De Spoorwegkinderen (Volledig Boek)

Samenvatting


De Spoorwegkinderen volgt Roberta, Peter en Phyllis, drie kinderen die na een mysterieuze familieramp verhuizen van Londen naar een eenvoudig plattelandshuis vlak bij het spoor. Terwijl hun moeder schrijft om het gezin te onderhouden en hun vader raadselachtig afwezig blijft, sluiten de kinderen vriendschappen met stationspersoneel, een Russische balling en een vriendelijke oude heer in de trein. Hun wereld draait om de spoorbaan — totdat een rotsval, een brand op een schuit en een onbekende jongen in een rode trui hen voor echte beproevingen stelt.

Luister naar de audio



Lees online


Hoofdstuk 1: Hoe Alles Begon

Vroeger hadden ze nooit iets met het spoor te maken gehad. Ik wed dat ze nooit verder over treinen en spoorwegen gedacht hadden, dan als een middel om in de stad te komen voor een uitgangetje naar een bioscoop, naar de dierentuin of om boodschappen te doen. Ze waren maar heel gewone kinderen, die met hun vader en moeder in een van de voorsteden van Londen woonden, in een heel gewone, roodstenen villa met gekleurd glas in de voordeur, een gang met tegeltjes die ze ‘hall’ noemden, een badkamer met warm en koud water, elektrische bellen, openslaande deuren aan de tuin, veel lichte verf overal, en ‘verder voorzien van alle moderne gemakken,’ zoals altijd in de woninggidsen staat.

Ze waren met hun drieën. Roberta was de oudste. Natuurlijk hebben moeders nooit bijzondere lievelingen, maar als hun moeder een bijzondere lieveling gehad had, zou dat Roberta wel kunnen geweest zijn. Op haar volgde Peter, die ingenieur hoopte te worden als hij groot was, en de jongste was Phyllis, die alles extra best bedoelde.

Moeder besteedde niet al haar tijd aan vervelende bezoeken bij vervelende dames, of aan vervelende ontvangdagen, waarop die vervelende dames bij háár kwamen; nee, ze was er bijna altijd, klaar om met de kinderen te spelen, met hen te lezen, en hen te helpen met hun huiswerk. Buiten en behalve dat schreef ze nog, terwijl de kinderen op school waren, verhalen voor hen, die ze hun dan onder de thee voorlas, en ze maakte altijd grappige versjes met hun verjaardagen, of bij andere feestelijke gelegenheden, zoals bijv. toen de jonge katjes gedoopt werden, of toen de poppenkamer opnieuw behangen was, of toen ze beter werden van de bof.

Deze drie bevoorrechte kinderen hadden dus alles wat hun hartje begeren kon: mooie kleren, warme kamers, een heerlijke speelkamer met een massa speelgoed en een Moeder-de-Gans-behangsel. Ze hadden ook een aardig, vrolijk kindermeisje en een hond, die James heette en helemaal alleen van henzelf was. Ook bezaten ze een vader die ‘gewoon volmaakt’ was – nooit uit zijn humeur, nooit onrechtvaardig en altijd bereid tot elk spel – tenminste, als hij er eens ooit niet toe bereid was, dan had hij daar een heel aannemelijke reden voor, en dan legde hij die reden zo interessant en zo grappig aan de kinderen uit, dat ze volkomen begrepen dat hij werkelijk niet anders kon.

Nu zul je wel denken dat die kinderen wel heel, heel gelukkig behoorden te zijn, en dat waren ze ook, maar ze beseften toch niet hoe gelukkig, tot het prettige leventje in de rode villa een einde nam en ze een heel ander leven moesten beginnen.

De vreselijke verandering kwam heel onverwachts.

Peter was jarig – hij werd tien – en onder zijn cadeaus was een kleine locomotief, zo mooi, zo ‘echt’ als je je een locomotief maar kunt dromen. De andere cadeaus waren ook heel mooi, o, ja, maar die kleine machine was véél mooier dan een van de andere presenten.

Het genot ervan – het volmaakte genot tenminste – duurde precies drie dagen. Toen vloog de machine – ‘t zij dat Peter er niet handig mee omging, of dat Phyllis haar goede raad wat al te veel opdrong – met een knal uit elkaar. James schrok zo, dat hij ‘t huis uitrende en er de hele dag niet weer inkwam. Al de poppetjes uit de Arke Noachs, die in de kolenwagen mochten meereizen, lagen in stukken, maar overigens liep het zonder ernstige ongelukken af, behalve dat het arme locomotiefje kapot was en dat Peters gevoel een pijnlijke schok had gekregen. De anderen beweerden dat hij er om schreide, maar jongens van tien jaar schreien toch niet meer, welke ontzettende rampen hun leven ook mogen verduisteren. Hij zei dat zijn ogen rood zagen omdat hij verkouden was. En dit bleek werkelijk het geval te zijn, hoewel Peter er nog niets van wist toen hij dat zei. De volgende dag moest hij in bed blijven, en Moeder begon zich juist ongerust te maken, of hij mogelijk de mazelen onder de leden kon hebben, toen hij plotseling overeind kwam en zei: ‘Ik lust geen gruwel – ik lust geen gortwater en ik lust geen broodpap meer. ‘t Is allemaal even afschuwelijk. Ik sta op en ik wil iets echts te eten hebben!’

‘Waar zou je trek in hebben?’ vroeg zijn moeder.

‘In een kippenpastei,’ zei Peter gretig, ‘een grote kippenpastei. Een hele grote.’ Dus verzocht Moeder aan de keukenmeid een kippenpastei klaar te maken. Dat gebeurde, en toen de pastei klaar was, at Peter er een flink stuk van. Daarna was zijn verkoudheid veel beter. Terwijl de pastei gemaakt werd, schreef Moeder een versje voor hem op; het begon met te vertellen hoe’n ongelukkige, maar ferme jongen Peter was en dan kwam er verder:

Hij had zijn ‘loco’ innig lief,
Ja lief met hart en ziel,
En niets bestond er op dees aard
Wat hem zóó goed beviel.

Maar op een dag, ach toe, schrik niet!

‘t Verhaal is meer dan naar –
Sprong – één klein schroefje werd er dol –
De ketel uit elkaar.

En Peter kwam, diep in de put,
Zijn nood bij Moeder klagen,
Die zei: ‘Hier weet ik heus geen raad,
We zullen ‘t Vader vragen.’

Om al de mensen op de lijn
Gaf hij, naar ‘t scheen, geen zier,
Zijn loco was hem veel meer waard
Dan ‘n stervend passagier.

En nu weet je de oorzaak van
De kwaal van onze Peter,
Hij stilt zijn smart met een pastei,
En wordt zo gauw weer beter.

In dikke dekens warm gehuld,
Ligt hij heel lui te gapen,
Besloten om zijn grote verdriet
Maar rustig weg te slapen.

En zijn zijn ogen soms wat rood,
Dat spreekt, hij is verkouden;
Och, breng hem nog een stuk pastei,
Daar schijnt hij van te houden.

Vader was drie of vier dagen op reis geweest en Peter had nu nog al zijn hoop voor de reparatie van zijn verongelukte machine op hem gevestigd, want Vader was een ongelooflijk handig knutselaar. Hij kon van alles maken! Dikwijls was hij als veearts opgetreden bij het houten hobbelpaard; eens zelfs had hij ‘t het leven gered toen schijnbaar geen menselijke hulp meer zou kunnen baten; het arme dier was al opgegeven en zelfs de timmerman had gezegd ‘dat hij daar geen gat meer in zag.’ En vader had ook de poppenwieg gemaakt, toen niemand er meer raad op wist; en met wat lijm en een stukje dun hout en een pennemes had hij al de beestjes uit de Ark weer zo stevig op hun pootjes gezet, als ze nooit tevoren gestaan hadden.

Met bewonderenswaardige zelfverloochening zei Peter geen woord omtrent zijn locomotiefje, voordat Vader rustig gegeten en daarna een sigaar opgestoken had. De zelfverloochening was een idee van Moeder, maar Peter bracht het heldenstuk toch ten uitvoer. En er was heel wat geduld voor nodig.

Eindelijk begon Moeder: ‘Nu, beste, als je nu helemaal uitgerust bent en lekker op je gemak zit, wilden we je erg graag eens van ons groot spoorwegongeluk vertellen en je raad inroepen.’

‘Best,’ zei Vader. ‘Ga jullie je gang maar!’

Toen deed Peter het treurige verhaal en haalde hij ten slotte wat er van de machine was overgebleven.

‘Hm,’ zei Vader, nadat hij het machientje nauwkeurig bekeken had.

De kinderen hielden hun adem in.

‘Is er geen hoop meer?’ vroeg Peter met een benauwde, onvaste stem.

‘Hoop? Zeker wel! Een scheepslading vol, hoor!’ zei Vader opgewekt; ‘maar we hebben nog wat meer nodig dan hoop, – een beetje soldeersel, een paar schroefjes en een nieuw klepje. Ik geloof dat het beter is het zaakje uit te stellen tot een regenachtige dag; met andere woorden, ik zal er Zaterdagmiddag mijn krachten eens op beproeven, dan kunnen jullie alle drie helpen.’

‘Maar meisjes kunnen toch geen stoommachines repareren?’ vroeg Peter ongelovig.

‘Zeker wel! Meisjes zijn precies even knap als jongens; onthoud dat maar! Hoe zou jij ‘t vinden om machinist te zijn, Phil?’

‘Dan zou ik altijd een vuil gezicht hebben, hè?’ vroeg Phyllis, maar matig verrukt. ‘‘k Zou ook wel wat bang zijn dat ik iets brak.’

‘O, ‘t lijkt mij juist heerlijk!’ riep Roberta – ‘denkt u heus dat ik dat later zou kunnen worden, Vader? Of al was ‘t maar stoker?’

‘Stookster,’ verbeterde Vader, terwijl hij ‘t machientje weer wat in zijn fatsoen bracht. ‘Nou, als je nog bij je plan blijft wanneer je een jonge dame bent, zullen we ons best doen van jou een stookster te maken. Toen ik een jongen was -’

Daar werd aan de voordeur gebeld.

‘Wie ter wereld zal daar onze rust komen verstoren!’ zei Vader.

Ruth, het tweede meisje, dat rood haar had, kwam binnen met de boodschap dat er twee heren waren om ‘meneer’ te spreken.

‘Ik heb ze in uw kamer gelaten,’ voegde ze er achter.

‘‘t Zal wel om je handtekening te doen zijn op de een of andere lijst,’ zei Moeder. ‘Maak er maar gauw een eind aan, man. ‘t Breekt de avond zo en de kinderen moeten haast naar bed.’

Maar Vader scheen niet bij machte er gauw een eind aan te maken.

Moeder trachtte hen de tijd te korten, door hen een nieuw sprookje te vertellen van een prinses met groene ogen, maar het was moeilijk er de aandacht bij te houden, want ze konden de stemmen van Vader en van de vreemde heren duidelijk horen, en Vaders stem klonk veel harder en heel anders dan gewoonlijk wanneer hij mensen te woord stond over bijdragen of handtekeningen voor lijsten.

Toen ging de bel in Vaders kamer en slaakte iedereen een zucht van verlichting.

‘Daar gaan ze!’ zei Phyllis. ‘Vader heeft Ruth gebeld om ze uit te laten.’

Maar in plaats dat Ruth iemand uitliet, kwam zij zelf de huiskamer in en de kinderen vonden dat ze er vreemd uitzag.

‘Mevrouw of u alstublieft dadelijk even bij meneer wou komen. Meneer ziet er uit als een geest, mevrouw; hij heeft stellig slechte tijding gekregen. U moet u maar op ‘t ergste voorbereiden – misschien een sterfgeval in de familie of een bank gesprongen, of -.’

‘‘t Is goed, Ruth,’ zei Moeder zacht; ‘ga maar naar de keuken.’

Toen ging Moeder naar Vaders kamer en volgde er nog meer gepraat. En toen werd er weer gebeld en moest Ruth een rijtuig halen. De kinderen hoorden zware laarzen de gang door en de stoep afgaan. Daarop kwam Moeder weer binnen. Haar lief gezicht was zo wit als het kanten kraagje dat ze om had, haar ogen stonden strak en groot. Haar mond was net een smal roodachtig streepje – zo dun waren haar lippen; heel anders dan anders.

‘‘t Is bedtijd,’ zei ze. ‘Ruth zal met jullie naar boven gaan vanavond.’

‘Hè, en u hadt beloofd dat we vanavond een poosje langer op mochten blijven, omdat Vader thuis was gekomen,’ pruilde Phyllis.

‘Vader is weggeroepen – voor zaken,’ zei Moeder. ‘Kom, lievelingen, ga nu dadelijk.’

Ze gaven haar een kus en verdwenen. Roberta bleef nog even achter om Moeder eens extra te pakken en haar toe te fluisteren: ‘‘t Was toch geen heel slecht nieuws, hè, Moes? Er is toch niemand dood – of -.’

‘Nee, er is niemand dood – nee,’ zei haar moeder, en ze duwde Roberta haastig weg. ‘Ik kan je er nog niets van vertellen, beste kind. – Toe lieveling, ga nu.’

En Roberta ging dus.

Ruth borstelde de meisjes het haar en hielp hen bij het uitkleden (anders deed Moeder dat altijd zelf). Toen ze het licht uitgedraaid had en de kamer afging, vond ze Peter nog helemaal gekleed, bij de trap.

‘Zeg, Ruth, wat is er aan de hand?’ vroeg hij fluisterend.

‘Als je me niets vraagt, hoef ik je ook geen leugens te vertellen,’ antwoordde zij. ‘Je zult het gauw genoeg te weten komen.’

Laat in de avond kwam Moeder boven en kuste de drie slapende kinderen. Roberta was de enige die er wakker van werd, maar ze lag muisstil en gaf geen geluid.

‘Als Moeder liever niet weten wil dat ze geschreid heeft,’ zei ze bij zichzelf, toen ze haar Moeder in ‘t donker zacht hoorde snikken, ‘dan zullen we ‘t ook niet weten.’

Toen ze de volgende morgen aan ‘t ontbijt kwamen, was Moeder al uit.

‘Naar Londen,’ zei Ruth en liet hen alleen.

‘Ik wed dat er iets heel vreselijks gebeurd is,’ zei Peter, terwijl hij de kop van zijn ei sloeg. ‘Ruth vertelde me gisterenavond dat we ‘t gauw genoeg zouden horen.’

‘Heb je ‘t haar dan gevraagd?’ vroeg Roberta verontwaardigd.

‘Ja. Wat zou dat?’ antwoordde Peter boos. ‘Als jij naar bed kon gaan, zonder je er iets van aan te trekken wat Moeder had – ik niet! – Dus!’

‘Ik vind dat we niet aan een ander moeten vragen wat Moeder ons niet vertellen kan,’ zei Roberta.

‘Best hoor, Juffrouw Wijsneus,’ zei Peter, ‘ga je gang maar, preek maar raak!’

‘Ik ben géén Juffrouw Wijsneus,’ zei Phyllis, ‘maar ik vind toch wel dat Bobbie nu gelijk heeft.’

‘Natuurlijk, dat heeft ze altijd. In haar eigen ogen tenminste,’ antwoordde Peter.

‘Och toe!’ riep Roberta, bijna schreiend, terwijl ze haar eierlepeltje neerlegde; ‘laten we toch niet zo naar tegen elkaar zijn. Ik geloof zeker dat er iets heel erg treurigs gebeurd is. Toe, laten we ‘t toch niet erger maken!’

‘Nou, wie is er begonnen?’ vroeg Peter.

Roberta overwon zichzelf en zei: ‘Ik maar -’

‘Nou, wat zeur je dan,’ zei Peter triomfantelijk, maar eer hij naar school ging, gaf hij zijn zusje een hartelijke klap op de schouder en zei: ‘Kom, Bob, trek het je niet zo aan!’

Om één uur kwamen de kinderen thuis om te eten, maar Moeder was nog niet terug.

‘t Was bijna zeven uur eer ze thuiskwam en ze zag er zo moe en zo ellendig uit, dat kinderen haar niets durfden vragen. Moedeloos viel ze in een grote stoel neer. Phyllis trok voorzichtig de spelden uit haar hoed, terwijl Roberta haar handschoenen losknoopte en Peter haar laarzen uittrok en haar zachte pantoffels van boven haalde.

Toen ze een kop thee gedronken had en Roberta een doek met eau de cologne op haar voorhoofd had gelegd omdat ze over hoofdpijn klaagde, begon Moeder eindelijk: ‘Kinderen, ik heb jullie iets te vertellen. Die mannen, gisterenavond brachten ons heel slecht nieuws en Vader zal wel een hele tijd van huis blijven. Ik heb er grote zorg over en ik verzoek jullie vriendelijk mij alle drie te helpen en het niet erger te maken dan het al is.’

‘Natuurlijk niet!’ zei Roberta, Moeders hand tegen haar wang drukkende.

‘Jullie kunt me een heleboel helpen,’ zei Moeder, ‘door opgewekt en gehoorzaam te wezen, en niet te kibbelen als ik weg ben.’ – Roberta en Peter keken elkaar eens even aan – ‘want ik zal heel dikwijls van huis moeten gaan.’

‘Nee, we zullen niet kibbelen – heus niet!’ riepen ze alle drie. En ze meenden het eerlijk.

‘Verder,’ vervolgde Moeder ‘zou ik graag willen dat jullie mij niets vragen over deze treurige geschiedenis en er anderen ook niet naar vragen.’

Peter tuurde met een schuldig gezicht voor zich en schuifelde onrustig met zijn voeten.

‘Dat willen jullie me ook wel beloven, is ‘t niet?’ vroeg Moeder.

‘Ik heb er Ruth al naar gevraagd,’ zei Peter opeens. ‘‘t Spijt me erg, maar ik heb het al gedaan.’

‘En wat zei ze?’

‘Ze zei dat ik het gauw genoeg horen zou.’

‘Jullie hoeft er nog niets van te weten,’ zei Moeder, ‘‘t staat in verband met Vaders zaken, en daar begrijpen jullie toch niets van, is ‘t niet?’

‘Nee,’ zei Roberta, ‘heeft het iets met de Regering of met het Rijk te maken?’ – Want Vader had een rijksbetrekking.

‘Ja,’ zei Moeder. ‘Maar nu is ‘t bedtijd, kinderen. Tobben jullie er maar niet over. ‘t Zal misschien nog wel allemaal terecht komen.’

‘Dan mag u ook niet tobben, Moes,’ zei Phyllis ‘en wij zullen zo lief zijn, dat u ons niet kent.’

Moeder zuchtte eens en kuste hen goedenacht.

‘Morgenochtend zullen we er dadelijk mee beginnen,’ zei Peter, terwijl ze naar boven gingen.

‘Waarom nu niet dadelijk?’ vroeg Roberta.

‘Natuurlijk, omdat er nu niks is, waarbij we bijzonder goed of gehoorzaam kunnen wezen – sufferd!’

‘Maar we kunnen toch alvast vriendelijk zijn en elkaar niet uitschelden,’ zei Phyllis.

‘Wat uitschelden?’ zei Peter. ‘Bobbie weet toch best dat, als ik zeg ‘sufferd’, dat precies hetzelfde is als dat ik zeg ‘Bobbie’.

‘Nou,’ zei Roberta.

‘Ja maar, ik bedoel niet, wat jij bedoelt. Ik meen er alleen maar – hoe noemt Vader het ook weer? – zo’n liefkozend naampje mee. – Slaap wel!’

De meisjes vouwden hun kleren extra netjes op – ‘t enige wat ze wisten te bedenken om hun goede bedoelingen te tonen.

‘Zeg,’ begon Phyllis, haar schort zorgvuldig gladstrijkende, ‘je hebt wel eens gezegd, dat alles soms zo saai was – dat er nooit iets met ons gebeurde, zoals in boeken. Nou, nu is er iets gebeurd.’

‘O, maar ik wou nooit dat er iets gebeurde dat Moeder naar vond,’ zei Roberta. ‘‘t Is hier nu allemaal méér dan afschuwelijk.’

En alles blééf meer dan afschuwelijk, weken achtereen. Moeder was bijna altijd uit. De maaltijden waren ongezellig en slordig. Het derde meisje werd weggestuurd en Tante Emma kwam logeren.

Tante Emma was veel ouder dan Moeder. Ze zou in betrekking gaan als gouvernante en had het druk met het in orde maken van haar kleren; allemaal lelijke, saaie kleren, die overal in de kamer in ‘t rond lagen, en de naaimachine snorde de hele dag, ja, tot laat in de nacht.

Tante Emma was van oordeel dat kinderen op hun eigen terrein behoorden te blijven en zij hielden zich stipt aan ‘t zelfde compliment.

Volgens hun opvatting was Tante Emma’s terrein overal waar zij niet waren. Ze merkten dus heel weinig van haar en zaten liever in de keuken, waar ze het veel gezelliger vonden. De keukenmeid kon, als ze goed gehumeurd was, allerleukste liedjes zingen, en de binnenmeid wist, als je haar tenminste niet net boos had gemaakt, precies een kip na te doen, die een ei gelegd had, en een champagnefles waar de kurk afvloog, en het geschreeuw van een paar vechtende katten. De dienstmeisjes vertelden de kinderen niets van het slechte nieuws dat de heren die avond gebracht hadden, maar ze zinspeelden er wel telkens op, dat ze heel wat zouden kunnen vertellen als ze maar wilden.

Op zekere dag, toen Peter Ruth een poets gebakken had (hij had de badkamerdeur op een kier gezet en een zwaar boek boven op de rand gelegd, zodat Ruth dit op haar hoofd kreeg toen ze binnenkwam), op die dag was het binnenmeisje Peter achterna gevlogen om hem een draai om zijn oren te geven.

‘‘t Zal met jou nog eens slecht aflopen!’ riep ze woedend, ‘lelijke, nare kwajongen! Als jij je leven niet betert, kon je wel eens terecht komen, waar die Vader van jou terecht gekomen is, dat voorspel ik je!’

Roberta vertelde dit aan haar Moeder, en de volgende dag zei Moeder Ruth de dienst op.

Toen brak het ogenblik aan, waarop Moeder thuiskwam en onmiddellijk naar haar bed ging en er twee dagen in bleef. De dokter werd gehaald, en de kinderen slopen angstig door het huis, met een gevoel, alsof nu aan alles een eind moest komen.

Een dag of wat later kwam Moeder weer aan ‘t ontbijt. Ze zag erg bleek en had lijnen op haar gezicht die ze nooit gehad had. Maar ze glimlachte, zo goed en zo kwaad als ‘t ging, en zei: ‘Kinderen, nu is alles bepaald. We gaan uit dit huis, naar buiten, naar een dorp. We krijgen zo’n aardig, klein, wit huisje! Ik weet zeker dat jullie het er prettig zult vinden.’

