaire definitie van het kerstgevoel. De uitdrukking "zo dood als een pier" — waarmee Dickens de openingszin van Marley's dood kleur geeft — is een van zijn meest geliefde stijlgrepen geworden.