Daarna volgde er een roezige week van pakken – niet alleen van kleren, zoals wanneer je met vakantie gaat, maar van allerlei. Stoelen, tafels, alles moest ingepakt worden, van boven met zaklinnen en de poten met stro. Er werd ook een massa ingepakt dat je anders nooit meeneemt. Aardewerk, dekens, kandelaars, karpetten, ledikanten, pannen, ja zelfs kachels en poken.

Het huis leek wel een verkooplokaal. Ik geloof dat de kinderen ‘t wel aardig vonden.

Moeder had heel veel aan haar hoofd, maar kon toch tijd vinden met hen te praten, eens even met hen te lezen, en zelfs een versje te maken om Phyllis te troosten, die de schroevendraaier in haar hand had gekregen, toen ze er mee van de trap viel.

‘Moet dit niet ingepakt worden, Moeder?’ vroeg Roberta en ze wees naar het grote kabinet dat zo mooi was ingelegd met schildpad en koper.

‘Nee, we kunnen niet alles meenemen,’ antwoordde Moeder.

‘Maar ‘t is net of we alleen de lelijke dingen meenemen,’ zei Roberta.

‘We nemen de nuttige mee,’ zei Moeder, ‘we zullen een tijdlang moeten leven als mensen, die heel weinig geld hebben, Bobbekind.’

Toen al die lelijke, nuttige dingen ingepakt stonden en in een grote wagen weggehaald waren door mannen, sliepen Moeder, Tante Emma en de beide meisjes een nacht in de twee logeerkamers waar de mooie meubels in bleven staan. Hun eigen bedden waren allemaal weg. Peter moest op de sofa uit het salon slapen.

‘Dat ‘s nog eens leuk!’ zei hij, zich lachend om en om draaiende, toen Moeder hem kwam toestoppen. ‘Ik vind verhuizen niets naar! ‘k Wou dat we ‘t elke maand deden!’ Moeder lachte.

‘Ik niet,’ zei ze. ‘Slaap wel, Peterman.’

Toen ze zich omkeerde, zag Roberta haar gezicht. Dat vergat ze nooit!

‘O, Moeder,’ dacht ze bij zichzelf, terwijl ze naar bed ging, ‘wat is u moedig. Wat vind ik dàt knap! Te lachen, als u zo bedroefd is!’

De volgende morgen werden de koffers gepakt; altijd maar weer koffers, en eindelijk, ‘t was al laat in de middag, gingen ze naar ‘t station.

Tante Emma bracht hen weg. De kinderen hadden meer het gevoel alsof ze háár wegbrachten en dat speet hen niets.

‘Maar och, die arme kindertjes, waar zij gouvernante bij wordt!’ fluisterde Phyllis. ‘Ik wou, voor ik weet niet wat, niet graag in hun plaats zijn!’

Eerst vonden ze ‘t prettig uit de raampjes te kijken, maar toen het donker werd, begonnen ze slaap te krijgen en dutte de een voor, de andere na in, en ze hadden geen flauw idee hoelang ze wel in de trein hadden gezeten, toen Moeder hen zacht aanstootte en zei: ‘Wakker worden, kinderen, we zijn er.’

Ze werden wakker, koud en treurig en stonden op het tochtige perron te bibberen, terwijl de bagage uitgeladen werd. Toen zette de locomotief zich puffend en blazend weer in beweging en trok de trein achter zich voort. De kinderen zagen de lichten aan de achterste goederenwagen in de duisternis verdwijnen.

Dit was de eerste trein die ze zagen op de spoorbaan, die langzamerhand zo’n grote plaats in hun leven zou innemen. Ze wisten toen nog niet hoeveel ze van de trein zouden gaan houden, hoe die het punt in hun bestaan zou worden, waarom alles draaide, en wat al vreemde toestanden en veranderingen hij hun brengen zou. Voor ‘t ogenblik deden ze niets dan rillen en niezen en hopen dat de wandeling naar het nieuwe huis niet ver zou wezen. Peter herinnerde zich niet dat hij ooit zo’n koude neus gehad had. Roberta’s hoed was helemaal gedeukt en het elastiek leek wel veel nauwer dan anders. Phyllis’ veters waren losgegaan.

‘Kom,’ zei Moeder, ‘we moeten dat eindje maar lopen.’

De wandeling was donker en modderig. Telkens struikelden de kinderen op de oneffen weg, en eenmaal viel Phyllis half soezend in een plas, waaruit ze nat en ongelukkig werd opgeholpen. Er stonden nergens lantaarns langs de weg, die tegen een heuvel opliep. Toen hun ogen wat aan de duisternis begonnen te wennen, konden ze de opgestapelde toren van koffers onderscheiden, die daar in de hoogte voor hen op een kar geladen waren.

Er moest een breed hek worden opengedaan om de kar door te laten en daarna ging de weg dwars door het veld, nu de heuvel af. Even later kregen ze, aan hun rechterhand, een groot, donker gevaarte in ‘t oog.

‘Daar is het huis,’ zei Moeder. ‘Ik begrijp niet waarom ze alle blinden heeft dichtgedaan.’

‘Wie is ze?’ vroeg Roberta.

‘De vrouw, die het huis heeft schoongemaakt en de meubels op hun plaats zou zetten en voor avondeten zorgen.’

Achter een lagen muur kwamen de kruinen van bomen te voorschijn.

‘Dat is de tuin,’ zei Moeder.

Door geen der ramen scheen licht.

Iedereen bonsde op de deur, maar er kwam niemand.

De voerman zei dat juffrouw Viney waarschijnlijk wel naar huis zou zijn gegaan.

‘Uw trein was ook zo laat,’ zei hij.

‘Maar zij heeft de sleutel,’ zei Moeder. ‘Wat moeten we dan beginnen?’

‘O, die zal ze wel onder de drempel hebben gelegd,’ zei de voerman; ‘dat doen ze hier meestal.’ En de lantaarn van zijn kar nemende, bukte hij zich voor de deur. ‘Daar is hij al,’ zei hij geruststellend.

Hij deed de deur open, ging naar binnen en zette zijn lantaarn op een tafel.

‘Heeft u geen kaars?’ vroeg hij.

‘Ik weet niets te vinden; ik weet niet waar de boel zit.’ Moeder sprak veel minder opgewekt dan anders.

De man streek een lucifer af. Gelukkig, daar stond een kandelaar op de tafel; hij stak de kaars aan. Bij het armoedige schijnsel zagen de kinderen een grote, holle keuken met een stenen vloer. Er was geen gordijn voor ‘t raam, geen kleedje op de grond. De keukentafel van thuis stond middenin de ruimte. De stoelen waren in een hoek geschoven, potten, pannen, bezems en aardewerk in de anderen. Er was geen vonkje vuur meer aan de haard; niets dan een beetje as en sintels.

Toen de voerman weg wilde gaan, nadat hij de koffers naar binnen had gedragen, hoorden ze opeens een vreemd ritselend, schuifelend geluid, net alsof er iets wegvluchtte.

‘O, hoor ‘s! Wat is dat?’ riepen de meisjes.

‘Dat zijn maar ratten,’ zei de man, en hij verdween meteen, door het toeslaan van de deur de kaars uitblazende.

‘O, Moeder,’ zuchtte Phyllis. ‘Ik wou dat we hier nooit gekomen waren!’ en ze stootte een stoel om.

‘Maar ratten!’ zei Peter zacht in ‘t donker.


Hoofdstuk 2: Peter’s Kolenmijn

‘Dat is ook wat!’ riep Moeder, in de duisternis naar de lucifers grabbelend. ‘Wat zullen die arme muizen geschrokken zijn! Ik geloof nooit dat het ratten waren.’

Ze streek een lucifer af en stak de kaars weer aan. Daar stonden ze nu elkaar aan te kijken bij het flikkerende, dansende vlammetje.

‘Nu, kinderen, jullie hebben er zo dikwijls naar verlangd, dat er eens iets gebeuren zou in ons leventje; nu hebben jullie je zin. Dit is heus een avontuur, vind je niet? Ik heb juffrouw Viney verzocht wat brood en melk en vlees enzo, voor ons te kopen en het avondeten klaar te zetten, het zal dus wel in de eetkamer staan. Laten we maar eens gauw kijken!’

De eetkamer grensde aan de keuken. Het leek er veel donkerder dan in de keuken, toen ze er met dat ene kaarsje binnentraden; dat kwam omdat de keuken gewitte muren had en de eetkamer helemaal, van de vloer tot de zolder met hout beschoten was. Onder de zolder liepen dikke, zware balken. Het stond er vol stoffige meubels, alles hot en haar door elkaar – het was het ameublement dat thuis, waar ze hun leven lang gewoond hadden, in de ontbijtkamer had gestaan. Wat scheen dat nu al lang geleden en ver weg!

Er was een tafel, ja, en er waren stoelen ook, maar geen avondeten.

‘Laten we dan eens in de andere kamers gaan kijken,’ stelde Moeder voor; en ze gingen kijken. En in elke kamer vonden ze dezelfde hopeloze verwarring van meubels en allerlei dingen op de vloer, die niet bij elkaar hoorden. Zelfs in de provisiekast stond niets dan een oud, roestig biscuitblik en een kapot bord waar wat witsel op was aangemaakt.

‘Wat een akelig mens!’ zei Moeder ontstemd. ‘Zou ze maar kalm met het geld aan de haal zijn gegaan, zonder ons iets te eten te geven?’

‘Maar krijgen we dan helemaal niks?’ vroeg Phyllis teleurgesteld, en ze stapte achteruit op een zeepbakje dat verdacht kraakte.

‘Jawel,’ stelde Moeder haar gerust, ‘het is alleen maar, dat we dan een van die grote kisten moeten openbreken, die in de kelder gebracht zijn. Phyl, pas op kind, kijk waar je stapt. Hier, Peter, houd jij de kaars.’

De kelderdeur kwam in de keuken uit; je ging met een klein, houten trapje naar beneden. Het was helemaal geen ‘echte’ kelder, vonden de kinderen, want de zoldering was net zo hoog als die van de keuken. Onder langs de zolder liep een rek om spek en ham op te hangen. In een hoek lag wat hout en steenkool en vooraan stonden de grote kisten.

Peter lichtte bij, terwijl Moeder probeerde of ze de grote pakkist open kon krijgen. Maar die was stevig dichtgespijkerd.

‘Waar is de hamer?’ vroeg Peter.

‘Ja, dat is het juist,’ zei Moeder. ‘Ik vrees dat die in de kist zit. Maar daar ligt een kolenschop – en daar de keukenpook.’

Toen trachtte ze hiermee de kist open te breken.

‘Laat mij het eens proberen,’ zei Peter, denkende dat hij het beter zou kunnen. Dat denkt iedereen altijd, als hij iemand anders een kachel ziet opstoken of een kistje ziet openmaken of een knoop uit een eind touw peuteren.

‘U zult uw handen nog bezeren, Moes,’ zei Roberta; ‘mag ik eens?’

‘Was Vader er maar,’ zei Phyllis; ‘die had hem in tien tellen open. – Waarom schop je me toch, Bobbie?’

‘Ik schop je niet,’ zei Roberta.

Juist op dit ogenblik liet de eerste lange draadnagel in de kist met luid gekraak los. Toen konden ze al gauw een van de smalle plankjes oplichten, daarna een tweede, tot ze eindelijk alle vier overeind stonden en hun lange spijkers als nijdige ijzeren tanden in het kaarslicht glinsterden.

‘Hoera!’ riep Moeder; ‘hier is een pak kaarsen om mee te beginnen. Meisjes, steek die eens gauw aan. Je neemt wat schoteltjes en dingen, laat een paar druppeltjes kaarsvet op een schoteltje vallen en drukt daar de kaars in vast.’

‘Hoeveel zullen we er aansteken?’

‘O, zoveel je maar wilt,’ zei Moeder opgewekt. ‘De grote zaak is vrolijk te zijn, en niemand kan zijn vrolijkheid bewaren in zo’n duisternis, behalve uilen en mollen!’

De meisjes staken dus gauw de kaarsen aan. De kop van de eerste lucifer vloog eraf op Phyllis’ hand, maar het was maar een onbeduidend pijntje, zoals Roberta opmerkte. Het had evengoed gekund dat Phyllis een Romeins martelaar had moeten zijn en zich helemaal had moeten laten verbranden, als ze in de dagen geleefd had, toen dergelijke dingen gebruikelijk waren.

Toen de eetkamer nu door veertien kaarsen verlicht was, haalde Roberta kolen en hout en maakte ze handig de kachel aan.

‘‘t Is bijzonder koud voor Mei,’ zei ze, met een gevoel of ze iets heel grootmensigs opmerkte.

Het kaarslicht en de gloed van het vuur gaven de eetkamer een heel ander aanzien, want nu kon je duidelijk de slingers en kransjes en strikjes onderscheiden die in de donkere, houten wanden gesneden waren.

De meisjes maakten de kamer gauw ‘netjes’, dat wilde zeggen, dat ze de stoelen aan de kant zetten en al de kleine rommel in een hoek op elkaar stopten; gedeeltelijk verborgen achter de grote, leren armstoel, waarin Vader na het eten altijd een poosje zat.

‘Bravo!’ riep Moeder, met een blad vol dingen binnenkomend. ‘Dat begint er al naar te lijken! Nu zal ik gauw een servet halen en dan -.’

Het tafelgoed zat in een kist met een gewoon slot erop; die ging dus met een sleutel en niet met een pook open, en toen nu het servet op tafel lag, werd er een waar feestmaal aangericht.

Iedereen was wel erg moe, maar iedereen fleurde toch op bij het gezicht van dat grappige, lekkere avondeten. Er was een trommeltje met biscuits, Maria’s en van die heel gewone, sardines, gember, trosrozijnen, sinaasappelmarmelade en een stuk brood.

‘Wat gelukkig dat Tante Emma nog maar alle eetbare waar uit de provisiekast inpakte,’ zei Moeder. ‘Pas op, Phil, steek het marmeladelepeltje niet in het sardineblikje.’

‘Nee, Moeder,’ zei Phyllis, en ze legde het op de Maria’s.

‘Laten we eens op Tante Emma’s gezondheid drinken,’ stelde Roberta opeens voor. ‘Wat zouden we hebben moeten beginnen, als zij dit niet allemaal in de kist had gestopt! – Daar gaat ze!’

De toast werd met water gedronken uit gebloemde keukenkopjes, want niemand wist waar de glazen waren.

Ze voelden allemaal dat ze Tante wel een beetje hard beoordeeld hadden. Al was ze niet zo’n lief, gezellig mens als Moeder, zij had er dan toch maar aan gedacht al die eetwaren voor hen in te pakken. Tante Emma had er óók aan gedacht al de beddelakens bovenop in een koffer te leggen, zodat de bedden, die de verhuizers in elkaar hadden gezet, in een ommezientje waren opgemaakt.

‘Slaap lekker, jongens,’ zei Moeder. ‘Ik weet zeker dat hier geen ratten zijn, hoor! Maar ik zal mijn deur openlaten, en als er een muis verschijnt, hoef je maar even te roepen, en ik ben bij jullie om de kleine indringer eens even onder handen te nemen.’

Toen ging ze naar haar eigen kamer. Roberta werd eenmaal wakker en hoorde toen het kleine reisklokje twee slaan. Het klonk altijd net, vond ze, of er heel in de verte een kerkklok sloeg. En ze hoorde ook dat Moeder nog in haar kamer bezig was.

De volgende morgen vroeg maakte Roberta Phyllis wakker door haar zachtjes aan het haar te trekken, maar hard genoeg voor het doel.

‘Wat is er nou weer – niet doen!’ mompelde Phyllis, dood van de slaap.

‘Gauw! Sta op!’ riep Roberta. ‘We zijn in het nieuwe huis – weet je het niet meer? Toe, laten we gauw voortmaken en aan het werk gaan. Wij zullen op onze tenen de trap afsluipen en alles netjes maken, voordat Moeder beneden komt. Ik heb Peter ook al geroepen. Hij is misschien al eerder klaar dan wij.’

Ze kleedden zich heel vlug en stil aan. Er was natuurlijk nog geen water op hun kamers, en dus wasten ze zich maar, voor zover ze dat nodig vonden, onder de pomp op de plaats. Eén pompte, terwijl de andere zich waste. Het spatte erg, maar het was heerlijk!

‘Veel eniger dan in een kom wassen,’ vond Roberta. ‘Kijk eens wat glinsterachtig dat onkruid tussen de stenen is, en het mos op het dak – o, en de bloemen!’

Het rieten dak van de bijkeuken was heel laag en voor een groot deel met mos bedekt, waartussen huislook en muurbloemen groeiden; ja, verder op, aan een van de hoeken, stond zelfs een bosje paarse irissen.

‘Het is hier veel, véél mooier,’ zei Phyllis. ‘Ik ben benieuwd hoe de tuin zal zijn.’

‘Daar moeten we nog maar niet naartoe gaan,’ zei Roberta, vol plannen. ‘We moeten binnen aan de gang.’

Ze maakten het vuur in de keuken aan, zetten er een ketel met water op en zochten het ontbijtservies bij elkaar; alles wisten ze nog niet te vinden, maar een glazen asbakje kon best als zoutvaatje dienst doen en een nieuw bakblik voor broodschaal, als er tenminste brood kwam!

Toen ze niets meer konden bedenken, liepen ze weer naar buiten, de heerlijke, frisse morgenlucht in.

‘Nu gaan we de tuin bekijken,’ zei Peter. Maar hoe het zat, begrepen ze zelf niet, maar ze konden de tuin niet vinden. Ze liepen het huis om en nog eens om, maar nergens was een tuin te zien. De plaats was achter, en aan de overkant daarvan stonden een stal en een paar schuren. Aan de drie andere zijden lag het huis eenvoudig zo maar in het veld, zonder een straatje of een tuin, die het van het grasland eromheen afscheidde. En toch hadden ze de vorige avond duidelijk de tuinmuur gezien.

Het was een heuvelachtige streek. In de diepte konden ze de spoorbaan zien en de zwarte, gapende ingang van een tunnel. Over het ene einde van de vallei spande zich een brug met grote bogen.

‘Wat kan ons die tuin verder schelen,’ zei Peter. ‘Laten we liever naar beneden gaan en naar het spoor kijken. Er komt misschien wel eens een trein langs.’

‘Die kunnen we hier ook wel zien,’ zei Roberta langzaam. ‘Laten we hier eerst eens even gaan zitten.’

Ze vielen alle drie neer bij een grote, platte steen, die zich als het ware uit het gras tevoorschijn had gewerkt. Er lagen er zo verscheidene tegen de heuvelhelling verspreid, en toen Moeder om acht uur kwam kijken waar ze waren, vond ze haar drietal vreedzaam tegen elkaar aan, in de zon ingedut.

Ze hadden een prachtig vuurtje aangelegd en er omstreeks half zes de ketel opgezet, zodat tegen acht uur het vuur al een poos uit, het water allemaal verkookt en de bodem uit de ketel gebrand was. Ook hadden ze er niet aan gedacht het servies af te wassen voor ze de tafel dekten.

‘Maar dat hindert niet – van die kopjes en bordjes meen ik,’ zei Moeder, ‘want ik heb nog een kamer ontdekt – ik was helemaal vergeten dat er nog een was. Het is net of daar iemand aan het toveren is geweest! En ik heb het theewater nu maar in een pan gekookt.’

De vergeten kamer kwam in de keuken uit. In de verwarring en het halfduister van de vorige avond hadden ze die deur voor een kast aangezien.

Het was een klein, vierkant kamertje, en op de keurig gedekte tafel stond een koude rib met brood, boter, kaas en een pastei.

‘Pastei aan het ontbijt!’ riep Peter; ‘dat is een goeie boel hoor!’

‘Geen kippenpastei,’ zei Moeder, ‘gewone appeltaart. Dit is nu eigenlijk het avondeten dat we gisteren hadden moeten hebben. Er lag een briefje bij van Juffrouw Viney. Haar schoonzoon had zijn arm gebroken en daarom moest ze zo gauw mogelijk naar huis. Ze komt vanmorgen om tien uur terug.’

Dat was een wonderlijk ontbijt! Gewoonlijk begint iemand zijn dag niet met appeltaart, maar de kinderen vonden het alle drie ‘juist heerlijk’.

‘Ziet u, het is eigenlijk nog meer middageten voor ons dan ontbijt,’ zei Peter, zijn bord nog eens bijhoudend. ‘U moet denken, we zijn al zo vroeg op geweest!’

De dag ging voorbij met helpen uitpakken en alles in orde maken. Zes kleine benen waren doodmoe van al het heen en weer lopen dat nodig was om kleren, porselein en allerlei dingen op hun juiste plaats te brengen, en pas laat in de middag zei Moeder: ‘Ziezo! Nu is het genoeg voor vandaag. Ik ga een uurtje op mijn bed liggen om vanavond weer zo fris als een hoentje te zijn.’

Toen keken de drie kinderen elkaar aan, en elk van de drie sprekende gezichten drukte dezelfde gedachte uit. Die gedachte bestond uit twee delen: uit een vraag en een antwoord.

De vraag was: ‘Waar zullen we heengaan?’

Het antwoord: ‘Naar de spoorbaan!’

Ze gingen dus naar de spoorbaan, en nauwelijks waren ze op weg, of ze ontdekten ook waar de tuin verborgen was. Hij lag vlak achter de bijgebouwen met een muur eromheen.

‘Kom, ga nu niet naar die tuin kijken!’ riep Peter. ‘Moeder had me al verteld waar hij was. Morgen is hij er ook nog. Laten we liever maken dat we bij het spoor komen.’

De weg naar de spoorbaan liep almaar door naar beneden, de heuvel af, over zacht, kort grasland met hier en daar een bremstruik ertussen en grijze en gele stukken rots, die erbovenuit staken als de amandelen op een taart.

Het laatste eindje ging steil naar beneden tot aan een houten hek – daarachter lag de spoorbaan met haar glinsterende rails, haar telegraafdraden, wissels en seinpalen.

Toen ze boven op het hek geklommen waren, hoorden ze plotseling een rommelend, dreunend geluid dat hen alle drie naar rechts deed kijken, waar de donkere mond van een tunnel uit een rotsmuur gaapte; een ogenblik later stoof gillend en snuivend een trein uit de opening en was in een oogwenk langs hen heengegleden. Ze voelden een sterke luchtdruk en hoorden het grint op de lijn tegen de voorbijratelende machine opspringen.

‘Hè!’ zei Roberta met een diepe zucht, ‘net of er een reuzendraak langs je heen vloog. Voelde je wel dat hij ons waaide met zijn grote vleugels?’

‘Een drakenhol zou er van buiten best zo kunnen uitzien als die tunnel,’ zei Phyllis.

Maar Peter riep opgetogen: ‘Ik had niet gedacht dat we nog ooit in ons leven zo dicht bij een spoor zouden wonen als hier. Het is allerleukst.’

‘Nog beter dan speelgoedlocomotiefjes, hè?’ vroeg Roberta.

(Het verveelt me Roberta bij haar volle naam te noemen. Ik weet ook niet waarom het nodig is. Niemand deed het; iedereen noemde haar Bobbie, dus waarom ik niet?)

‘Ik weet niet; het is heel iets anders,’ zei Peter. ‘Het is zo enig de hele trein te zien. Wat ontzettend groot is zo’n ding, hè?’

‘Maar wij hebben ze ook nog nooit anders gezien dan in tweeën gesneden door een perron,’ bedacht Phyllis.

‘Ik zou wel eens willen weten of die trein naar Londen ging,’ zei Bobbie. Londen waar Vader was!

‘Laten we naar het station lopen en het daar vragen,’ stelde Peter voor.

Ze liepen langs de lijn en hoorden de telegraafdraden boven hun hoofden gonzen. Als je in een trein zit, lijkt de afstand van paal tot paal zo heel klein en is het net of de draden bij de palen in elkaar vloeien, zodat je haast geen tijd hebt ze te tellen, maar als je loopt, is het nog een tamelijk eindje tussen elke twee palen in.

Eindelijk kwamen de kinderen dan toch aan het station.

Ze waren nog nooit een van drieën op een perron geweest dan om op reis te gaan, of iemand af te halen, en dan altijd met grote-mensen erbij, grote mensen die zich niets voor een station interesseerden, en het alleen maar beschouwden als een plaats, waar je liefst zo gauw mogelijk weer vandaan ging.

Nog nooit waren zij zo dicht langs een seinhuis gekomen om de trekdraden te kunnen nagaan en het geheimzinnige ‘ping, pang’ te horen, gevolgd door de prachtige metaalklank die het omtrekken van de hefbomen veroorzaakte.

Zelfs de dwarsliggers onder de rails waren een heerlijkheid; ze lagen net precies ver genoeg van elkaar om grote stenen te verbeelden waarop de kinderen, van de een op de ander springend, zich een weg konden banen over een woeste, bruisende bergstroom – een spelletje dat Bobbie in de gauwigheid bedacht had.

En toen dat komen aan het station! Niet op de gewone, alledaagse manier, door het bureautje waar je plaatskaartjes nam, maar als echte vrijbuiters langs de helling op het perron afgezakt. Dat alleen was al de moeite waard.

Het was ook de moeite waard in het hokje van de kruiers te gluren, waar een heleboel lantaarns hingen en allerlei spoorkaarten, en waar een kruier over zijn krant was ingedut.

Bij het station waren verscheidene lijnen, die elkaar kruisten; sommige liepen een eind over het emplacement en hielden daar ineens op alsof ze er nu genoeg van hadden en zich uit de zaken terugtrokken. Op dat gedeelte stonden open goederenwagens op de rails, en aan één kant lag een grote hoop steenkool – niet zo’n losse berg, zoals bij jezelf thuis in het kolenhok, maar een soort huis van steenkool met grote, vierkante blokken aan de buitenkant, net als stenen op elkaar gestapeld, tot het een hoog, stevig gebouw geworden was. Bovenaan die kolenmuur, dicht bij de rand, liep een witte streep die er met kalk op scheen gemaakt.

Toen de kruier even later uit zijn kamertje kwam bij de herhaalde, trillende klank van een bel boven de deur van het station, zei Peter dadelijk, zo vriendelijk mogelijk: ‘Goeiemiddag. Weet u ook waar die witte streep langs de kolen voor is?’

‘Om aan te geven hoeveel kool er is,’ zei de kruier. ‘Dan kunnen we zien of er ook van gekaapt wordt. Steek er dus maar niks van in je zak, jongeheer!’

Het werd als een grapje gezegd, en Peter voelde dadelijk dat die kruier een leuke baas was, waarmee je best zou kunnen opschieten. Maar later kregen die woorden een veel ernstiger betekenis.

Het nare gevoel dat de kinderen eerst gehad hadden over Vaders wegblijven en Moeders verdriet, had wel een diepe indruk gemaakt, maar die duurde niet lang.

Ze wenden gauw aan het leven zonder Vader, al vergaten ze hem niet; en ze wenden aan het niet naar school gaan en aan het feit dat ze Moeder zo weinig zagen, die nu bijna de hele dag boven op haar kamer zat opgesloten, almaar schrijvend.

‘s Middags op theetijd kwam ze gewoonlijk beneden en las ze hun de verhaaltjes voor die ze geschreven had. Zulke mooie verhaaltjes!

De rotsen en heuvels, de vallei en de grote bomen, het kanaal en vooral de spoorbaan, waren zoiets nieuws en heerlijks voor hen, dat het oude leventje in de villa langzamerhand geheel op de achtergrond raakte en hen dikwijls als een droom voorkwam.

Moeder had hen meer dan eens onder het oog gebracht, dat ze nu ‘werkelijk arm’ waren, maar dat scheen maar zo bij manier van spreken gezegd. Grote-mensen, zelfs moeders, maken wel eens meer zulke opmerkingen die niets bepaalds schijnen te betekenen, net of ze ze maar zeggen, om iets te zeggen. Er was immers altijd genoeg te eten en ze droegen immers precies dezelfde kleren die ze altijd gedragen hadden!

Maar in juni kwamen er een paar heel gure, natte dagen; de regen viel in dikke stralen neer en het was erg, erg koud. Van uitgaan kon geen sprake zijn, en iedereen liep te bibberen. Toen gingen ze alle drie naar boven en klopten aan Moeders kamerdeur.

‘Wat is er?’ riep Moeder van binnen.

‘Moeder,’ zei Bobbie, ‘mag ik de kachel niet aanmaken? Ik kan het best.’

Maar Moeder antwoordde: ‘Nee, Bobbekind, in juni stoken we niet – de kolen zijn veel te duur. Als jullie het koud hebben, ga dan wat stoeien en spelen op zolder. Daar zul je wel gauw warm worden.’

‘Hè, Moes, er is toch maar zo’n klein beetje antraciet nodig voor één kachel!’

‘Altijd nog te veel voor ons, kindje,’ riep Moeder opgewekt. ‘Kom, jongens, maak nu dat je wegkomt – ik heb het woest druk.’

‘Moeder heeft het ook altijd druk tegenwoordig,’ klaagde Phyllis tegen Peter. Peter antwoordde niets. Hij haalde alleen zijn schouders even op. Hij dacht over iets na.

Die gedachten weerhielden hem echter niet lang een plan te maken voor de inrichting van een rovershol op de zolder. Peter was natuurlijk de rover, Bobbie zijn adjudant, zijn verknochte, trouwe bende en later, toen de omstandigheden dat meebrachten, de vader van Phyllis, het ontvoerde meisje, voor wie een hoge losprijs, in paardenbonen, werd uitbetaald.

Toen ze tegen theetijd naar beneden kwamen, hadden ze kleuren als vuur van het drukke spelen.

Maar toen Phyllis jam op haar gesmeerde boterham wilde doen, zei Moeder: ‘Jam of boter, kindje – geen jam en boter. Zo’n roekeloze weelde kunnen we ons nu niet meer veroorloven.’

Phyllis at haar boterham zwijgend op en nam er vervolgens een met enkel jam. Peter dronk, diep in gedachten, zijn slap kopje thee leeg.

Na het boterham-eten gingen ze weer naar de zolder en hier begon Peter: ‘Ik heb iets bedacht!’

‘Wat dan?’ vroegen de zusjes belangstellend.

‘Dat vertel ik je niet,’ klonk het onverwachte antwoord.

‘O, best,’ zei Bobbie; en Phil liet erop volgen: ‘Goed, dan laat je het!’

‘Hè, meisjes zijn toch ook altijd dadelijk kwaad,’ zei Peter.

‘Zo?’ – ‘Nou, ik zou wel eens willen weten wat jongens dan wel zijn!’ zei Bobbie minachtend. ‘Het kan me geen zier schelen wat je voor onmogelijks bedacht hebt.’

‘Later zul je het wel te weten komen,’ zei Peter, die wonder boven wonder, niet uit zijn humeur raakte. ‘Als jullie niet dadelijk ruzie gezocht hadden, zou ik het je misschien nu al wel vertellen; ik hield mijn plan alleen met de beste bedoelingen voor me. Maar nu spreek ik er natuurlijk verder geen woord over. Het is je eigen schuld!’

Het duurde werkelijk een heel tijdje, eer ze er hem toe konden krijgen iets los te laten, en toen hij het eindelijk deed, kwam er nog niet veel. Hij zei alleen maar: ‘De enige reden waarom ik jullie niets vertel van wat ik bedacht heb, is dat het misschien iets verkeerds is en ik er jullie dan niet in betrekken wil.’

‘Doe het dan toch niet, Peter, als het iets slechts is,’ zei Bobbie, ‘laat mij het dan nog liever doen.’

Maar Phyllis zei: ‘Als jullie iets ondeugends gaan doen, doe ik het ook!’

‘Nee,’ zei Peter, getroffen door de aanhankelijkheid van zijn zusjes: ‘Het zal jullie niets helpen of je al zeurt, ik doe het op mijn eigen houtje. Alles wat ik je verzoek, is, niet te klikken als Moeder vraagt waar ik ben.’

‘We hebben niets te klikken,’ zei Bobbie, verontwaardigd.

‘Genoeg!’ zei Peter, terwijl hij de paardenbonen door zijn handen liet glijden. ‘Ik vertrouw jullie op leven en dood. Je weet dat ik alleen op een eenzaam avontuur uitga, en dat sommigen het misschien niet goed zouden vinden – ik wel! En als Moeder vraagt waar ik zit, dan zeggen jullie maar dat ik voor mijnwerker speel.’

‘In wat voor mijnen?’

‘Dat doet er niet toe.’

‘Maar dát kun je ons toch wel vertellen, Peter!’

‘Nou goed dan; in een kolenmijn. Maar laat er geen woord van over je lippen komen, op straffe van helse pijnen.’

‘Je hoeft niet met zulke vreselijke dreigementen aan te komen,’ zei Bobbie, ‘en ik blijf erbij dat je ons moet laten helpen.’

‘Als ik een kolenmijn ontdek, mogen jullie helpen de kolen naar huis te rijden,’ verwaardigde Peter zich te beloven.

‘Bewaar jij je mooie geheim maar!’ zei Phyllis.

‘Als je kunt,’ zei Bobbie.

‘Dat zul je eens zien,’ zei Peter.

Twee dagen nadat het geheimzinnige plan in Peters brein was opgekomen, wenkte hij de meisjes ‘s avonds in het schemeruur.

‘Gauw, kom mee!’ riep hij zacht, ‘en haal de Romeinse zegekar tevoorschijn.’

De Romeinse zegekar was een heel oude kinderwagen die jarenlang in een vergeten hoekje van de zolder gestaan had. De kinderen hadden hem schoongemaakt en gesmeerd tot hij zo geruisloos reed als een nieuwe fiets.

‘Volg uw onverschrokken leider op de voet,’ commandeerde Peter, en hij ging de meisjes voor, de heuvel af, in de richting van het station.

Vlak boven het station staken verscheiden rotsen hun koppen door het gras heen, alsof ze, net als de kinderen, de grootste belangstelling voelden voor alles wat met de trein in verband stond.

In een klein hol, tussen drie rotsblokken, lag een hoopje dorre takken en heiplaggen.

Peter stond stil, schopte het rommeltje met een flink gelapte schoen weg en zei: ‘Aanschouw de eerst gedolven kolen van de St. Petersmijn. We zullen het zaakje met bekwame spoed in de kar naar huis brengen. Alle bestellingen worden zorgvuldig uitgevoerd: ‘Grootte van de stukken volgens order van onze geregelde afnemers.’

De wagen werd vol steenkool geladen, maar toen hij geladen was, moest hij weer uitgepakt worden, omdat ze hem met hun drieën nog niet naar boven konden krijgen. Zelfs niet toen Peter zich, met zijn bretels aan het handvat, ervoor spande en uit alle macht trok, terwijl de meisjes duwden.

Ze moesten drie reizen maken, eer de kolen uit Peters mijn bij Moeders kolen in de kelder lagen.

Daarna ging Peter alleen uit en kwam hij heel zwart en geheimzinnig terug.

‘Ik ben nog even naar mijn mijn geweest,’ vertelde hij; ‘morgenavond zullen we de zwarte diamanten weer in de zegekar vervoeren.’

Ongeveer een week later merkte Juffrouw Viney tegen Moeder op, dat die laatste kolen het toch zo verwonderlijk lang uithielden. Het was ‘of er de zegen in zat.’

De kinderen stieten elkaar heimelijk aan en hadden grote moeite hun inwendige pret te bedwingen. Ze dachten er nu geen ogenblik meer over dat Peter ooit getwijfeld had, of kolendelven goed of slecht was.

Het duurde echter niet lang meer of er brak een vreselijke avond aan, waarop de Stationschef in een paar oude strandschoenen schoot, die hij eens in zijn zomervakantie aan zee had gedragen, en heel voorzichtig naar het terrein sloop waar het steenkolengebouw lag met de witte kalkstreep eromheen. Hier bleef hij geduldig wachten als een kat voor een muizengaatje. Bovenop de hoop scharrelde steelsgewijs iets kleins en donkers rond.

De Chef verschool zich in de schaduw van een remwagen met een klein huisje erop en het opschrift

N.S.
3457

en daar stond hij doodstil te kijken tot het kleine figuur boven op de kolenberg gedaan had met scheppen en scharrelen, naar de rand stapte en zich behoedzaam naar beneden liet glijden met iets zwaars op zijn rug. Toen hief de Stationschef zijn arm op, en daalde zijn sterke vuist op Peters schouder neer, en daar stond Peter, stevig bij zijn kraag gepakt en met een oude aardappelzak vol kolen in zijn bevende handen.

‘Zo, heb ik je daar eindelijk gesnapt, jou kleine dief?’ riep de Chef.

‘Ik ben geen dief,’ zei Peter, zo flink als hij kon. ‘Ik ben een mijnwerker.’

‘Maak dat je Grootje wijs,’ zei de Stationschef.

‘Het zou precies even waar blijven, aan wie ik het ook wijs maakte,’ zei Peter.

‘Dáár heb je gelijk aan,’ zei de Chef, die hem stevig bleef vasthouden. ‘Maar houd jij nu liever je brutale mond, kwajongen, en kom maar gauw mee naar mijn bureau.’

‘Och, toe, doe u dat toch niet!’ klonk plotseling uit het duister een angstige stem die niet van Peter was.

‘Toch niet naar het politiebureau?’ vroeg een andere bevende stem.

‘Nog niet,’ zei de Chef. ‘Eerst mee naar het station. Het schijnt waarachtig een hele bende te zijn. Komen er soms nog meer?’

‘Wij alleen maar,’ zeiden Bobbie en Phyllis, van achter een andere goederenwagen tevoorschijn komend.

‘Hoe bedenkt u het, iemand zo stilletjes te bespieden!’ riep Peter verontwaardigd.

‘Het werd, dunkt me, hoog tijd, dat je eens bespied werd,’ antwoordde de Chef grimmig. ‘Kom, vooruit, naar het station.’

‘O, toe, alstublieft niet!’ smeekte Bobbie. ‘Kunt u dan hier niet dadelijk bedenken wat u ons doen zult. Want het is net zo goed onze schuld als Peters schuld. Wij hebben geholpen de kolen weg te brengen, en we wisten waar hij ze vandaan haalde.’

‘Dat wist je niet!’ riep Peter.

‘Wél waar,’ zei Bobbie. ‘We wisten het wél, maar we hielden ons maar onnozel om jou je zin te geven.’

Peters beker vloeide over. Daar had hij nu kolen gegraven, kolen gesjouwd en zich laten pakken, om nu nog van zijn zusjes te moeten horen dat ze hem als een klein kind ‘zijn zin maar hadden gegeven.’

‘Houd me toch niet vast!’ riep hij geërgerd. ‘Ik zal niet weglopen.’

De Stationschef liet Peters kraag los, streek een lucifer af en bekeek het drietal bij het flikkerende schijnsel.

‘Zo,’ zei hij, ‘jullie zijn, geloof ik, de kinderen van “Spoorzicht”. Kom, dat is wat moois! Zo netjes gekleed en dan – vertel me eens, hoe kwamen jullie er toch toe zoiets te doen? Zijn jullie nooit in een kerk of op een Zondagsschool geweest, dat je niet weet dat stelen slecht is?’

Hij sprak veel zachter dan in het begin en Peter antwoordde: ‘Ik wist niet dat dit stelen was; ik dacht het niet. Als ik nu nog van die grote, buitenste blokken genomen had, maar zo’n beetje van die massa uit het midden; wat zou dat nu hinderen! Het was mijn kolenmijn en het duurt wel duizend jaar eer u die dikke stukken allemaal heeft opgebrand en aan het middelste toe is.’

‘Niet zo lang. Maar zeg eens, deed je het nu eigenlijk voor de aardigheid, of zat er wat anders achter?’

‘Voor de aardigheid? Nogal wat aardigs aan, om dat ellendige, zware goed tegen de heuvel op te sjouwen!’ zei Peter beledigd.

‘Goed, maar waarom deed je het dan?’ De stem van de Chef klonk nu zoveel zachter dat Peter antwoordde: ‘U weet wel dat het laatst zo koud was met die regen? Nou, toen zei Moeder dat we te arm waren om de kachel aan te leggen. In ons andere huis stookten we altijd als we het koud hadden en -’

‘O, stil toch!’ fluisterde Bobbie smeekend.

‘Nu,’ zei de Stationschef, nadenkend zijn kin wrijvend. ‘Ik zal jullie eens wat vertellen. Voor deze keer zal ik het gebeurde door de vingers zien. Maar onthoud goed, jongmens, dat stelen stelen blijft en het mijne niet het jouwe is, hoe’n mooie naam jij daar ook aan weet te geven. Begrepen? Maak nu maar dat je naar huis komt.’

‘Meent u werkelijk dat u ons niets zult doen? Dat is leuk van u! Dank u wel!’ riep Peter opgewonden.

‘Ik vind u een snoes,’ zei Phyllis.

‘Wat is u een aardig man,’ zei Bobbie.

‘Goed, goed!’ zei de Stationschef. En zo namen ze afscheid.

‘Zeg maar geen woord tegen me,’ zei Peter toen ze de heuvel opgingen. ‘Jullie zijn ellendige spionnen en verraders – ja, dat zijn jullie!’

Maar de meisjes waren veel te blij dat ze Peter veilig tussen zich in hadden, op weg naar huis en niet naar het politiebureau, dan dat het hen veel kon schelen wat hij zei.

‘We vertelden immers dat wij het net zo goed gedaan hadden als jij!’ zei Bobbie zacht.

‘Nou ja – en dat was juist niet zo.’

‘Voor echte rechters zou het toch wel precies gelijk hebben gestaan,’ zei Phyllis. ‘Wees nu maar niet zo snauwerig, Peter. Wij kunnen toch niet helpen dat je geheimen zo makkelijk te ontdekken zijn.’ Ze pakte zijn arm en hij verzette zich niet.

‘In ieder geval liggen er nu een massa kolen in de kelder,’ vervolgde hij.

‘O!’ zei Bobbie verschrikt. ‘Daar mogen we nu toch niet blij meer om zijn?’

‘Waarom niet?’ vroeg Peter, met voorgewende onverschilligheid. ‘Ik ben nog zo zeker niet dat kolendelven iets slechts is.’

Maar de meisjes waren er wel zeker van. En ze wisten ook wel zeker dat Peter het zeker wist, al wilde hij het niet bekennen.


Hoofdstuk 3: De Oude Heer

Na dat avontuur met Peters kolenmijn, achtten de kinderen het geraden uit de buurt van het Station te blijven, maar ze bleven niet weg, ze konden niet wegblijven van de spoorlijn. Ze hadden hun leven lang in een straat gewoond, waar auto’s en autobussen de hele dag langs het huis rolden en ‘s morgens ieder ogenblik bakkers en slagerskarretjes verschenen, maar hier, in de rustige stilte van dit slapende land, kwamen er alleen maar op bepaalde uren treinen voorbij. Het scheen de kinderen net alsof die treinen het enige waren dat hen nog met hun vroeger leven verbond. Van ‘Spoorzicht’ af, recht naar beneden, hadden hun zes voeten al gauw een paadje gelopen in het korte, dorre gras. Langzamerhand leerden ze de minuten onthouden waarop sommige treinen voorbijsnorden en gaven ze hun namen. Die van 9.15 heette nooit anders dan de ‘Groene Draak’, die van 10.7 ‘de Ratelslang’. De sneltrein naar het Noorden, die te middernacht hun huis voorbijdaverde en hen door zijn gillend gefluit wel eens uit de droom wekte, was ‘het Vurige Nachtmonster’. Peter die eens uit zijn bed was gesprongen om, bij heldere sterrenlucht, door de gordijnen naar de trein te gluren, doopte hem onmiddellijk zo.

De oude heer reisde met ‘de Groene Draak’. Hij had een bijzonder aardig uiterlijk, die oude heer, en hij zag eruit of hij ook wel bijzonder aardig moest zijn, wat lang niet hetzelfde is. Zijn goedhartig gezicht was fris en blozend, zijn haar wit en zijn boord een beetje ouderwets, net als zijn hoed, die er ook niet precies zo uitzag als die van andere heren. Natuurlijk merkten de kinderen dit alles niet dadelijk op; het eerste wat ze eigenlijk van de oude heer zagen was zijn hand.

Het gebeurde op een morgen toen ze met hun drietjes op het rasterwerk langs de spoorbaan op de ‘Groene Draak’ zaten te wachten, die – volgens het horloge dat Peter op zijn laatste verjaardag gekregen had – drie en een kwart minuut te laat was.

‘De “Groene Draak” gaat naar waar Vader is,’ zei Phyllis, ‘als het een werkelijke, echte draak was, konden we hem vragen of hij onze complimenten aan Vader wou overbrengen.’

‘Verbeeld je, een draak die de complimenten aan mensen overbrengt!’ zei Peter. ‘Hoe kan dat nou! Daar staan draken veel te hoog voor.’

‘Nietwaar; ze doen het best, als je ze maar eerst dresseert. Ze kunnen ook apporteren, net zo goed als jachthonden,’ zei Phyllis, ‘en als ze tam zijn, eten ze uit je hand. – Ik begrijp toch niet wáárom Vader ons nooit eens een brief stuurt!’

‘Moeder zegt dat hij het te druk heeft gehad,’ zei Bobbie, ‘maar dat hij nu misschien wel eens gauw schrijven zal.’

‘Zeg, laten we allemaal wuiven als “de Groene Draak” voorbijkomt,’ stelde Phyllis voor. ‘Als het een toverdraak is, begrijpt hij het natuurlijk en zal hij onze groeten wel aan Vader overbrengen. Nou, en als het er geen is dan is het nog niet erg – zo’n paar wuifjes!’

Toen ‘de Groene Draak’ dus snuivend en gillend uit zijn donker hol – de tunnel – tevoorschijn kwam, stond het drietal op het hek uit alle macht met hun zakdoeken te wuiven, zonder er zich om te bekommeren of die zakdoeken schoon waren dan wel het omgekeerde. En het sprak haast vanzelf dat ze het omgekeerde waren.

En uit een eersteklascoupé wuifde een hand terug; een heel schone hand. Ze hield een krant vast en het was de hand van een oude heer.

Van dit ogenblik af werd het de vaste gewoonte elkaar toe te wuiven, naar en uit de trein van 9.15.

En de kinderen, vooral de meisjes, verheugden zich graag in de mogelijkheid dat de oude mijnheer misschien Vader wel kende, misschien wel ergens ‘zaken’ met hem deed, waar die geheimzinnige plaats ook zijn mocht. Dan kon hij hem vertellen dat zijn drie kinderen elke morgen, weer of geen weer, daar heel ver weg, in het groene land, op een spoorhek stonden om de trein hun groeten mee te geven.

Want ze konden nu in alle weer en wind uitgaan, wat vroeger, toen ze in de rode villa woonden, volstrekt het geval niet was geweest. Dat hadden ze aan Tante Emma te danken, en de kinderen beseften hoe langer hoe meer dat ze heel onrechtvaardig tegenover die tante geweest waren, toen ze gelachen hadden om de slobkousen en de regenmantels die ze voor hen gekocht had.

Al die tijd was Moeder druk aan het schrijven. Ze verzond telkens grote, gele enveloppen met verhaaltjes erin en kreeg ook telkens grote enveloppen van allerlei kleuren en formaten terug. Soms zuchtte ze wel eens als ze er een opensneed en zei: ‘Alweer een terug! O, hemel, hoe moet dat gaan!’ en dan keken de kinderen erg bedrukt.

Maar soms ook zwaaide ze met de enveloppe door de lucht en riep: ‘Hoera! Hoera! Dat is nog eens een verstandig uitgever. Hij heeft mijn verhaal aangenomen; hier heb ik de proef al.’

Eerst dachten de kinderen dat de ‘proef’ hetzelfde betekende als de brief die de verstandige uitgever geschreven had, maar al heel gauw leerden ze dat de ‘proef’ een stuk papier was, waarop het verhaal gedrukt stond.

Iedere keer als een uitgever ‘verstandig’ was geweest, trakteerde Moeder op krentenbroodjes.

Eens was Peter op weg naar het dorp om krentenbroodjes te halen, ter viering van het gelukkige feit dat de redacteur van de ‘De Kinderwereld’ een verhaal geplaatst had, toen hij de Stationschef tegenkwam.

Peter voelde zich niets op zijn gemak, want hij had nu alle tijd gehad om over die kolenmijngeschiedenis na te denken. Hij durfde de Chef niet goedendag te zeggen, zoals je gewoonlijk doet wanneer je iemand tegenkomt op een stille landweg – omdat hij over zijn hele lichaam zo’n vreemd warm gevoel kreeg dat hem tot in zijn oren schoot, en hij stellig dacht dat de Stationschef niet graag zou spreken tegen iemand die kolen gestolen had. ‘Gestolen’ is een lelijk woord, maar Peter voelde dat het toch het juiste was; hij keek dus voor zich en zei niets.

‘Morgen!’ zei de Stationschef toen hij hem voorbijliep, en Peter had nauwelijks ‘Dag mijnheer’ gezegd, of hij bedacht: ‘Misschien herkent hij me wel niet, anders zou hij zeker niet zo beleefd zijn.’

Dat vond Peter niets geen prettig idee, en eer hij recht wist wat hij deed, vloog hij de Stationschef achterna die wachtte, toen hij Peters stappen achter zich hoorde.

‘Ik wilde liever niet dat u beleefd tegen me was, als u me niet herkent als u me ziet,’ bracht Peter er verward, ademloos en vuurrood uit.

‘Wát zeg je?’ vroeg de Chef verbaasd.

‘Ik dacht dat u misschien niet wist dat ik die kolen had weggenomen toen u goeiemorgen zei,’ vervolgde Peter. ‘Maar ik was het wel geweest en het spijt me erg. Wezenlijk.’

‘Wel, jongen,’ zei de Stationschef, ‘ik dacht volstrekt niet meer aan die kolen, hoor! Dat is vergeven en vergeten. Waar moest je zo haastig op af?’

‘Krentenbroodjes halen voor bij de thee,’ vertelde Peter.

‘En ik dacht dat jullie zo arm waren,’ zei de Chef.

‘Dat zijn we ook,’ zei Peter vertrouwelijk, ‘maar ziet u, als Moeder een verhaaltje of een versje verkoopt, krijgen we altijd wat om krentenbroodjes voor te kopen.’

‘Zo,’ zei de Stationschef, ‘dus je moeder schrijft verhaaltjes?’

‘Nou óf ze!’ zei Peter.

‘Dan mag je wel trots zijn op zo’n knappe moeder.’

‘Ja,’ zei Peter, ‘maar vroeger, toen ze nog niet zo knap hoefde te zijn, speelde ze veel meer met ons.’

‘Kom,’ zei de Stationschef, ‘ik moet verder. Je komt maar eens een kijkje bij ons aan het station nemen, als je er weer eens lust in hebt. En wat die kolen betreft – dat was een – maar, nee – we beloven elkaar, dat we daar nooit meer van zullen spreken, hè?’

‘Dank u,’ riep Peter. ‘Ik ben toch zo blij dat het weer goed tussen ons is!’ En hij liep verder, de Kanaalbrug over, naar het dorp toe, om de tractatie te halen, met zo’n heerlijk, blij, licht gevoel van binnen, als hij niet gehad had sedert de Chef hem die avond tussen de kolen, bij de kraag gegrepen had.

De volgende morgen, toen ze de ‘Groene Draak’ hun driedubbele groet aan Vader hadden toegewuifd, en de oude mijnheer als altijd had teruggewuifd, stelde Peter met trots voor naar het perron te gaan.

‘Zouden we wel?’ vroeg Bobbie.

‘Na die kolen meent ze,’ verduidelijkte Phyllis.

‘Gisteren heb ik de Chef ontmoet,’ zei Peter, met een airtje van onverschilligheid en zonder notitie te nemen van wat Phyllis gezegd had, ‘en hij vroeg me heel expres-bijzonder vriendelijk, of we toch nog eens op het station kwamen; we mochten net komen wanneer we wilden.’

‘En nog wel nadat je die kolen hebt weggehaald?’ herhaalde Phyllis. ‘Wacht even, mijn veter is weer los.’

‘Die onmogelijke veters van jou zijn ook altijd los,’ zei Peter. ‘De Chef was meer heer dan jij ooit zijn zult, Phil – gemeen, om iemand altijd die kolen weer voor de voeten te gooien.’

Phyllis strikte haar veter vast en liep zwijgend mee, maar haar schouders schokten nu en dan, en op een ogenblik zag Bobbie een paar dikke tranen langs haar neus op de rails rollen.

‘Wat scheelt eraan, Phil?’ vroeg ze, haar arm om haar zusje heenslaand.

‘Hij zegt dat ik nooit een heer zal worden en dat het gemeen van mij is,’ snikte Phyllis. ‘En ik heb nog niet eens gezegd, dat hij gemeen was, toen hij martelaartje speelde en mijn Clorinda op die takkenbos gebonden heeft om er een brandstapel van te maken.’

Peter had deze wandaad werkelijk twee jaar geleden begaan.

‘Maar jij begon, Phil,’ zei Bobbie eerlijkheidshalve, ‘jij hebt tweemaal wat van die kolen gezegd. Toe, doen jullie nu maar net, of je na het wuiven nog niets tegen elkaar gezegd hebt.’

‘Ik wil wel, als Peter het dan ook wil,’ zei Phyllis snuffende.

‘Best,’ zei Peter. ‘Hier, gebruik mijn zakdoek maar, Phil; je hebt de jouwe zeker weer verloren. Ik begrijp niet wat je er toch altijd mee uitvoert.’

‘Hè, en jij hebt zelf mijn laatste nog gebruikt om het deurtje van je konijnenhok mee vast te binden. Wat een nare, ondankbare jongen ben je toch!’

‘Best, best,’ zei Peter ongeduldig. ‘Stil maar; het spijt me. Nou – gaan jullie mee of niet?’

Al gauw kwamen ze aan het station, waar ze een paar prettige uurtjes bij de kruier doorbrachten. Hij was een vriendelijk, goedhartig man en scheen nooit zijn geduld te verliezen bij al die vragen die met ‘Waarom?’ beginnen en dikwijls menig volwassen mens die een deftiger positie in de maatschappij bekleedt, vervelen.

Hij wist hun van allerlei te vertellen waarvan ze nog nooit gehoord hadden – zoals bijvoorbeeld dat de dingen waarmee de spoorwagens aan elkaar gehaakt worden, koppelingen heten, en dat er door de pijpen die als dikke slangen over die koppelingen heenhangen, warme lucht gaat om de trein te doen stoppen.

‘Als je er, bij wijze van spreken, eens een te pakken kon krijgen, terwijl de trein in volle vaart is, en je kon ze dan van elkaar trekken, dan zou hij ineens met een schok stilstaan. En die noodrem binnen in de wagons – je weet wel – daar moet je je handen maar liever afhouden: “reizigers die zonder wettige reden het remtoestel in beweging brengen, worden uit de trein verwijderd, onverminderd de straf op de overtreding gesteld.” De trein stopt onmiddellijk, en de aardigheid kost je vijfentwintig gulden.’

‘En als je het om een wettige reden in beweging brengt?’ vroeg Roberta.

‘Dan zou hij evengoed stoppen, denk ik,’ zei de kruier, ‘maar het gebruik van de noodrem is alleen veroorloofd als je vermoord wordt. – Er zat eens een oude dame in de trein; die hadden ze wijs gemaakt dat het de bel was voor de restauratiewagen en ze gebruikte hem dus zonder wettige reden, want er was geen gevaar voor haar leven al had ze honger, en toen de trein stopte en de hoofdconducteur alle coupés nakeek of er ook ergens iemand in zijn bloed lag te baden, zei ze: “O, alstublieft meneer, ik wilde graag een glas melk en een broodje met kaas.” En met die grappen kwam de trein zeven minuten te laat binnen.’

‘En wat zei de conducteur toen tegen die oude juffrouw?’

‘Dát weet ik niet!’ antwoordde de kruier, ‘maar ze zal het zeker niet gauw vergeten hebben, daar kan ik jullie voor instaan.’

Onder zulke interessante verhalen vlóóg de tijd letterlijk om.

Een paar maal kwam de Chef even uit dat heilige der heiligen achter het bureautje – met dat gat erin, waardoor ze plaatskaartjes verkopen – om een praatje met hen te maken, en hij was heel vrolijk en aardig.

‘Net of Peter nooit zijn kolenmijn ontdekt had,’ fluisterde Phyllis Bobbie in.

Hij gaf hun elk een sinaasappel en beloofde hun dat hij hen alle drie eens mee zou nemen om het seinhuis te bekijken, zodra hij het eens wat minder druk had.

Er kwamen verscheiden treinen langs, en Peter merkte voor het eerst van zijn leven op dat locomotieven nummers hebben, net als auto’s in de stad.

‘Ja,’ zei de kruier, ‘ik heb een jongeheer gekend die alle nummers van alle machines die hij zag, opschreef; hij had er een mooi, groen leren boekje voor, met zilveren hoekjes, want zie je, zijn vader had een groothandel in schrijfbehoeften enzo.’

Peter dacht bij zichzelf dat hij die nummers ook best kon opschrijven, al was hij niet de zoon van een groothandelaar in schrijfbehoeften. En daar hij niet onmiddellijk een groen leren boekje met zilveren hoekjes bij de hand had, gaf de kruier hem een gele enveloppe en daar schreef hij alvast op:

379
663

overtuigd dat dit het begin was van een hoogst belangrijke verzameling.

‘s Avonds onder de thee vroeg hij zijn moeder of zij niet een groen leren boekje met zilveren hoekjes voor hem had. Moeder bezat er geen, maar toen ze hoorde waar hij het voor gebruiken wilde, gaf ze hem een klein zwart leren.

‘Er zijn wel een paar blaadjes uitgescheurd,’ zei ze, ‘maar er kunnen toch een massa getallen in, en als het vol is, heb ik er misschien nog wel een voor je. Maar loop vooral niet op de spoorbaan.’

‘Ook niet als we met het gezicht naar de trein toe staan?’ vroeg Peter, na een sombere stilte, waarin de kinderen elkaar teleurgesteld aankeken.

‘Nee – helemaal niet,’ zei Moeder. Toen vroeg Phyllis: ‘Moeder liep u nooit op de rails toen u klein was?’

Moeder was een ware, eerlijke moeder en moest dus ‘ja’ antwoorden.

‘Nou, dan -’ begon Phyllis.

‘Maar lievelingen, jullie weet niet hoeveel ik van jullie houd. Wat zou ik beginnen als jullie eens een ongeluk overkwam?’

‘Houdt u dan nog meer van ons dan Oma van u hield, toen u klein was?’ vroeg Phyllis. Bobbie wenkte haar, dat ze niet verder moest gaan, maar Phyllis begreep nooit een wenk, hoe duidelijk die ook mocht zijn. Een ogenblik antwoordde Moeder niet. Ze schonk water in de trekpot.

‘Niemand,’ zei ze eindelijk, ‘kan ooit meer van haar kind houden, dan Grootma van mij hield.’

Toen was ze weer stil, en Bobbie gaf Phyllis een schopje onder de tafel, omdat zij wel begreep waarom Moeders gedachten haar zo stil maakten – de gedachten aan de tijd toen moeder zelf een klein meisje was en het hele geluk uitmaakte van háár moeder. Bobbie kon zich wel voorstellen dat grote-mensen, tóch nog met alles naar hun moeder lopen, ook al zijn ze zelf al tamelijk oud, en het leek haar vreselijk om verdriet te hebben, en geen moeder die je troosten kan.

Daarom gaf ze Phyllis een stootje, maar Phyllis riep: ‘Waarom schop je me toch Bobbie?’

En toen glimlachte Moeder, zuchtte even, en zei: ‘Nu goed dan, als jullie me maar belooft dat je goed oplet van welke kant de treinen komen – en loop niet op de rails bij de tunnel of dicht bij bochten.’

‘Treinen houden ook rechts,’ zei Peter, ‘als wij dus links houden, zien we ze altijd aankomen.’

‘Goed,’ zei moeder weer, en ik wed dat de kinderen die dit lezen vreemd vinden dat ze dit antwoordde. Maar Moeder herinnerde zich de tijd toen ze zelf een klein meisje geweest was en daarom zei ze het. En noch haar eigen kinderen, noch jullie, noch enig ander kind ter wereld kan ooit helemaal begrijpen hoeveel haar dat antwoord kostte. Enkelen van jullie begrijpen er misschien, net als Bobbie, iets van.

De volgende dag moest Moeder te bed blijven omdat ze zo’n hoofdpijn had. Haar handen gloeiden en haar keel was dik en pijnlijk, zodat ze niets gebruiken kon.

‘Als ik u was, mevrouw,’ zei juffrouw Viney, ‘zou ik om de dokter sturen. Er zijn zoveel besmettelijke ziekten op het ogenblik! De oudste van mijn zuster vatte twee jaar geleden ook zo’n erge kou; die sloeg naar binnen, en ze is nooit weer hetzelfde flinke meisje geweest.’

Eerst wilde Moeder er niet van horen, maar ‘s avonds voelde ze zich zoveel erger, dat Peter naar het huis in het dorp werd gestuurd met de drie goudenregens bij het hek, en de koperen plaat, met ‘Dr. W.W. Forrest, Arts’ erop.

Dr. W.W. Forrest, Arts, ging dadelijk mee. Onderweg praatte hij druk met Peter. Het scheen een bijzonder aardige man, die belangstelde in spoorwegen en konijnen en allerlei werkelijk leuke dingen.

Toen hij Moeder gezien had, zei hij dat het griep was.

‘Nu, Juffertje Zwaarhoofd’, zei hij in de gang tegen Bobbie, die erg bedrukt keek, ‘ik veronderstel dat jij erop rekent tot hoofdverpleegster te worden aangesteld.’

‘Natuurlijk dokter,’ zei Bobbie.

‘Goed, dan zal ik je straks de medicijnen laten brengen. Zorg dat de kamer lekker warm blijft en laat bouillon trekken om de patiënt te geven, zodra de koorts weg is. Je mag haar wel die druiven en ook consommé laten eten en melk drinken, en haal een half flesje goede brandewijn in huis, de beste die je krijgen kunt; goedkope brandewijn is erger dan vergif.’

Bobbie vroeg of hij alles wilde opschrijven en dat deed hij.

Toen Bobbie het lijstje aan Moeder liet lezen, begon Moeder te lachen. Het was werkelijk lachen geweest, beweerde Bobbie, al klonk het heel vreemd en mat.

‘Onzin,’ zei Moeder, wier ogen akelig schitterden. ‘Ik kan al die boel niet betalen. Zeg jij maar aan juffrouw Viney dat ze een schapenbout voor morgen bestelt. Dan kunnen jullie het vlees ervan eten, en ik wat soep van het been. Schenk mijn waterglas nog eens vol, kind, en wil je dan eens een kom krijgen en mijn handen wat afsponzen?’

Roberta gehoorzaamde, en toen ze alles gedaan had, wat ze kon om het Moeder een beetje gemakkelijker te maken, ging ze naar beneden naar Peter en Phyllis. Haar wangen gloeiden, haar lippen hield ze stijf op elkaar geklemd en haar ogen schitterden bijna even helder als die van haar moeder.

Ze vertelde hun wat de dokter had gezegd en wat Moeder had gezegd, en toen ze alles verteld had, zei ze: ‘En nu is er niemand anders dan wij die iets voor Moeder kunnen doen en dat zullen we ook doen. Ik heb het geld waar juffrouw Viney vlees voor moet kopen.’

‘We kunnen best zonder vlees,’ zei Peter, ‘een mens kan heel goed van brood leven; schipbreukelingen hebben wel eens een hele tijd van minder geleefd op onbewoonde eilanden.’

‘Natuurlijk,’ zei zijn zusje, en juffrouw Viney werd naar het dorp gestuurd om zoveel brandewijn en spuitwater en soepvlees te halen als ze voor dat geld krijgen kon.

‘Maar al eten wij nu morgen helemaal niet,’ zei Phyllis, ‘dan kun je toch nog niet alles betalen wat de dokter heeft opgenoemd.’

‘Nee,’ zei Bobbie, met een diepe rimpel boven haar neus, ‘we moeten er nog iets op vinden. Laten we alle drie eens heel lang en heel goed denken.’

En ze dachten en dachten en kwamen werkelijk op een idee. Later, toen Bobbie boven bij Moeder zat, voor het geval ze eens naar iets mocht vragen, waren de beide anderen heel druk bezig met scharen en vellen kastpapier en een verfkwastje en een potje zwart lak, dat juffrouw Viney had meegebracht om de kachelplaat in de keuken mee op te knappen. Wat ze tot stand wilden brengen, gelukte hun niet helemaal bij het eerste vel; ze namen er toen nog een uit de linnenkast, zonder er een ogenblik over na te denken, dat ze mooie vellen papier vermorsten, die hun moeder vrij veel geld hadden gekost. Ze waren geheel vervuld van de gedachte, dat ze een goed – maar wàt ze eigenlijk maakten, komt later.

Bobbies bed was op Moeders kamer overgebracht, en ze stond die nacht verscheiden keren op om naar het vuur te kijken en haar moeder te laten drinken. Moeder praatte telkens heel druk, maar Bobbie begreep er weinig van; het scheen niet veel te betekenen te hebben. Eens, midden in de nacht, vloog ze overeind en riep: ‘Mama, Mama!’ en toen begreep Bobbie natuurlijk dat ze om Oma riep, en dat ze vergeten was dat dit niets hielp, omdat Oma dood was.

Vroeg in de ochtend hoorde Bobbie haar naam noemen en sprong ze haar bed uit om naar haar Moeder te vliegen.

‘O, kind – ja, ja, – ik geloof dat ik droomde,’ zei Moeder, wakker wordend. ‘Arme meid, wat zul je moe zijn – o, als ik jullie maar niet zoveel moeite hoefde te geven!’

‘Moeite!’ zei Bobbie.

‘O, schrei niet, lieveling,’ zei Moeder; ‘over een paar dagen ben ik weer kant en klaar.’

En Bobbie zei ‘Ja’ en probeerde te glimlachen.

Als je gewend bent tien uur rustig, aan één stuk door te slapen, heb je – wanneer je er ‘s nachts vier of vijfmaal bent uit geweest – een gevoel alsof je de gehele nacht gewaakt hebt. Bobbie had zo’n raar, suf gevoel en zulke strakke, pijnlijke ogen, dat haar alles te veel was, maar ze verzette zich ertegen en maakte de kamer op orde eer de dokter kwam.

Dat was om half negen.

‘Zo verpleegstertje, alles goed gegaan?’ vroeg hij bij de voordeur. ‘Heb je brandewijn gekregen?’

‘Ja,’ zei Bobbie, ‘een klein beetje in een plat flesje.’

‘Maar ik heb geen druiven en geen consommé gezien,’ zei hij.

‘Nee,’ zei Bobbie, ‘ik zal zorgen dat het er morgen is; het vlees voor de bouillon staat in de oven te trekken.’

‘In de oven? Wie heeft je dat gezegd?’

‘O, ik heb wel eens gezien dat Moeder het zo deed, toen Phil de bof had.’

‘Best,’ zei de dokter met een goedkeurend knikje. ‘En nu gaat de oude juffrouw bij je moeder zitten en jij, dadelijk als je ontbeten hebt, naar bed. Slapen tot etenstijd, hoor! Onze hoofdverpleegster mag niet ziek worden. Die kunnen we niet missen!’

Het was wezenlijk een erg aardige dokter. Toen de trein van 9.15 die morgen uit de tunnel kwam, legde de oude heer in de eersteklascoupé zijn krant even neer, om als altijd de drie kinderen op het rasterwerk toe te wuiven, maar die morgen was er maar één, en wel Peter.

Peter zat ook niet op het hek zoals anders; hij stond ervoor, op de manier als een spullenman die de dieren of andere bezienswaardigheden van zijn tent aanwijst, of van een vriendelijke dominee die met een stok in de hand uitleg geeft van Bijbelse lichtbeelden.

Peter wees ook iets aan: een groot vel wit papier dat tegen het hek gespijkerd scheen. Op het papier stonden dikke, zwarte letters, meer dan een voet hoog. Enkelen waren een beetje uitgelopen, omdat Phyllis er het lak wat al te gul had opgesmeerd, maar de woorden waren toch heel duidelijk te lezen.

En de oude heer en verscheiden andere reizigers die de dikke letters opmerkten, lazen in het voorbijgaan:

KIJK UIT AAN HET STATION

Heel veel mensen keken dan ook uit aan het station en waren erg teleurgesteld toen ze er niets ongewoons zagen.

De oude heer keek ook uit en zag eerst ook niets anders dan het met grint bestrooide perronnetje, en de muurbloemen en vergeet-mij-nieten in de perkjes daarop aangelegd. En de trein begon zich al, puffend en blazend, in beweging te zetten, toen hij Phyllis in het oog kreeg die buiten adem kwam aangehold.

‘O,’ hijgde ze, ‘ik – dacht – dat ik al – te laat was. Mijn veters waren losgegaan – en toen ben ik tweemaal gevallen. Hier – dit moest u meenemen.’

Terwijl de trein al voortgleed, duwde ze hem een smoezelig, warm briefje in de hand.

In zijn hoekje geleund, opende hij het document en las:

‘Lieve meneer. Wij weten niet hoe u heet.
Moeder is ziek en de dokter zegt dat we haar al de dingen moeten geven die hierachter opgeschreven staan, maar Moeder kan het niet allemaal betalen en ze wil dat wij het vlees opeten en Moeder het nat van de benen. We kennen hier niemand anders dan u want Vader is weg en we weten zijn adres niet. Later zal Vader u wel alles terugbetalen en als hij al zijn geld verloren heeft, zal Peter ervoor opsparen als hij groot is. We beloven dit op ons woord van eer.
Peter.’

‘Wilt u het pakje maar aan de Stationschef geven omdat we niet weten met welke trein u terugkomt. Zeg maar dat het voor Peter was die zo’n spijt had van de steenkool; dan weet hij wel wie u bedoelt.’
Roberta.
Phyllis.
Peter.

Daarachter volgde de lijst van artikelen die de dokter had voorgeschreven.

De oude heer las de hele opsomming en trok zijn wenkbrauwen hoog op. Toen las hij de brief nog eens over en glimlachte; toen hij hem driemaal doorgelezen had, stak hij hem in zijn zak en vatte zijn ochtendblad weer op. Omstreeks zes uur die avond werd er aan de achterdeur geklopt. De drie kinderen vlogen erheen om open te doen, en daar stond de vriendelijke kruier die hun zoveel interessante dingen omtrent treinen verteld had. Met een bons zette hij een grote mand op de stenen keukenvloer neer.

‘Van een ouwe heer,’ zei hij. ‘Hij vroeg me dit onmiddellijk te bezorgen.’

‘Dank je vriendelijk,’ zei Peter en liet erop volgen, toen de kruier even draalde: ‘‘t Spijt me dat ik niets in mijn zak heb om je wat te geven zoals Vader, maar -’

‘Zwijg daar alsjeblieft over, jongeheer,’ zei de kruier verontwaardigd. ‘Ik dacht niet aan een fooitje. Ik wilde alleen maar even zeggen dat het mij zo speet dat uw Ma niet goed in orde was en vragen hoe het nu met haar is. Ik heb een paar takjes egelantier voor haar meegebracht, dat ruikt zo lekker,’ en hij haalde een bosje egelantier uit zijn pet tevoorschijn, ‘net als een goochelaar,’ zoals Phyllis later opmerkte.

‘Dank je wel,’ zei Peter, ‘en neem me niet kwalijk van dat fooitje.’

‘Volstrekt niet,’ zei de kruier, meer beleefd dan waar, en hij verdween.

Toen maakten de kinderen de mand open. Eerst kwam er wat stro uit, toen een heleboel fijn zaagsel en toen al die dingen waarom ze gevraagd hadden – een hele voorraad ervan – en toen nog heel wat dingen waarom ze niet gevraagd hadden: o.a. perziken en portwijn en twee jonge haantjes en een kartonnen doos met prachtige rozen op lange stelen en drie flesjes eau de cologne en een doos ingelegde vruchten. Er zat ook een brief tussen.

‘Beste Roberta en Phyllis en Peter’ stond er boven.
‘Hier is alles waar jullie om gevraagd hebt. Je moeder zal stellig willen weten van wie het komt; vertel haar dan dat een vriend het gestuurd heeft die wist dat ze ziek was. Als Moeder weer beter is, moet je haar natuurlijk alles vertellen, en als ze vindt dat je er niet om had mogen vragen, zeg haar dan dat ik jullie groot gelijk geef en hoop dat ze mij de vrijpostigheid zal vergeven, waarmee ik mij dit genoegen verschafte.’
De brief was ondertekend G.P. en dan een naam die de kinderen niet konden lezen.

‘Het is tóch maar goed dat we het gedaan hebben,’ zei Phyllis.

‘Natuurlijk,’ zei Bobbie.

‘Heel goed,’ zei Peter, met zijn handen in zijn zakken, ‘maar ik vind het toch alles behalve een pretje, Moeder later die hele geschiedenis te vertellen.’

‘We hoeven het niet te doen voor ze beter is,’ zei Bobbie, en als ze beter is, zijn we allemaal zo blij, dat we niets om zo’n beetje vervelendheid geven. O, kijk toch eens wat een prachtrozen! Ik moet ze gauw naar boven brengen.’

‘En de egelantier, zeg!’ riep Phyllis, de geur hoorbaar opsnuivend, ‘vergeet niet de egelantier mee te nemen.’

‘Nee, hoor!’ zei Roberta. ‘Moeder heeft me juist nog pas geleden verteld dat er een dikke heg van stond om Grootma’s tuin heen, toen Moeder een klein meisje was.’


Hoofdstuk 4: De treinrover

Wat er van het tweede vel kastpapier en van het zwarte lak was overgebleven, kwam heel goed te pas voor een banier met het opschrift:

MOEDER IS BIJNA BETER, DANK U WEL.

en dit werd voor de ‘Groene Draak’ opgehouden, ongeveer veertien dagen nadat de heerlijke mand gekomen was. De oude heer zag het papier en wuifde verheugd terug. En toen de trein goed en wel voorbij was, overlegden de kinderen dat het nu tijd werd hun moeder te vertellen, wat ze tijdens haar ziekte gedaan hadden. En dat was toch niet zo gemakkelijk als ze het zich hadden voorgesteld. Maar het moest gebeuren; en het gebeurde ook. Moeder was erg boos. Ze werd heel zelden boos en nu was ze bozer dan de kinderen haar nog ooit gezien hadden. Het was vreselijk. Maar het werd nog veel erger, toen ze opeens begon te schreien. Schreien is geloof ik besmettelijk, net als mazelen en kinkhoest. Het duurde tenminste niet lang of de hele familie schreide.

Moeder hield het eerst op. Ze droogde haar tranen en zei: ‘Het spijt me dat ik zo kwaad ben geworden, kinderen, want ik weet wel dat jullie niet begrepen, waarom het mij hinderde.’

‘We hadden helemaal niet gedacht dat het iets ondeugends was,’ snikte Bobbie, en Peter en Phyllis snuften.

‘Luister nu eens goed, alle drie,’ zei Moeder. ‘Het is volkomen waar dat we arm zijn, maar we hebben toch genoeg om van te leven. Jullie moet niet aan iedereen gaan rondvertellen dat we nergens geld voor hebben, en jullie mogen nooit, nooit aan vreemde mensen vragen ons dingen cadeau te doen. Dat zullen jullie nu voortaan goed onthouden, is het niet?’

Ze omhelsden haar alle drie, drukten hun betraande wangen tegen haar gezicht en beloofden dat ze eraan denken zouden.

‘En ik zal een brief aan jullie “oude meneer” schrijven en hem vertellen dat ik het niets goed vond – o, ja, natuurlijk, ik zal hem ook bedanken voor zijn vriendelijkheid. Ik kan jullie gedrag niet goedkeuren, lievelingen, wèl dat van de oude heer. Het was echt goedhartig van hem mij dat allemaal te zenden. Jullie kunt de brief dan aan de Stationschef brengen, met verzoek die aan de oude heer te geven – en dan zullen we verder niet over deze zaak spreken.’

Later, toen de kinderen alleen waren, zei Bobbie: ‘Wat ontzettend aardig van Moeder, hè? Welk ander grootmens zou bekennen dat het spijt had gehad dat het boos was geworden.’

‘Ja,’ bevestigde Peter, ‘Moeder is een kraan, maar je zou haast bang worden als ze werkelijk goed boos is.’

‘Ik durfde Moeder niet goed aan te kijken,’ zei Phyllis, ‘maar eigenlijk vind ik Moeder zo mooi als ze echt woedend is.’

‘s Middags brachten ze de brief naar de Stationschef.

‘Ik dacht dat jullie hier nergens vrienden hadden; alleen in Londen,’ zei hij verwonderd.

‘Ja, maar deze hebben we hier gekregen.’

‘Maar hij woont toch niet hier in het dorp?’

‘Nee, – we kennen hem ook alleen van uit de trein.’

Toen trok de Chef zich weer in dat geheimzinnige heiligdom achter het plaatsbureautje terug en gingen de kinderen naar de kamer van de kruier om over hun vriend te praten. Ze hoorden weer allerlei bijzonderheden van hem, dat hij getrouwd was en drie kinderen had; dat de treinlantaarns onderscheiden worden in voor- en achterlichten en meer belangrijks.

Op die middag leerden de kinderen meteen zien dat alle locomotieven niet hetzelfde zijn.

‘Allemaal hetzelfde?’ zei de kruier, wiens naam Perks was. ‘Het lijkt er niet naar, jongejuffrouw. Ze zijn net zo verschillend als u en ik, bij manier van spreken. Dat kleintje zonder kolenwagen, dat hier daarnet alleen voorbijging, was een tenderlocomotief; die hebben het water en de kolen zelf bij zich, ziet u. Het is gaan rangeren aan de andere kant van Maidbridge. Bij die kleine machine zou ik u nou kunnen vergelijken, jongejuffrouw. Dan hebben we nog goederentreinlocomotieven, grote, sterke machines met drie onderling gekoppelde wielen aan elke kant; zo zou ik er een kunnen zijn, zal ik maar eens zeggen. En dan hebben we nog sneltreinlocomotieven, dat kan de jongeheer misschien mettertijd worden, als hij wat ouder is en in de wedstrijden op zijn school wint. Zo’n sneltreinmachine is op kracht en op snelheid gebouwd. De 9.15 heeft er zo een.’

‘De Groene Draak’, verbeterde Phyllis.

‘Wij noemen hem hier aan het station “de Slak”, jongejuffrouw,’ zei de kruier. ‘Er is op de hele lijn misschien geen trein die zo dikwijls te laat komt.’

‘Maar de locomotief is toch groen,’ zei Phyllis.

‘Ja, jongejuffrouw,’ erkende Perks, ‘maar dat is een slak ook sommige tijden van het jaar.’

Toen de kinderen naar huis gingen om te eten, waren ze het erover eens dat de kruier een allerleukste man was.

De volgende dag was het Roberta’s verjaardag. ‘s Middags werd ze vriendelijk verzocht niet in de eetkamer te komen, eer het tijd was voor de middagthee.

‘Je mag niet zien wat we maken,’ zei Phyllis; ‘‘t is een grote verrassing.’

En Roberta liep alleen de tuin in. Ze deed haar best heel dankbaar te zijn, maar ze had een gevoel alsof ze veel liever zou hebben meegeholpen de verrassing klaar te maken, dan haar verjaarmiddag in haar eentje door te brengen, hoe prachtig die verrassing dan misschien ook zijn mocht.

Terwijl ze daar zo eenzaam ronddoolde, kwamen haar allerlei dingen te binnen en een van de dingen waar ze het allereerst aan denken moest, was aan Moeders angstig gezicht ‘s nachts, toen haar handen zo brandden en haar ogen zo vreemd glommen: ‘O, wat zullen we een grote doktersrekening krijgen!’

Aldoor liep Bobbie maar in de tuin rond, tussen de rozenstruiken waar nog geen rozen, enkel maar knoppen aan zaten, de seringen en de jasmijnbosjes, en hoe meer ze aan die doktersrekening dacht, hoe angstiger haar die maakte.

Eindelijk nam ze een dapper besluit; ze ging de zijdeur van de tuin uit en klom het steile pad op, tot waar het eindigde in de grote weg langs het kanaal. Haastig stapte ze door, maar op de brug die over het kanaal naar het dorp voerde, bleef ze even staan. Het was zo lekker je armen op de door de zon verwarmde stenen van de brug te laten rusten en zo in het blauwe water te turen. Bobbie had nooit vroeger een kanaal gezien, behalve een in Londen dat alles behalve helder was, en ze had ook nog nooit een andere rivier gezien dan de Theems, die er zeker ook bij winnen zou als zijn gezicht eens kon gewassen worden.

De kinderen vonden het kanaal dan ook iets heerlijks, maar er bestonden twee redenen waarom ze nog meer van de spoorbaan hielden.

De eerste was dat ze de spoorbaan het eerst hadden ontdekt – op die zonnige morgen, toen het huis en het veld en de grote heuvels en de rotsen nog allemaal nieuw voor hen waren. De tweede reden was dat iedereen die met de treinen in verband stond, vriendelijk tegen hen geweest was – de Stationschef, de kruier en de oude heer -, en de mensen op het kanaal waren juist alles behalve vriendelijk.

De mensen op het kanaal waren natuurlijk de schippers die de schuiten langzaam voortboomden, of naast de oude paarden liepen die, terwijl ze gaten en kuilen in het modderige jaagpad trapten, de schuiten aan lange touwen voorttrokken.

Peter had eens aan een van die schippers gevraagd hoe laat het was en ten antwoord gekregen: ‘Uit de weg, vooruit, gauw wat!’ op een toon zó nurks, dat hij het niet eens durfde wagen te antwoorden dat hij evenveel recht had op het voetpad te lopen als de schuitevoerder zelf. Hij dacht er zelfs niet aan, eer het al veel te laat was.

Op een andere keer, toen de kinderen eens in het kanaal wilden gaan vissen, was er een grote jongen op een van de schuiten die met stukken steenkool op hen mikte, en één stuk raakte Phyllis net achter in haar hals, toen ze gebukt stond om haar veter vast te strikken. Het deed wel geen erge pijn, maar de aardigheid was toch van het vissen af.

Op de brug voelde Roberta zich evenwel volkomen veilig; ze kon er rustig uit de hoogte op het kanaal neerzien, en als een schippersjongen maar door één enkele beweging toonde dat hij erover dacht haar te gooien, kon ze onmiddellijk achter de borstwering duiken.

Opeens hoorde ze het geluid van wielen, iets waar ze juist op gehoopt had.

Het waren de wielen van het dokterskarretje en in het karretje zat natuurlijk de dokter.

Hij hield zijn paard in en riep haar toe: ‘Goeiemiddag, hoofdverpleegster. Rijd je een eindje mee?’

‘Graag,’ zei Bobbie, ‘want ik wilde u iets vragen.’

‘Geen narigheid thuis? Moeder toch goed, hoop ik?’ vroeg de dokter.

‘O, ja – maar -’

‘Komaan, spring er dan gauw in, dan maken we samen een ritje.’

Roberta klom naast de dokter, en het schonkige, bruine paard moest keren, waar het niets geen lust in had, want het verlangde erg naar zijn boterham – ik meen naar zijn haver.

‘Wat heerlijk gaat dat!’ riep Bobbie, terwijl het lichte karretje over de gladde weg vloog.

‘Kijk eens, we zouden wel een steen boven op jullie schoorstenen kunnen gooien,’ zei de dokter toen ze ‘Spoorzicht’ voorbijreden.

‘Ja,’ zei Bobbie, ‘maar dan moest u toch wel heel goed kunnen mikken.’

‘Denk je soms dat ik dat niet kan?’ vroeg de dokter. ‘Maar, kom, wat was er voor narigheid?’

Bobbie plukte een beetje aan het zeil dat ze over haar schoot had.

‘Kom, voor de dag ermee!’ zei de dokter.

‘‘t Is zo moeilijk ermee voor de dag te komen, ziet u,’ begon Bobbie; ‘juist omdat Moeder ons gisteren nog verboden heeft….’

‘Wát heeft Moeder jullie verboden?’

‘Om aan iedereen te vertellen dat we arm zijn. Maar u is niet iedereen vindt u wel?’

‘Bij lange na niet, beste kind!’ zei de dokter vrolijk. ‘Verder?’

‘Ja, ziet u, ik weet wel dat dokters vreselijk veel kosten, ik meen heel veel rekenen, en juffrouw Viney vertelde me laatst dat zij maar een dubbeltje in de week betaalde en dan vrij dokter en medicijnen had als ze ziek werd; maar ze zat in een Bus, zei ze.’

‘Ja?’

‘Dat kwam omdat ze me vertelde dat u zo’n beste dokter was en omdat ik haar toen vroeg hoe ze u betalen kon, want zij is nog véél armer dan wij. Dat weet ik omdat ik wel eens in haar huisje geweest ben. Toen vertelde ze me van die Bus, en toen dacht ik dat ik het u eens vragen moest want – want – o, ik wilde zo gráág dat Moeder er niet over tobde! Kunnen wij ook niet in de Bus, net als juffrouw Viney?’

De dokter zweeg. Hij bezat zelf al heel weinig in de wereld en was blij geweest dat hij er een nieuwe familie bij kreeg. Er gingen hem dus allerlei tegenstrijdige gedachten door het hoofd.

‘U is toch niet boos op me?’ vroeg Bobbie met een benauwde stem.

Dr. Forrest schudde zich wakker uit zijn gepeins.

‘Boos? Hoe zou ik boos kunnen zijn? Je bent een verstandige, kleine meid. Maar luister eens: maak jij je nu maar nergens ongerust over, hoor! Ik zal alles wel goed met je moeder schikken, al moest ik ook een speciale, geheel nieuwe vereniging voor haar alleen stichten. Kijk eens, hier begint het aquaduct.’

‘Wat is een aqua – hoe heet het?’ vroeg Bobbie.

‘Een waterbrug,’ zei de dokter. ‘Kijk maar.’

De weg liep op tot een brug over de vallei. Links was een steile rots met bomen en struiken begroeid die uit de spleten tevoorschijn kwamen, en het kanaal liep hier over een grote brug met mooie bogen die de ene kant van de vallei met de andere verbonden.

Bobbie haalde diep adem.

‘Wat een prachtig gezicht!’ riep ze. ‘Net zoals je wel eens ziet op een plaatje uit de Romeinse geschiedenis.’

‘Juist!’ zei de dokter. ‘Je hebt de spijker op de kop geslagen. Zo is het ook! De Romeinen waren verzot op die waterleidingen of waterbruggen. Het is een prachtig stukje ingenieurswerk.’

‘Ik dacht dat ingenieurs machines maakten,’ zei Bobbie verwonderd.

‘Ja, maar er zijn verschillende soorten van ingenieurs – sommige maken wegen en bruggen en tunnels, andere machines. Maar nu moeten we terugkeren. En denk er nu om dat je niet weer tobt over doktersrekeningen, verpleegster, anders zul je zelf nog ziek worden en dan schrijf ik je vast en zeker een rekening die zo lang is als de waterbrug.’

Toen Bobbie afscheid van de dokter had genomen bij het paadje dat, van de rijweg af, recht naar beneden naar ‘Spoorzicht’ liep, kon ze niet inzien dat ze iets verkeerds had gedaan. Moeder zou er misschien wel weer anders over denken, maar Bobbie was overtuigd dat zij nu toch stellig gelijk had, en ze klauterde langs de rotsige helling naar beneden met een heerlijk gevoel iets goeds tot stand te hebben gebracht.

Bij de achterdeur kwamen Phyllis en Peter haar al tegemoet. Ze zagen er buitengewoon netjes en fris uit en Phyllis had een rode strik in het haar. Bobbie had nauwelijks de tijd zichzelf wat op te knappen en een blauw lint in haar haar te doen, of er luidde een belletje.

‘Hoor!’ zei Phyllis, ‘dat betekent dat de verrassing klaar is. Nu moet je wachten tot de bel weer gaat en dán mag je pas in de eetkamer komen.

Bobbie wachtte dus vol ongeduld.

‘Tingeling, tingelingelingeling,’ klonk het even later, en Bobbie ging, wel een beetje schuchter, de eetkamer binnen. Aan het eind van de tafel stonden Moeder, Phyllis en Peter op een rijtje. Zodra ze de deur opendeed, kwam ze als het ware in een wereld van licht en bloemen en blij gezang. De luiken waren gesloten en op de tafel stonden twaalf kaarsen, voor elk jaar van Roberta één. Er was een soort van bloemenpatroon op de tafel aangebracht en voor Roberta’s plaats lagen een dikke krans van vergeet-mij-nietjes en allerlei veelbelovende pakjes. En Moeder en Phyllis en Peter zongen een liedje waarvan Moeder zelf de woorden gemaakt had. – Bobbie wist het zeker. Dat deed Moeder altijd met verjaardagen. Het was al op Bobbies vierde verjaardag begonnen, toen Phyllis nog heel klein was. De woorden van het liedje dat ze nu zongen waren:

‘Onze lieve Roberta
Wensen wij een lang leven.
Geen verdriet moog haar treffen,
Veel geluk zal het haar geven;
Haar verjaardag te vieren
Zijn wij hier bij elkaar,
Met cadeaus beladen
Staat de leestafel klaar.
Heldere zonneschijn brenge
Haar steeds iedre dag,
Dat veel liefde en voorspoed
Haar deel wezen mag!’

Toen het versje uit was riepen ze ‘Hoera, voor Bobbie!’ en toen zongen ze nog ‘Lang zal ze leven!’ zo hard ze maar konden.

Bobbie kreeg net een gevoel of ze moest gaan huilen – jullie kent dat rare gevoel wel boven in je neus en dat geprikkel in je oogleden? – maar eer ze tijd had te beginnen, kusten en pakten ze haar alle drie.

‘Zo,’ zei Moeder, ‘nu moet je je cadeaus eens bekijken.’

Het waren ‘echt gezellige’ cadeaus, vond Bobbie. Een groen met rood naaldenboekje dat Phyllis stilletjes gemaakt had; een ‘schattig’ zilver speldje van Moeder in de vorm van een boterbloempje, en al jarenlang vurig door Bobbie bewonderd, maar iets waarom ze nooit voor zichzelf zou hebben durven vragen. Verder een paar blauw glazen vaasjes van juffrouw Viney, waarna Bobbie voor het raam van de dorpswinkel telkens begerig had gekeken en nog drie mooie kaartjes met aardige plaatjes en gelukwensen.

Toen zette moeder het kransje van vergeet-mij-nietjes op Bobbies donker hoofd en zei: ‘En kijk nu nog eens naar de tafel.’

Bobbie zag een grote, witgeglaceerde taart, met ‘Lieve Bobbie’ erop in rose suikertjes, en verder een schaaltje met lekkere broodjes en een met jam; maar het mooist van alles was nog de tafel zelf, helemaal bedekt met bloemen; om het theeblad lag een rand van muurbloemen en om elk bordje een van vergeet-mij-nietjes. De taart had een krans van witte seringen en midden op tafel was een grote bloem-versiering, het leek wel een patroon van iets: allemaal met enkele bloesempjes van seringen en goudenregen en muurbloemen.

‘Wat is dat?’ vroeg Roberta.

‘Een kaart – een kaart van de spoorbaan!’ riep Peter. ‘Kijk maar – die seringenstreepjes zijn de rails – en dat is het station, van donkere muurbloemen. De trein is van goudenregen en dit zijn de seinhuizen en de weg ernaartoe. En die drie dikke madelieven zijn wij; we wuiven de oude heer toe – kijk daar zit hij – die viool in de goudenregen-trein.’

‘En daar ligt “Spoorzicht”, helemaal van paarse primula’s,’ zei Phyllis, ‘en dat heel kleine rozenknopje is Moeder die naar ons uitkijkt als we te laat thuiskomen. Peter heeft het allemaal bedacht en we hebben een massa bloemen van het station gekregen; we dachten dat je dat wel aardig zoudt vinden.’

‘Dit is mijn cadeau,’ zei Peter, plotseling zijn geliefd locomotiefje voor Bobbie op tafel zettend. Het kolenwagentje was met schoon wit papier gevoerd en gevuld met lekkers.

‘O, Peter!’ riep Bobbie uit, bijna aangedaan over zoveel grootmoedigheid. ‘Nee – toch niet je eigen locomotiefje, waar je zoveel van houdt?’

‘O, nee,’ bekende Peter onmiddellijk, ‘niet mijn loco, alleen de suikertjes.’

Bobbie kon niet helpen dat haar gezicht even iets minder blij stond – niet zozeer omdat ze het locomotiefje graag had willen hebben, maar omdat ze het eerst zo buitengewoon aardig van Peter had gevonden dat hij het haar afstond, en ze nu voelde hoe dwaas het geweest was dat een ogenblik te denken. Het leek ook zo begerig dat ze èn het locomotiefje èn het lekkers had verwacht! Haar gezicht betrok dus. Peter zag het; hij aarzelde even, toen veranderde zijn gezicht ook en zei hij: ‘Tenminste, ik meen niet de hele loco. Je mag hem half hebben, als je wilt. Dan is hij van ons samen.’

‘Dát is aardig van je!’ riep Bobbie, ‘‘t is een prachtig cadeau.’ Verder zei ze niets, maar bij zichzelf dacht ze: ‘Ontzettend leuk van Peter, want ik merkte best dat hij het niet van plan was geweest. Ik neem voor mij de kapotte helft van de loco; en zal zien dat ik die weer gemaakt krijg; dan geef ik hem Peter terug op zijn verjaardag. – Ja, Moes, mag ik zelf de taart snijden?’ liet ze er verlangend op volgen, en toen begon het feestmaal.

Het was een allerheerlijkste verjaardag. Na de thee deed Moeder allerlei spelletjes met hen. Eerst kozen ze blindemannetje, waarbij Bobbies vergeet-mij-nietenkrans helemaal scheef over haar ene oor zakte en daar hangen bleef. En op het laatst, toen het bijna bedtijd was en ze dus wat moesten bedaren, had Moeder een mooi, nieuw verhaaltje om hen voor te lezen.

‘U blijft toch niet laat op om te werken, hè Moes?’ vroeg Bobbie, toen de kinderen goedenacht zeiden.

En Moeder antwoordde: ‘Nee, ik zal niet lang opblijven – alleen maar een brief aan Vader schrijven; dan ga ik ook naar bed.’

Maar toen Bobbie na een uurtje voorzichtig naar beneden sloop om haar cadeaus te halen – want ze kon er onmogelijk een hele nacht van gescheiden zijn, zat Moeder niet te schrijven, maar met het hoofd op haar armen en haar armen op tafel zacht te schreien. Het was goed van Bobbie dat ze maar gauw weer wegsloop, zichzelf voorhoudend: ‘Als Moeder niet wil dat wij haar bedroefd zien, zál ik het ook niet zien!’ Maar het maakte een treurig einde aan de verjaardag.

Dadelijk de volgende morgen begon Bobbie uit te zien naar een gelegenheid om Peters machientje te laten repareren en die gelegenheid deed zich ‘s middags al voor.

Moeder moest naar de stad om een paar dringende boodschappen te doen. Als ze daar kwam, ging ze ook altijd naar het postkantoor. Misschien wel om de brieven aan Vader in de bus te doen, want die liet ze nooit door de kinderen of door juffrouw Viney wegbrengen en ze ging ook nooit zelf naar het dorp. De kinderen mochten mee. Bobbie had de hele morgen al gedacht hoe ze toch een excuus zou vinden om niet mee te hoeven, maar hoe ze ook dacht en dacht, ze kon maar niets vinden. En juist toen ze al overtuigd was dat haar plannetje mislukken zou, bleef haar jurk aan een spijker bij de keukendeur hangen en kwam er een grote winkelhaak door in haar rok. Het was heus een ongeluk, hoor! Het speet de anderen erg voor haar, maar ze moesten zonder haar weggaan, want er was onmogelijk tijd meer te wachten tot ze zich verkleed had; ze waren toch al laat en moesten zich haasten om de trein nog te halen.

Toen ze weg waren, trok Bobbie haar daagse jurk aan en liep de heuvel af naar het spoor. Ze ging het station niet binnen, maar volgde de lijn tot aan het eind van het perron, waar de locomotief altijd staat wanneer de trein naar het Zuiden voor het station wacht – de plaats waar een waterreservoir is met zo’n lange, slappe leren slang eraan, net een olifantensnuit.

Bobbie verschool zich achter een bosje aan de andere kant van de spoorbaan; ze had het locomotiefje in een bruin papier onder haar arm en wachtte geduldig. Toen nu de trein van het Zuiden binnenliep en stopte, stak ze de rails over en bleef naast de machine, die water innam, staan. Nog nooit had ze een locomotief zo van nabij gezien. De machine leek veel kolossaler en veel harder dan ze gedacht had en ze voelde zich opeens zo benauwend klein, zo teer en zo week – alsof ze heel gemakkelijk door dat grote ding zou kunnen verpletterd worden.

‘Nu weet ik precies hoe een gevoel een rups hebben moet,’ dacht Bobbie.

De machinist en de stoker zagen haar niet. Ze hingen aan de stationskant buiten boord en deden de kruier een lang verhaal van een hond die een schapenbout gestolen had.

‘Goeiemiddag; zou u alstublieft – -’ begon Roberta, maar de machine blies juist stoom af en niemand hoorde haar.

‘Machinist, zou u alstublieft – -’ ze zette haar stem uit, maar de machine zette haar stem toevallig ook juist uit, en daar kon Roberta’s zwak stemmetje natuurlijk niet tegenop.

Het enige middel om gehoor te krijgen zou wel zijn, dat ze op de locomotief klom en hen aan hun buizen trok. Het was een hele stap, maar ze kreeg haar knie op de tree en klauterde toen onder de kap; struikelend kwam ze op handen en knieën bij een hoop kolen neer die voor de vierkante opening van de tender lag. Juist toen Roberta viel, zette de machinist, die zich had omgekeerd, zonder haar te zien, de locomotief aan, en toen Bobbie weer overeind stond, ging de trein al – wel niet hard, maar toch veel te hard voor haar om er nog af te kunnen komen.

Allerlei vreselijke gedachten vlogen haar opeens door het hoofd. Sommige sneltreinen gingen wel eens honderden en honderden mijlen voort, zonder op te houden. Als dit er eens zo een was? Hoe zou ze weer thuiskomen, want geld voor de terugreis had ze niet! ‘En ik heb hier niets te maken. Ik ben geloof ik wat ze noemen, een treinrover – misschien kunnen zij mij ervoor gevangen nemen.’

De trein ging steeds harder en harder.

Iets in haar keel maakte haar het spreken onmogelijk. Ze probeerde het tweemaal. De mannen stonden met hun ruggen naar haar toe en deden iets aan dingen die er als kranen uitzagen.

Opeens stak ze stoutmoedig haar hand uit en pakte ze de mouw die het dichtst bij haar was. De man keek verschrikt om, en een ogenblik zagen hij en Roberta elkaar sprakeloos aan. Toen begonnen hij en zijn makker tegelijk te spreken.

De eerste man zei: ‘Wel heb ik ooit! Wat zal me dat geven?’ en Roberta barstte in tranen uit. En de andere man zei: ‘‘k Laat me hangen, als ik dáár iets van begrijp!’ – of iets dergelijks, maar hoe verbaasd ze ook keken, bepaald onvriendelijk waren ze niet.

‘Je bent een ondeugende meid – dat ben je,’ begon de stoker opnieuw, en de machinist liet erop volgen: ‘Een brutale rakker, mag je wel zeggen,’ maar ze lieten haar op een klein bankje onder de kap zitten en zeiden: ‘Veeg nou je tranen maar gauw af, en vertel ons liever eens hoe je hier komt – gauw maar wat!’

Bobbie hield haar tranen in, zo goed en zo kwaad als dat ging. De gedachte hielp haar dat Peter de puntjes van zijn oren zou gegeven hebben als hij eens op een locomotief had gezeten, een echte locomotief die ging. Dikwijls hadden de kinderen met elkaar besproken of er wel een machinist zou bestaan, die wel eens iemand op zijn machine wilde laten meerijden, – en daar zat ze nu! Ze droogde haar tranen, maar snikte nog zachtjes.

‘Kom nou,’ zei de stoker, ‘voor de dag ermee! Hoe ben je hier gekomen? Wat betekent dat, hè?’

‘O, ik – ik, och, toe,’ stamelde Bobbie en hield verschrikt op.

‘Vooruit, probeer het nog maar eens!’ zei de machinist bemoedigend.

Bobbie probeerde het opnieuw.

‘Ik had jullie al een paar maal geroepen, toen ik op de rails stond, maar je hoorde mij niet – en daarom klom ik er eindelijk maar op om je aan te stoten – ik wilde het heel zachtjes doen – maar toen viel ik over de kolen – en toen ging de trein. O, wees alsjeblieft niet boos op me – och toe, alsjeblieft niet!’ Ze barstte opnieuw in snikken uit.

‘We zijn feitelijk niet zo boos,’ zei de machinist, ‘maar wel verwonderd. Het gebeurt ons niet alle dagen, dat een klein meisje zo maar uit de lucht in onze kolenwagen komt vallen, wel, Bill? Maar hoe haalde je het in je hoofd?’

‘Ja, dat is het hem juist,’ bevestigde de machinist; ‘hoe haalde ze het in der hoofd?’

Bobbies tranen begonnen alweer te vloeien, maar de machinist klopte haar goedhartig op de rug en zei: ‘Kom nou, niet meer schreien, ouwe jongen; ik wed dat je geen kwaad in het schild voerde, hè?’

‘Ik wilde,’ begon Bobbie, heel wat bemoedigd door dat welgemeende ‘ouwe jongen’ van de machinist – ‘ik wilde je alleen maar vragen of je dit wel zou willen maken.’ Ze raapte het bruine pakje dat nog op de kolen lag op, en maakte het touwtje met warme, bevende vingers los.

Aan haar voeten en handen voelde ze de hitte van het vuur, maar langs haar schouders de koude van de snelverplaatste lucht. De machine schudde, zwaaide en ratelde dat Bobbie er angstig van werd, en toen ze onder een brug doorschoten, kreeg ze een wonderlijk suizend gevoel in haar oren.

De stoker schepte nog wat kolen op het vuur en Bobbie haalde Peters locomotiefje uit het pakje tevoorschijn.

‘Ik dacht dat je dit misschien wel maken kon,’ zei ze ernstig, ‘omdat je verstand van machines hebt.’

De machinist zei: ‘Heb ik ooit van mijn leven!’ en de stoker riep lachend: ‘Daar ben je bij, Bill!’

Maar Bill had het kleine machinetje in zijn handen genomen en bekeek het van alle kanten, terwijl de stoker, zijn schop in de kolen stekend, ook kwam kijken.

‘Jij bent een brutaal ding, hoor,’ zei de machinist; ‘wie heeft jou wijsgemaakt dat wij tijd hadden om zulke lorren te repareren?’

‘Ik bedoelde er toch niets brutaals mee,’ zei Bobbie; ‘maar iedereen die wat met de spoor te maken heeft, is altijd zo aardig en vriendelijk voor ons geweest, en daarom dacht ik dat je het wel zoudt willen doen. Je wilt het ook wel – is het niet?’ voegde ze erachter, want ze had gezien dat de twee elkaar even een knipoogje gaven.

‘Mijn werk is machines te rijden, niet ze te maken, en tenminste niet zo’n ongelukkig ding als dit is,’ zei Bill.

‘En hoe krijgen we je weer terug naar je bedroefde bloedverwanten, en zal alles dan weer vergeven en vergeten zijn?’

‘Als je me afzet, zo gauw je weer stopt,’ zei Bobbie dapper, hoewel haar hart in haar keel bonsde, ‘en je wilde me zoveel geld lenen als ik voor een derdeklaskaartje nodig heb, zal ik het je eerlijk terugbetalen – gerust, op mijn woord van eer. Ik ben geen bedriegster – wezenlijk niet.’

‘Je bent een aardig juffertje,’ zei Bill, die eensklaps alle tegenstand liet varen. ‘We zullen wel zorgen dat je veilig thuiskomt. En dat speelgoed – Jim, heb jij niet een kameraad die met een soldeerijzer weet om te gaan? Dat mankeert er geloof ik in hoofdzaak aan.’

‘Ja, dat zei Vader ook,’ zei Bobbie met vuur. ‘Wat is dat voor een ding?’

Ze wees naar een klein koperen wieltje dat hij onder het praten had omgedraaid.

‘Dat is de injector.’

‘De in – wat?’

‘De injector, om de ketel te vullen.’

‘O,’ zei Bobbie, ‘dat is leuk,’ en ze dacht ‘dat moet ik goed onthouden om het aan anderen te vertellen.’

‘En dit is de automatische rem,’ ging Bill verder, gevleid door haar belangstelling. ‘Je draait dit kleine krukje maar om – je kunt het makkelijk met één vinger doen en de trein stopt. Dat hebben we aan “de Macht van de Wetenschap” te danken, zoals altijd in de kranten staat.’

Hij wees haar twee kleine manometers aan, met wijzerplaatjes, en legde haar uit dat de een aanwees hoeveel stoom ze ‘op’ hadden en de andere of de rem behoorlijk werkte.

Bobbie zag hem ook stoom afsluiten met een grote, glimmende stalen kruk, en ze hoorde meer over het inwendige van een locomotief, dan ze ooit gedacht had dat er van te vertellen was, terwijl Jim haar beloofde dat de broer van zijn achterneefs tweede vrouw het speelgoedlocomotiefje zou maken, of Jim zou hem nader spreken!

Behalve al de kennis die ze had opgedaan, had Bobbie ook het aangename gevoel, dat zij en Bill en Jim dikke vrienden waren geworden en ze haar voorgoed vergeven hadden, dat ze zo plotseling, ongenodigd, tussen hun kostbare kolen gerold was.

Bij het eerste station nam ze hartelijk afscheid van de mannen. Ze droegen haar aan de zorg op van een conducteur die in tegenovergestelde richting reed – een kennis van hen – waardoor Bobbie het genoegen had ook nog te zien wat conducteurs doen in hun geheimzinnige verblijfplaatsen, en te horen dat als je in de coupé aan de noodrem trekt, er onder de ogen van de conducteur een wiel ronddraait en een bel gaat. Ze vroeg de conducteur waarom zijn wagen zo naar vis rook, en hij vertelde haar dat ze elke dag een hele lading vis te vervoeren hadden en dat die nattigheid in de holletjes van de gegolfd ijzeren vloer, allemaal uit de manden en kisten met schol, kabeljauw, makreel en zalm gedropen was.

Bobbie kwam nog juist voor de thee thuis, met een gevoel alsof haar hoofd barsten zou van al wat ze erin had opgenomen, sinds ze de anderen niet gezien had. Wat een buitenkansje dat haar jurk aan die spijker was blijven hangen!

‘Waar ben je geweest?’ vroegen Phil en Peter.

‘Naar het station, natuurlijk,’ zei Roberta, maar ze wilde haar geheim bewaren tot de afgesproken dag, toen ze hen meenam naar de trein van 3.19, om hen vol trots voor te stellen aan haar vrienden Bill en Jim. Het bleek dat Bills achterneefs tweede vrouws broer zich het in hem gestelde vertrouwen waardig had getoond. Het locomotiefje zag er werkelijk zo goed als nieuw uit.

‘Daag – daag, goeie reis!’ riep Bobbie, toen de stoomfluit haar afscheidskreet liet horen. ‘Ik zal jullie nooit vergeten, hoor, en de broer van Bills achterneefs tweede vrouw ook niet!’

En terwijl het drietal de heuvel beklom, Peter in de wolken over zijn vernieuwde schat, vertelde Bobbie met blijde opgewondenheid haar avontuurlijk verhaal.


Hoofdstuk 5: Gevangenen en Bannelingen

Op zekere dag moest Moeder weer naar Maidbridge. De kinderen mochten niet mee, maar zouden haar van het station komen halen, en nu ze daar eenmaal zo graag waren, spreekt het vanzelf dat ze al op een uur verschenen, voordat er enige kans bestond dat Moeders trein komen kon. Ongetwijfeld zouden ze er óók wel zo vroeg geweest zijn zelfs als het mooi weer geweest was en ze naar hartelust hadden kunnen genieten van het een of ander prettig spel in het veld, tussen de rotsen of langs het kanaal – maar het was toevallig een akelige, natte dag en voor juli buitengewoon koud. Er woei een harde, gure wind die de donkere wolken langs de lucht dreef, ‘net als hele kudden olifanten in een droom,’ vond Phyllis. De regen sloeg hen in het gezicht, zodat ze ‘op een holletje’ naar het station vlogen. Eenmaal daar aangekomen, werd het nog erger; de regenstralen zweepten tegen de ramen van het plaatskaartenbureautje en van die kille, ongezellige, grote kamer, met Wachtkamer op de deur geschilderd.

‘Het is net of we in een belegerd kasteel zitten,’ zei Phyllis. ‘Kijk de pijlen van de vijand stuiten af op de borstwering!’

‘Nee, het lijkt veel meer op een grote tuinspuit,’ vond Peter.

Ze besloten in het gebouw zelf te wachten, want op het perron, waar de trein naar het Zuiden – Moeders trein – zou stoppen, stonden grote plassen, en de regen joeg er juist in het kleine, open hokje, waar de reizigers, die naar het Zuiden moesten, anders wachtten.

Het zou een heerlijk, interessant uur zijn, want er gingen twee treinen naar het Noorden en een naar het Zuiden, voordat de trein waarmee Moeder kwam.

‘Misschien is het dan wel droog,’ zei Bobbie; ‘in elk geval ben ik maar blij dat ik Moeders regenmantel en paraplu heb meegenomen.’

Ze stapten dus het holle lokaal binnen met Wachtkamer op de deur, en de tijd was, met stom-ambachtje spelen, nog vlugger omgegaan dan ze gedacht hadden, toen het eigenaardige, doordringende geluid van het signaal de trein uit het Zuiden aankondigde. De kinderen vlogen naar buiten om hem te zien. Op de machine stonden hun vrienden Bill en Jim, die ze natuurlijk onmiddellijk moesten begroeten. Jim vroeg naar Peters locomotiefje, en Bobbie drong hem een kleverig vet papiertje met toffee op, die ze zelf gemaakt had.

Zeker extra gunstig gestemd door dit vriendschapsbewijs, beloofde haar de machinist, er eens gunstig over te zullen denken, of hij Peter misschien eens een eindje zou kunnen meenemen.

‘Achteruit, jongens! Pas erop!’ riep Jim opeens. ‘Daar gaat-ie!’

Of hij ging! Met een vaartje! De kinderen tuurden hem na tot hij om de bocht verdween, en wilden toen naar de stoffige ruimte van de lege wachtkamer terugkeren, van plan hun spel voort te zetten.

Ze verwachtten niet meer dan een paar reizigers te zien, de laatste van de kleine stoet die hun kaartjes aan de controle moesten afgeven. In plaats daarvan zagen ze een dichte, zwarte drom mensen zich voor een van de stationsdeuren verdringen.

‘O!’ riep Peter met een schokje van blijde verrassing, ‘daar is zeker een ongeluk gebeurd! Kom gauw mee!’

Ze vlogen het perron af. Toen ze bij de mensenoploop gekomen waren, zagen ze natuurlijk niets anders dan de natte ruggen van de buitenste kring. Iedereen praatte tegelijk. Het bleek uit alles, dat er iets gebeurd moest zijn.

‘Ik wed, dat er iets met hem gebeurd is,’ zei een man met een boers uiterlijk. Peter kon juist zijn rood, gladgeschoren gezicht zien.

‘Als je het mij vraagt, ik zou zeggen, het is een gevalletje voor het politiebureau,’ meende een jongmens met een zwarte reistas.

‘Welnee, eerder voor het ziekenhuis,’ vond een ander. Toen klonk de stem van de Chef luid en met gezag: ‘Kom, doorgaan, alstublieft! Ik zal dat zaakje wel opknappen. Laat het maar gerust aan mij over.’

Maar de menigte verspreidde zich niet, en opeens hoorden de kinderen een stem, die hun door merg en been ging. Ze klonk angstig en in een vreemde taal, ja, in een taal, die ze nooit eerder gehoord hadden. Ze hadden wel eens Frans en wel eens Duits horen spreken; Tante Emma kon goed Duits en zong dikwijls iets van bedeuten en Zeiten en bin en sin. En Latijn was het ook niet. Peter had immers al een jaar Latijn geleerd!

Het was een soort van voldoening dat niemand de vreemde taal scheen te verstaan, ook de grote mensen niet.

‘Wat zegt-ie?’ vroeg de boer met een gewichtig gezicht.

‘Het komt me voor, dat hij Frans spreekt,’ zei de Chef, die wel eens een dagje naar Boulogne geweest was.

‘Nee, het is geen Frans,’ zei Peter.

‘Wat is het dan wel?’ vroegen verscheiden stemmen tegelijk. De menigte trad iets opzij, om te zien wie er gesproken had en Peter drong zich naar voren, zodat hij, toen de massa zich weer achter hem sloot, in de eerste rij kwam te staan.

‘Ik weet niet wát het is,’ zei Peter, ‘maar geen Frans, dat ken ik wel.’ Toen zag hij waar de mensen zich omheen verdrongen. Het was een man, de man die – Peter twijfelde er geen ogenblik aan – in die wonderlijke taal gesproken had. Een man met lang haar en wilde ogen en armoedige kleren, van een model, dat Peter nog nooit gezien had – een man, die met bevende lippen en drukke gebaren opnieuw begon te spreken, zodra hij Peter gewaar werd.

‘Nee, dat is geen Frans,’ herhaalde Peter.

‘Probeer het dan eens met Frans, als jij daar zoveel van weet,’ zei de boerachtige man.

‘Parlez-vous français?’ begon Peter dapper, en op hetzelfde ogenblik stoof de menigte een paar pas achteruit, want de man met de wilde ogen, die tot nu toe tegen de muur had geleund, schoot op Peter af, greep hem bij beide handen en overstelpte hem met een vloed van woorden, waarvan Peter wel niets begreep, maar waarvan de klank hem toch vertrouwd voorkwam.

‘Nou,’ zei hij, zijn gezicht met een zegevierende uitdrukking naar de toeschouwers kerend, terwijl de armoedige vreemdeling nog steeds zijn handen omklemd hield, ‘hoor maar, dát is Frans!’

‘Wat zegt hij dan?’

‘Ja, dát weet ik niet,’ moest Peter bekennen.

‘Vooruit, schiet op,’ riep de Stationschef weer; ‘doorlopen, alstublieft! Laat mij maar voor die man zorgen.’

Sommige van de minder brutale, of minder nieuwsgierige reizigers dropen langzaam af, en Phyllis en Bobbie konden nu bij Peter komen. Alle drie hadden ze Frans geleerd op school. Hoe vurig wensten ze nu dat ze er beter hun best op hadden gedaan en dus wat meer van onthouden hadden. Peter schudde zijn hoofd om de reiziger te beduiden dat hij hem niet begreep, maar schudde tegelijkertijd hartelijk zijn handen en keek hem zo vriendelijk aan als hij maar kon. Iemand onder de menigte zei eensklaps, na lang geaarzeld te hebben: ‘Comprendez pas,’ en liep toen met een kleur van verlegenheid het station in.

‘Neemt u hem mee in uw bureau,’ fluisterde Bobbie de Chef toe: ‘Moeder kan Frans praten en ze komt zo dadelijk uit Maidbridge.’

De Chef greep de vreemdeling plotseling, doch niet onvriendelijk, bij de arm, maar de man rukte zich los en trachtte kuchend, bevend en in elkaar gedoken de Stationschef af te weren.

‘O, raak hem liever niet aan!’ riep Bobbie, ‘ziet u niet hoe bang hij is. Hij denkt stellig, dat u hem wilt opsluiten. Ik weet zeker, dat hij dat denkt. Kijk maar eens naar zijn ogen!’

‘Net de ogen van een vos, die in de val zit,’ zei de pachter.

‘Toe, laat mij het eens proberen!’ verzocht Bobbie. ‘Ik weet heus een heleboel Franse woordjes. – Hè, als ik ze nu maar bedenken kon!’

Maar soms zijn we in moeilijke ogenblikken tot heel bijzondere dingen in staat, tot dingen waarvan we in het gewone, alledaagse leven niet zouden gedroomd hebben. Bobbie had nooit hoge cijfers voor haar Frans gehaald, en toch scheen ze werkelijk nog meer geleerd te hebben dan ze gedacht had, want terwijl ze vol medelijden naar de vreemde man keek, schoten haar opeens verscheiden Franse woorden naar binnen en, wat meer zegt – durfde ze die uit te spreken ook.

‘Vous attendez,’ begon ze. ‘Ma mère parlez français. Nous – wat is “vriendelijk zijn” in het Frans?’

Dat wist niemand.

‘Bon’ is ‘goed,’ bedacht Phyllis.

‘Nous étions bon pour vous.’

Ik durf niet te zeggen of de man haar woorden begreep, maar hij begreep de vriendelijkheid die haar aandreef haar hand in de zijne te leggen en met de andere over zijn versleten mouw te strijken.

Zachtjes trok ze hem mee naar het heiligdom van de Stationschef; de andere kinderen volgden op de voet en de Chef deed de deur voor de neuzen dicht van de nog steeds verzamelde menigte die een poosje voor het loket stond te redeneren en naar de gesloten deur te gluren en daarna eindelijk bij tweeën en drieën wegtrok.

In het bureautje van de Chef hield Bobbie nog steeds de hand van de reiziger vast en bleef ze zijn mouw strelen.

‘Een vreemd geval,’ zei de Stationschef; ‘geen kaartje; weet zelfs niet te zeggen waar hij heen moet. Ik denk toch dat ik maar eens om de politie zal sturen.’

‘Hè, nee, niet naar de politie!’ pleitten de drie kinderen tegelijk, en opeens schoof Bobbie tussen de anderen en de vreemdeling in, want ze zag dat hij schreide.

Door een buitengewoon gelukkig toeval had ze een zakdoek in haar zak; door een nog buitengewoner toeval was die zakdoek tamelijk schoon. Voor de onbekende staande, duwde ze hem vlug haar zakdoek in de hand, zodat de anderen het niet merkten.

‘Ik wed vast en zeker dat hij niets gedaan heeft waarvoor hij in de gevangenis gestopt behoeft te worden,’ zei Peter.

‘Wacht u toch tot Moeder komt,’ zei Phyllis, ‘die praat zóó mooi Frans! Dat zult u eens horen!’

‘Dat zie ik nog niet zo duidelijk in,’ zei de Chef. ‘Maar ik zal mijn oordeel opschorten, tot je Mama komt. Ik zou wel eens willen weten wat voor landsman dat is!’

Toen kwam Peter op een idee. Hij haalde een envelopje uit zijn zak en liet de Chef zien dat het half vol vreemde postzegels zat. ‘Als we hem die eens lieten kijken -’

‘Prachtig!’ riep Bobbie, die met blijdschap gezien had dat de vreemdeling haar zakdoek gebruikte.

Peter hield hem een Italiaanse postzegel voor en wees van de postzegel op de man, en van de man naar de postzegel, terwijl hij zijn wenkbrauwen vragend optrok.

Maar de vreemde sinjeur schudde het hoofd. Toen lieten ze hem een postzegel van Noorwegen zien en hij schudde weer ‘nee’. Toen een Spaanse en toen nam hij Peter het envelopje af en zocht met een bevende hand tussen de postzegels. Wat hij hun eindelijk voorhield met een verheugd gezicht, alsof hij eindelijk een moeilijke vraag kon beantwoorden was een Russische postzegel.

‘Hij is dus een Rus,’ riep Peter. ‘Nu begrijp ik waarom hij zo angstig kijkt. Rusland is een vreselijk land. Ze zetten je daar zo maar gevangen, als je niks gedaan hebt. Moeder heeft het me zelf verteld.’

Daar ging het signaal voor de trein van Maidbridge.

‘Ik zal wel bij hem blijven tot u Moeder gehaald heeft,’ zei Bobbie.

‘Is u niet bang, jongejuffrouw?’

‘O, nee,’ zei Bobbie, met een blik op de vreemdeling, alsof hij een vreemde hond geweest was die wel eens bijten kon. ‘U zult mij geen kwaad doen, is het wel?’

Ze keek hem glimlachend aan, en hij glimlachte terug, een vreemde, zenuwachtige glimlach. En toen kuchte hij weer. – Daar stoof ratelend en snuivend de trein binnen, en de Chef, Peter en Phyllis liepen er haastig heen. Toen ze met Moeder terugkwamen, hield Bobbie nog altijd de hand van de vreemdeling vast.

De Rus boog eerbiedig.

Daarop sprak Moeder hem in het Frans toe en antwoordde hij, eerst aarzelend, alsof hij bang was, maar al heel gauw in steeds langer wordende zinnen.

De kinderen die geen oog van zijn gezicht en dat van Moeder af hadden, begrepen dat hij haar dingen vertelde die beurtelings haar schrik, haar verwondering, haar medelijden en haar verontwaardiging opwekten.

‘Waar is het allemaal over, mevrouw?’ kon de Stationschef zich niet weerhouden te vragen.

‘O,’ zei Moeder, ‘de zaak is wel in orde. Hij is een Rus, en hij heeft zijn kaartje verloren. Het komt me voor dat de man hard ziek is. Ik zou hem wel mee naar huis willen nemen. De stumperd is totaal uitgeput. Dan zal ik u morgen alles wel eens rustig komen vertellen.’

‘Ik hoop niet dat u een misdadiger in huis haalt, mevrouw,’ zei de Chef wantrouwend.

‘O, nee,’ antwoordde Moeder glimlachend, ‘geen sprake van. Een misdadiger? Hij is een beroemd man in zijn land – heeft prachtige boeken geschreven – ik heb er wel een paar van gelezen, maar morgen zal ik u er alles van vertellen.’

Toen sprak ze weer even Frans met de Rus en kon iedereen zien hoe verrast en blij en dankbaar hij keek. Opstaande boog hij beleefd voor de Chef en bood Moeder daarop plechtig zijn arm. Ze nam die aan, maar de kinderen zagen duidelijk dat Moeder hem meer tot steun was dan hij haar.

‘Meisjes, loop jullie gauw vooruit en leg vuur aan in de huiskamer,’ zei Moeder, ‘en Peter ga jij vragen of de dokter komen wil.’

Maar Bobbie ging naar de dokter. ‘Het spijt me erg, dokter,’ vertelde ze ademloos, toen ze hem in zijn hemdsmouwen bezig vond zijn violenperkje te wieden, ‘maar Moeder heeft een erg armoedige Rus mee naar huis genomen en ik ben bang dat hij ook in uw Bus moet. Hij heeft stellig geen geld. We hebben hem aan het station gevonden.’

‘Gevonden! Was hij dan verloren geraakt?’ vroeg Dr. Forrest, in zijn jas schietend.

‘Ja,’ antwoordde Bobbie tot zijn verbazing, ‘zo was het werkelijk. Hij heeft Moeder in het Frans een heel naar verhaal gedaan van zijn akeligheden, en Moeder laat vragen of u wel zo vriendelijk wilt zijn dadelijk mee te gaan, als u kunt. Hij hoest vreselijk en hij heeft ook geschreid.’

Dr. Forrest begon te lachen.

‘Hè, nee, toe, niet lachen,’ zei Bobbie. ‘Dat zou u stellig niet doen als u hem gezien had. Ik had nog nooit een man zien schreien. U weet niet hoe akelig dat is.’

Dr. Forrest wenste dat hij niet gelachen had.

Toen Bobbie en de dokter op ‘Spoorzicht’ aankwamen, zat de Rus in de armstoel die van Vader geweest was, met zijn voeten voor een knappend houtvuurtje, behaaglijk de thee te slurpen die Moeder gauw gezet had.

‘De man schijnt mij uitgeput, naar lichaam en geest,’ zei de dokter, ‘en die hoest is lelijk, maar er is niets wat niet kan genezen. Het beste is dat hij onmiddellijk naar bed gaat; verwarmt u de kamer voor de nacht.’

‘Ik zal de kachel op mijn kamer aanleggen,’ zei Moeder. ‘Op de andere kamers staat er geen.’ En terwijl Moeder hiermee bezig was, hielp Dr. Forrest de vreemdeling te bed.

In Moeders kamer stond een grote, zwarte koffer die geen der kinderen nog ooit open had gezien. Maar toen de kachel nu lekker brandde, sloot ze de koffer open en haalde ze er wat kleren uit tevoorschijn – manskleren – die ze om de kachel hing. Bobbie, die juist met een mandje brandhout binnenkwam, zag het merk op de kledingstukken en keek toen om naar de open koffer. Al wat in de koffer lag, schenen ook wel manskleren te zijn, en de letters op het goed waren Vaders letters. Had Vader dan zijn goed niet meegenomen? En dat nachthemd was een van die nieuwe; Bobbie herinnerde zich nog dat ze thuiskwamen, vlak voor Peters verjaardag. Waarom had Vader zijn kleren niet bij zich? Bobbie sloop heel stilletjes de kamer uit. Juist hoorde ze Moeder de sleutel van de koffer nog omdraaien. Haar hart bonsde of het barsten zou. Wáárom had Vader zijn kleren niet meegenomen? Toen Moeder uit de kamer kwam, sloeg Bobbie de armen stijf om haar middel en fluisterde: ‘Moeder – Vader is toch niet – is toch niet dood, is het wel?’

‘Wel nee, lieveling, hoe kwam je op die vreselijke gedachte?’

‘Ik – ik weet het niet,’ zei Bobbie, boos op zichzelf, maar nog steeds vasthoudend aan het idee, dat ze niet mocht zien, wat Moeder niet graag wilde dat ze zag.

Moeder drukte haar even dicht tegen zich aan. ‘Vader was gezond – heel goed gezond, toen ik het laatst van hem hoorde,’ zei ze, ‘en hij komt stellig later bij ons terug. Haal je maar niet meer zulke akelige dingen in het hoofd, lieveling.’

Later op de avond, toen Moeder de Russische vreemdeling voor de nacht van alles voorzien had, kwam ze bij de meisjes op de kamer. Ze zou bij hen slapen, in Phyllis’ bed, en Phyllis op een matras op de grond, wat Phyllis ‘dol’ vond. Zodra Moeder de deur inkwam, rezen er twee witte gedaanten overeind en vroegen twee stemmen gretig: ‘O, vertelt u nu alles van de Russische meneer!’

Daar wipte een derde witte gedaante naar binnen, zijn sprei als de staart van een witte pauw achter zich aanslepend.

‘We hebben zóveel geduld gehad,’ zei hij. ‘ik moest telkens op mijn tong bijten om niet in slaap te vallen, en één ogenblik rolde ik toch haast in slaap, en toen beet ik er zo hard op, dat ik het nog voel. Maar nu moet u vertellen. Toe, maakt u er eens zo’n mooi, lang verhaal van!’

‘Ik kan er vanavond onmogelijk een mooi, lang verhaal van maken,’ zei Moeder, ‘ik ben veel te moe.’

Bobbie hoorde aan Moeders stem dat ze geschreid had, maar de anderen merkten dat niet op.

‘Nu, maakt u het dan toch maar zo lang als u kunt,’ zei Phil, en Bobbie sloeg een arm om Moeders middel en ging stijf tegen haar aan zitten.

‘Het verhaal is zo lang, dat je er een heel boek mee zou kunnen vullen,’ vertelde Moeder. ‘Hij is een schrijver en hij heeft prachtige boeken geschreven. Maar jullie weet wel, dat je in Rusland geen woord mag zeggen van iets wat de rijke mensen misdoen, of over iets wat behoorde gedaan te worden om arme mensen een beetje gelukkiger te maken. Zodra je dat doet, stoppen ze je in de gevangenis.’

‘Maar dat kán toch niet,’ zei Peter; ‘je kunt toch alleen maar mensen in de gevangenis stoppen die werkelijk kwaad hebben gedaan?’

‘Of wanneer de rechters denken dat ze kwaad hebben gedaan,’ zei Moeder. ‘Ja, zo is het bij ons, maar in Rusland gaat dat anders. Deze Rus heeft een heel mooi, bekend boek geschreven over de arme mensen in zijn land en hoe ze geholpen konden worden. Ik heb het gelezen. Er staan niets dan goede en edele gedachten in. En daarvoor werd hij gevangen genomen. Drie jaar lang heeft hij in een afschuwelijke, duffe kerker gezeten, vochtig en ongezond, met zo goed als geen licht. Denk eens, heel alleen in de gevangenis, drie lange jaren!’

Moeders stem beefde eerst even en toen zweeg ze helemaal.

‘Maar, Moeder,’ zei Peter, – ‘dat kan nu toch niet meer gebeuren. Het klinkt net of u uit de geschiedenis vertelt – zo van de Inquisitie of zoiets.’

‘Het is helaas waar,’ zei Moeder, ‘afschuwelijk waar. – Nu, daarna haalden ze hem uit de gevangenis en verbanden ze hem naar Siberië, als een boef aan andere boeven vastgeklonken, een lange keten van allerlei ongelukkige of slechte mensen, en zo moesten ze lopen, uren-, dagen-, wekenlang lopen, tot ze dachten dat er nooit een eind aan komen zou. En achter hen liepen de opzichters met hun lange zwepen, ja zwepen – waarmee ze hen sloegen zodra ze vermoeidheid toonden. En sommige van die ongelukkigen werden kreupel en sommige vielen neer, en als ze hen niet meer op de been konden ranselen, lieten ze hen eenvoudig achter, om eenzaam aan de weg te sterven. O, het is haast te afschuwelijk het jullie te vertellen! Eindelijk kwam hij in een mijn, waarin hij zijn leven lang moest werken – zijn leven lang, en dat alléén, omdat hij zo’n goed, zo’n mooi, zo’n knap boek geschreven had!’

‘Hoe kwam hij daar vandaan?’ vroeg Bobbie.

‘Toen de oorlog met Japan uitbrak, kregen sommige van de Russische gevangenen verlof als vrijwilliger mee te vechten. Daar meldde hij zich voor aan, maar hij deserteerde zo gauw hij zijn kans schoon zag en -’

‘Maar dát was toch laf van hem, vindt u niet?’ vroeg Peter. ‘Deserteren – als je land in oorlog is!’

‘Vind je dat hij iets verschuldigd was aan een land dat hem zo ongelukkig gemaakt had? En was hij niet véél meer aan zijn vrouw en kinderen verschuldigd? Hij wist niet eens wat er van hen geworden was.’

‘O,’ riep Bobbie, ‘had hij die ook nog, en moest hij dan al die tijd in de gevangenis en in de mijn ook nog aan hen denken? Wat vreselijk?’

‘Ja, hij moest aldoor aan hen denken en maakte zich wanhopig ongerust over hen. Hij wist niet beter, of ze zaten ook wel hier of daar gevangen. Dat komt in Rusland veel voor. Maar toen hij uit de mijnen kwam, wisten goede vrienden hem een bericht in handen te spelen dat zijn vrouw en kinderen naar Engeland gevlucht waren. En daarom deserteerde hij zo gauw mogelijk en kwam hij hierheen.’

‘Weet hij dan nu waar zijn vrouw en zijn kinderen zijn?’ vroeg Bobbie.

‘Nee, hij weet alleen maar Engeland, niets meer. Hij was op weg naar Londen en had begrepen dat hij hier moest overstappen. En daarbij merkte hij ook nog tot zijn schrik dat hij zijn beurs met zijn kaartje verloren had.’

‘Denkt u dat hij ze terug zal vinden? – Ik meen zijn vrouw en kinderen, niet dat kaartje en dat geld?’ vroeg Phyllis.

‘Ik hoop het van harte. O, wat zou ik me innig voor hem verheugen, als hij dát geluk eens had.’

Zelfs Phyllis hoorde nu toch dat Moeders stem bijzonder onvast klonk.

‘U heeft wel erg veel medelijden met hem, hè, Moes?’ vroeg ze.

Moeder antwoordde eerst niet. Toen zei ze alleen maar ‘ja’, en scheen daarna geheel in haar gedachten verdiept. De kinderen zaten muisstil.

Opeens zei ze: ‘Kinderen, als jullie ‘s avonds je gebedje opzegt, mocht je God wel bidden, medelijden te hebben met alle gevangenen en bannelingen.’

‘Medelijden te hebben met alle gevangenen en bannelingen,’ herhaalde Phyllis, ‘Is het zo goed, Moeder?’

‘Ja,’ zei Moeder peinzend, ‘met alle gevangenen en bannelingen. Alle gevangenen en bannelingen.’


Hoofdstuk 6: De Redders Van De Trein

De volgende dag was de Russische logé wat beter; nog een dag later was hij nóg wat beter, en de derde dag was hij alweer zoveel beter dat hij in de tuin mocht zitten. Er werd een grote rieten stoel buiten gezet en daar zat hij in, met Vaders kleren aan, die hem veel te groot waren. Maar toen Moeder de mouwen en de broekspijpen van onderen had omgenaaid, kon het best. Nu hij er niet meer zo angstig en vermoeid uitzag, had hij een heel vriendelijk, prettig gezicht, en hij glimlachte tegen de kinderen, telkens als hij ze zag. Erg jammer dat ze elkaar niet verstaan konden. Moeder schreef lange brieven naar alle mogelijke mensen die ze dacht, dat maar iets omtrent de vrouw en kinderen van de Russische heer zouden kunnen weten; niet aan de mensen die ze vroeger gekend had, voordat ze op ‘Spoorzicht’ kwamen wonen – maar aan vreemde mensen – aan leden van het Parlement en uitgevers van kranten en secretarissen van verenigingen. Er bleef al heel weinig tijd over om verhaaltjes te schrijven; ze corrigeerde alleen de proeven maar, terwijl ze naast de vreemdeling in de zon zat en telkens eens even met hem praatte.

De kinderen deden hun best te tonen hoeveel medelijden ze hadden met die arme man die in de gevangenis gezet en naar Siberië gestuurd was, alleen omdat hij zo’n mooi, goed boek geschreven had. Ze konden natuurlijk terug-glimlachen en dat deden ze dan ook, maar als je almaar door glimlacht, krijg je zo’n vervelend strak gevoel in je wangen en lijkt het lachen helemaal niet vriendelijk meer, veel eerder dwaas en onnatuurlijk. Toen probeerden ze iets anders en brachten ze hem bloemen van het veld mee, tot het plekje, waar hij zat, omringd was door verlepte klaverboeketjes en wilde roosjes en koekoeksbloemen.

Toen kwam Phyllis op een inval. Ze wenkte de anderen geheimzinnig en trok hen mee naar de plaats achter de keuken, waar ze op een verborgen hoekje tussen de pomp en de regenton, begon: ‘Zeg, jullie weten nog wel dat Perks mij de eerste aardbeien uit zijn tuin beloofd heeft? Zouden ze nu nog niet rijp zijn? We moesten eens gaan kijken.’

Moeder was naar het station geweest om volgens haar belofte de Chef de geschiedenis van de Rus te vertellen; maar de kinderen nog in het geheel niet, sedert de komst van die interessante vreemdeling, die ze nooit lang uit het oog verloren.

Toen ze nu, na drie hele dagen, het kruierskamertje binnengluurden, werden ze tot hun verwondering en teleurstelling heel koeltjes door Perks ontvangen.

‘Het moet zeker een hele eer voor mij zijn,’ zei hij schamper en zonder bijna van zijn krant op te zien.

De kinderen zwegen verschrikt. Eindelijk zei Bobbie met een zucht: ‘Och, jé, Perks ben je bóós?’

‘Wat boos? Wie boos? Ik?’ vroeg Perks uit de hoogte. ‘Welnee; maar zóveel kan ik jullie wel zeggen, als dat het mij niks schelen kan!’

‘Wát mij niks schelen kan?’ zei Peter, te verbaasd en verschrikt om zijn woorden goed te kiezen.

‘Niks is niks, net gelijk hier of ergens anders,’ zei Perks, niet heel duidelijk. ‘Als jullie graag geheimen vóór je houdt, mij best; ga je gang. Dát had ik je te zeggen!’

In de stilte die hierop volgde, doorzocht ieder van het drietal gauw de geheimste schuilhoeken van zijn hart. Toen werden drie hoofden verontwaardigd geschud.

‘Maar we hebben toch geen geheimen voor jou, Perks,’ zei Bobbie op het laatst.

‘Misschien wel, misschien niet,’ antwoordde Perks. ‘Het raakt mij niemandal, en ik wens jullie goeiemiddag.’ Met die woorden hield hij zijn krant hoog op tussen zich en de kinderen en ging door met lezen.

‘Och, toe, Perks, lees nu niet!’ riep Phyllis, half schreiende. ‘Wat vreselijk! Waarom ben je zo kwaad? Vertel het ons dan tenminste!’

‘We hebben het heus niet met opzet gedaan áls we iets gedaan hebben,’ voegde Bobbie erbij.

‘Zeg, Perks,’ zei Peter opeens, ‘dat is niet eerlijk. Mensen die slechte dingen gedaan hebben, grote misdadigers, worden zelfs niet gestraft voordat ze weten waarom – alleen in Rusland -’

‘Wat weet ik van Rusland?’

‘Daar weet je wél wat van! Moeder is toch eergisteren naar het station gegaan, alleen om jou en meneer Gills alles van onze Rus te vertellen.’

‘Kun je begrijpen!’ viel Perks verontwaardigd uit. ‘Denk je soms, jongeheer, dat de Chef mij zal vragen om op zijn bureau te komen en mij een stoel presenteert om te luisteren naar wat uw Ma te vertellen heeft?’

‘Maar – heb je er dan niets van gehoord?’

‘Geen woord. Ik heb eenmaal de vrijheid genomen iets te vragen, maar ik kwam van een koude kermis thuis, hoor! “Staatszaken, Perks,” zei de Chef. Maar ik had stellig gedacht dat een van jullie wel eens hier zou zijn gekomen om mij een woordje te vertellen. Je bent er gauw genoeg bij, als je iets van Perks hebben moet;’ (Phyllis bloosde tot achter haar oren, toen ze aan de aardbeien dacht), ‘als jullie wat weten wilt van machines of seintoestellen, of net gelijk wat, dan is Perks goed genoeg, hè?’ eindigde de gegriefde kruier.

‘Maar wij wisten toch niet, dat jij het niet wist.’

‘We dachten immers dat Moeder het je verteld had.’

‘We zouden het je wel gráág verteld hebben, maar we dachten dat het toch allemaal oud nieuws zou zijn.’

Zo verdedigden ze zich alle drie tegelijk.

‘Mooie praatjes,’ bromde Perks en hield zijn krant nog altijd hoog op. Toen trok Phyllis het blad opeens weg en sloeg haar armen om zijn hals.

‘Toe, laten we weer goeie vrienden zijn?’ verzocht ze. ‘We zullen wel eerst zeggen, dat het ons spijt, maar heus, wezenlijk we wisten niet, dat jij het niet wist.’

‘Het spijt ons heel erg,’ betuigden de anderen, en eindelijk aanvaardde Perks hun verontschuldigingen.

Toen trokken ze hem mee naar buiten op de groene stationsbank, die in de zon stond, zodat ze helemaal warm voelde, en hier vertelden de kinderen soms een voor een, soms alle drie tegelijk, de geschiedenis van de Russische gevangene.

‘Nou, ik moet zeggen,’ begon Perks, maar hij zei verder niets, wat het ook geweest mocht zijn.

‘Ja, het is erg genoeg, hè?’ zei Peter, ‘en ik kan me begrijpen, dat je nieuwsgierig was er alles van te horen.’

‘Ik was eigenlijk niet nieuwsgierig,’ verzekerde Perks, ‘maar ik stelde er belang in.’

Daar ging een signaal.

‘3.14,’ zei Perks. ‘Wacht hier maar kalm tot hij weer weg is, en dan zullen we met elkaar naar mijn huis gaan om te zien of er al wat aardbeien rijp zijn; dat heb ik Phyllis laatst beloofd.’

‘Als er wat rijp zijn en je geeft ze me,’ zei Phyllis, ‘mag ik ze toch wel voor de Russische meneer meenemen, is het niet?’

Perks kneep zijn ogen dicht en haalde toen zijn wenkbrauwen op.

‘O, zo – jullie kwamen dus hier om mijn aardbeien te halen. Dat zat erachter!’ zei hij.

Het was een benauwd ogenblik voor Phyllis. Het zou zo ‘hebberig’ klinken en zo onaardig tegenover Perks zijn, als ze ‘ja’ zei, maar ze wist dat als ze ‘nee’ zei, ze daar toch later geen vrede bij zou hebben. Dus zei ze eerlijk: ‘Ja, eigenlijk wel.’

‘Flink zo,’ zei de kruier, ‘altijd de waarheid spreken, al stond de duivel ook voor je!’

‘Maar we zouden toch stellig dadelijk naar je toe zijn gekomen, als we geweten hadden dat je het verhaal nog niet wist,’ voegde Phyllis er haastig bij.

‘Dat geloof ik wel, jongejuffrouw,’ zei Perks en sprong van het perron op de rails, vlak voor de binnenstuivende trein langs.

De meisjes griezelden altijd als ze het hem zagen doen, maar Peter vond het prachtig en bewonderde er Perks geweldig om.

De Russische logé was zo opgetogen over de aardbeien, dat de kinderen zich gingen bedenken waarmee ze hem nog eens meer konden verrassen. Maar al het bedenken bracht hen niets anders te binnen dan wilde kersen. Dit plan kwam de volgende morgen bij hen op. In de lente hadden ze kersenbloesems aan de bomen gezien en dus wisten ze nu waar ze de vruchten moesten zoeken. De meeste kersenboompjes groeiden tegen de helling van de rots waarin de tunnel geboord was. Er stonden daar allerlei soort van bomen: berken en beuken en kleine eikjes en hazelaars, waartussen de kersenbloesem helderwit had afgestoken.

Omdat de ingang van de tunnel nogal ver van ‘Spoorzicht’ af was, vond Moeder goed dat ze hun boterhammen in een mandje meenamen; dat konden ze dan later voor de kersen gebruiken, als ze die vonden. Moeder leende hun ook haar zilveren horloge, zodat ze zich niet konden verlaten. Peters horloge had het in zijn hoofd gekregen niet meer te willen lopen, sinds hij het in de regenton had laten vallen.

Ze togen dus op weg.

Toen ze boven aan de rand van de voor de spoorbaan uitgegraven weg kwamen, hingen ze over het rasterwerk om in de diepte, naar de rails, te kijken.

‘Net een bergpas of een holle weg uit een roversverhaal, hè?’ zei Phylllis. ‘Als je de rails niet zag, zou je denken, dat de vallei nog nooit door een menselijke voet betreden was.’

De wanden van de insnijding waren van grijze rotssteen, ruw uitgehouwen. Het bovenste gedeelte van de diepe weg, werkelijk oorspronkelijk een vallei, had uitgegraven moeten worden om haar gelijk te maken met de voet van de tunnel. De rotswanden waren met gras en wilde bloemen bedekt en met struiken en kleine bomen, ontstaan doordat vogels wel eens zaadjes lieten vallen die soms in een spleet terechtkwamen en daar wortelschoten. Vlakbij de tunnel was een trapje uitgehakt, om op de spoorlijn te kunnen komen, een steile, smalle, moeilijke afgang, die meer op een ladder dan op een trap geleek.

‘Laten we een eind naar beneden gaan,’ zei Peter. ‘Ik wed, dat we halverwege het trapje heel makkelijk bij de kersen kunnen komen. Weet je wel, dat we daar ook die bloesem geplukt hebben voor op het graf van het konijn?’

Ze liepen dus langs het rasterwerk naar het kleine hekje boven aan het trapje, en ze waren bijna bij dit hekje toen Bobbie opeens riep: ‘Stil! Luister eens! Wat is dat?’

‘Dat’ was een heel vreemd geluid – een zacht gedruis, maar heel goed te onderscheiden van het geritsel van de wind in de takken en het gezoem door de telegraafdraden. Het was een soort van suizend, schuivend, fluisterend geluid. Toen ze luisterend stilstonden hield het op, maar daarna begon het weer.

En nu hield het niet weer op, maar werd het gesuis nog sterker en kwam er een dof gerommel bij.

‘O, kijk eens!’ riep Peter eensklaps – ‘kijk, kijk – die boom daar!’

‘Hij beweegt!’ riep Bobbie. ‘O, kijk, de anderen ook!’

‘Het zijn toverbomen,’ zei Phyllis, haar adem inhoudende, ‘ik heb altijd wel gezegd dat die spoorbaan betoverd was.’

Het leek werkelijk wonderbaarlijk, want al de bomen en struiken, op een breedte van twintig meter ongeveer, schenen van de tegenovergestelde rotswand langzaam naar de spoorbaan toe te wandelen, het boompje met de groengrijze bladeren achteraan, als een oude herder die een kudde groene schaapjes voor zich uitdrijft.

‘Wat gebeurt er? O, wat zou het toch zijn!’ riep Phyllis angstig. ‘Ik vind het zo griezelig! Och toe, laten we maar liever gauw naar huis gaan!’

Maar Bobbie en Peter hingen ademloos over het ijzerdraad en hadden geen oog van de voortschuivende massa af. Phyllis maakte trouwens zelf niet de minste beweging om naar huis te gaan.

De bomen bleven maar schuiven. Een paar zandkluiten en stenen rolden naar beneden en vielen hoorbaar op de rails in de diepte.

‘Het komt allemaal naar beneden,’ wilde Peter zeggen, maar hij merkte dat hij bijna geen geluid kon geven. En, ja, juist toen hij het dacht, kwam het kolossale rotsblok, waarop de wandelende bomen gegroeid waren, langzaam, maar duidelijk zichtbaar, omlaag en zakte een eindje over de steile wand heen. De bomen die nu niet meer gleden, stonden even stil – trillend. Met het rotsblok overhellend, was het alsof ze zich nog één ogenblik bedachten; toen gleden rots en bomen, gras en struiken met een oorverdovend gedruis van de steile wand naar beneden en stortten met een donderend geraas – dat zeker wel op een kwartier afstands kon gehoord worden – op de rails. Een dichte stofwolk steeg op.

‘Hè!’ zei Peter met een diepe zucht. ‘Net of er kolen in het ruim van een schip worden geladen.’

‘Wat een berg heeft het gemaakt!’ zei Bobbie.

‘Ja, de spoorlijn is helemaal bedekt!’ riep Phyllis.

‘Ja,’ zei Peter langzaam. Hij leunde nog steeds zover mogelijk over het ijzerdraad. ‘Ja – helemaal,’ herhaalde hij toen, nog langzamer. Opeens kwam hij overeind.

‘De trein van 11.29 is nog niet voorbij. We moeten het gauw aan het station gaan vertellen, of er gebeurt een vreselijk ongeluk.’

‘Hard lopen,’ zei Bobbie, en ze begon al. Maar Peter riep, met Moeders horloge in de hand: ‘Kom terug, gauw!’

Hij zei het op een vreemde, besliste toon, en zijn gezicht was zo bleek als de meisjes het nog nooit gezien hadden.

‘Geen tijd meer,’ zei hij; ‘‘t is zeker een half uur, al hollen we, en het is nu al even over elven.’

‘Zóu het niet meer kunnen?’ vroeg Phyllis, met bonzend hart. ‘Als we eens in een telegraafpaal klommen en iets met de draden deden; een sein geven….’

‘We weten niet hoe,’ zei Peter.

‘Maar in de oorlog doen ze toch wel eens zoiets; ik weet zeker dat ik wel eens zoiets gehoord heb,’ zei Phyllis.

‘Och, ja, kind, ze snijden ze door,’ zei Peter, ‘maar dat geeft hier immers niets! En we konden de draden toch niet doorkrijgen, al zaten we boven in zo’n paal. Maar we kunnen er niet eens zo hoog inklimmen ook. – Hadden we maar iets roods, dan zouden we op de lijn kunnen gaan staan en daarmee zwaaien.’

‘Maar de trein zou ons niet zien, voordat hij om de bocht was, en dan zou hij de hoop net zo gauw zien als ons,’ zei Phyllis; ‘nog veel beter, eigenlijk, want die is veel groter dan wij.’

‘Als we maar iets roods hadden,’ herhaalde Peter, ‘dan konden we in de bocht gaan staan en zo waarschuwen.’

‘Laten we in elk geval maar zo hard wuiven en met onze armen zwaaien als we kunnen,’ stelde Phyllis voor.

‘Och, dan denken ze natuurlijk dat wij het alleen maar zijn, net als altijd. Ze zijn er zo aan gewend. Maar in ieder geval moeten we toch naar beneden,’ zei Bobbie.

Ze klommen de moeilijke, steile rotstrapjes af, Bobbie met bleke wangen en trillende benen. Peter met vast op elkaar geklemde lippen. Het was net of zijn gezicht opeens magerder was geworden, dacht Bobbie. Phyllis zag vuurrood en had de pareltjes angstzweet onder de krulletjes op haar voorhoofd staan.

‘O, pf, wat heb ik het stikkend!’ zuchtte ze, ‘en ik dacht juist, dat het koud zou zijn. Hadden we maar niet onze fl…’ – ze hield plotseling op en vervolgde toen op geheel veranderde toon – ‘onze flanellen rokjes aan!’

Bobbie, al onder aan de trap, keerde zich opeens om.

‘Ja!’ juichte ze bijna; – ‘die zijn rood! Laten we ze gauw uittrekken.’

Zo gezegd, zo gedaan, en met hun rokjes in een rolletje onder de arm, draafden ze de spoorbaan op, om de berg van stenen, aarde en geknakte takken en boompjes heen. Ze holden zo hard ze konden, Peter voorop, maar de meisjes hem vlak op de hielen, en stonden niet eerder ademloos stil, voordat ze de bocht bereikt hadden, die de zandhoop – op het lange, rechte eind, dat erachter lag – aan het oog onttrok.

‘Ziezo,’ zei Peter, de grootste rok beetpakkend.

‘Je gaat hem toch niet -’ begon Phyllis, nog hijgend – ‘toch niet – kapotscheuren?’

‘Houd je mond!’ zei Peter kortaf.

‘O ja,’ zei Bobbie, ‘scheur hem maar gerust in repen als je wilt. Als we de trein niet kunnen ophouden, Phil, moet er immers wel een vreselijk ongeluk gebeuren, met mensenlevens te betreuren! Denk eens aan al de doden en gewonden! O, vreselijk! Hier, Peter, dat krijg je nooit kapot, door de band heen!’

Ze nam hem haar rok af en begon die vlak onder de band af te scheuren; toen die van Phyllis net zo.

‘Mooi!’ zei Peter, ook scheurend en elke rok in drieën delend. ‘Ziezo, dat zijn zes vlaggetjes’ – hij keek weer op zijn horloge – ‘en we hebben nog zeven minuten. Nu nog vlaggenstokken.’

Jongenszakmessen zijn haast altijd van een soort van staal, dat niet scherp blijft; de takken moesten dus van de struiken langs de baan afgebroken en afgerukt worden; twee gingen er met wortel en al uit. Toen ze er de bladeren afgestript hadden, zei Peter: ‘We moeten gaatjes in de vlaggen snijden en de lappen daaraan vastmaken.’

Het mes was gelukkig wel scherp genoeg, om er flanel mee te kunnen snijden. Twee van de vlaggetjes werden in een hoopje stenen vastgezet, tussen de dwarsliggers van het ene spoor. Daarop namen Phyllis en Roberta elk een vlaggetje, gereed het zo hard mogelijk te zwaaien, zodra de trein in het gezicht zou komen.

‘Ik mag er twee,’ zei Peter, ‘omdat ik het eerst bedacht heb: ‘als we maar wat roods hadden.’

‘Dat is flauw; het zijn onze rokken,’ begon Phyllis, maar Bobbie viel haar in de rede met: ‘Och, wat hindert het wie er een of twee zwaait, als we de trein maar kunnen redden.’

Misschien had Peter niet precies berekend hoeveel minuten de trein van 11.29 zou nodig hebben om van het station de plaats te bereiken waar zij op post stonden; misschien ook was de trein wat laat. In ieder geval viel hun de tijd verbazend lang.

Phyllis werd ongeduldig. ‘Ik denk dat dat horloge niet goed loopt en de trein allang voorbij is,’ zei ze.

Peter nam niet meer zo’n heldhaftige stand met zijn beide vlaggen in, als bij het begin, en Bobbie werd draaierig en gaperig van de lange spanning. Het scheen haar toe of ze daar wel een uur gestaan hadden met die smalle, kleine vlaggetjes die misschien toch niemand zien zou. De trein zou er zich helemaal niet aan storen. Hij zou hun voorbij, om de hoek vliegen, en te pletter lopen op die verschrikkelijke berg. En iedereen moest dan wel gedood worden. Haar handen werden ijskoud en beefden zo, dat ze nauwelijks haar stok kon vasthouden. Maar toen – daar hoorden ze op een afstand het gerommel en gedreun over de rails en steeg, nog heel in de verte, een wit stoomwolkje boven de bomen op.

‘Op jullie post!’ commandeerde Peter, ‘en zwaai maar als gekken! Zo gauw hij bij dat dikke brembosje is, ga je achteruit, maar blijven zwaaien. – Niet op de lijn staan, Bobbie!’

Ratelend en donderend naderde de trein, snel, heel snel.

‘Ze zien ons niet! O, ze zullen er niets van zien! Het geeft tóch niets!’ riep Bobbie in doodsangst.

De twee kleine vlagjes op de lijn zakten opzij, toen de naderende trein het hoopje stenen deed schudden en uit elkaar wijken. Een ervan kon niet langer overeind blijven en viel op de rails. Bobbie zag het, sprong naar voren, greep het weg en begon er als een razende mee te zwaaien; nu beefden haar handen niet meer.

‘Uit de weg toch, stomme eend!’ waarschuwde Peter, kwaad door zijn angst.

Het scheen wel dat de trein voortvlóóg; hij was nu vlakbij.

‘Het geeft niks!’ riep Bobbie nog eens.

‘Achteruit!’ schreeuwde Peter opeens, en hij rukte Phyllis aan haar arm weg.

Maar Bobbie antwoordde: ‘Nog niet, nog niet!’ en zwaaide haar twee vlagjes dwars voor de trein. De locomotief leek ontzaglijk en dreigend zwart, zo van voren gezien. Ze hoorden hem luid snuiven en puffen.

‘Houd op, och, toe, houd toch op! Houd toch op!’ gilde Bobbie, maar niemand hoorde haar. Tenminste Phyllis en Peter niet, want het gedaver van de trein overheerste het geluid van haar stem geheel. Maar Bobbie had later een verwarde voorstelling alsof de machine zelf haar moest gehoord hebben. Het leek werkelijk zo, want ze begon opeens haar vaart te temperen, ging al langzamer en langzamer en hield eindelijk stil, geen tien meter van de plaats waar Bobbies beide vlagjes over de lijn gezwaaid hadden. Hoewel ze de grote, zwarte locomotief zag stoppen, kon ze nog niet met wuiven ophouden, en terwijl de machinist en de stoker al van hun machine geklommen waren, en Peter en Phyllis hun in kleuren en geuren het verhaal vertelden van die vreselijke bergstorting daar juist om de hoek, stond Bobbie aldoor te zwaaien, maar steeds zwakker, met onregelmatige schokjes.

Toen de anderen naar haar omkeken, lag ze dwars over de rails, haar armen vooruit en de stokken met de kleine rode vlagjes nog krampachtig in haar handen geklemd.

De machinist nam haar op, droeg haar naar de trein en legde haar op de kussens van een eersteklascoupé.

‘Arme meid; flauwgevallen,’ zei hij. ‘Geen wonder ook! Ik zal even naar die zandhoop van jullie gaan kijken en jullie dan naar het station terugbrengen; daar kan beter voor je zusje gezorgd worden.’

Het was iets vreselijks Bobbie zo bleek en stil te zien liggen, met haar witte lippen een eindje van elkaar.

‘Zouden dode mensen er net zo uitzien?’ fluisterde Phyllis.

‘Houd je mond!’ zei Peter kortaf.

Terwijl ze angstig bij Bobbie op de rode kussens zaten, stoomde de trein terug, maar eer ze het station bereikten, had Bobbie gelukkig haar ogen opgeslagen en heel diep gezucht; daarna draaide ze zich op de bank om en begon te schreien. Dit monterde de anderen verwonderlijk op. Ze hadden haar meer zien schreien – maar flauwvallen nog nooit; dat was gelukkig ook nog nooit eerder gebeurd. En een poosje later, toen ze ophield, konden ze haar zelfs een beetje plagen dat ze zo laf was geweest.

Aan het station werd het drietal het middelpunt van een opgewonden menigte.

Al de prijsjes, die zij kregen voor hun ‘kloeke daad’, hun ‘verstandig overleg’, hun ‘vindingrijkheid’, waren meer dan genoeg om iemand het hoofd op hol te maken. Phyllis’ gezichtje straalde. Ze was nog nooit de heldin geweest en vond het een heel prettig gevoel. Peter kreeg zulke vreemde gloeiende oren, maar hij vond die drukte toch ook niets naar. Alleen Bobbie dacht: ‘Ik wou dat ze het niet deden.’ Zij was liefst dadelijk naar huis gegaan.

‘Jullie zult hier van de Maatschappij wel meer over horen,’ zei de Chef.

Bobbie wenste dat ze er nooit meer iets van zou hoeven te horen en trok Peter zachtjes aan zijn trui.

‘Och, toe, ga mee, ga nu mee! Ik wilde zo graag naar huis,’ verzocht ze.

Ze gingen dan ook, en toen ze het perron verlieten, hieven de Stationschef, de kruier, de conducteurs, de machinist, de stoker en de reizigers allen een luid ‘Hoera!’ aan.

‘O, hoor toch eens!’ zei Phyllis, ‘dat is voor ons!’

‘Ja,’ zei Peter, ‘ik ben toch blij dat ik bedacht had met iets roods te zwaaien.’

‘Gelukkig dat Bobbie en ik onze rode rokjes aanhadden!’ zei Phyllis. Bobbie zei niets. Ze moest nog telkens denken aan die afschuwelijke berg en aan die trein die daar maar zo onbezorgd op afvloog.

‘Wij hebben hem toch maar gered!’ zei Peter.

‘Zeg, Bobbie, wat vrééselijk hè, als al die mensen nou eens dood waren op het ogenblik!’ riep Phyllis, met een huivering van griezelig genot.

‘We zijn sneu van onze kersen afgekomen,’ zei Bobbie.

En de anderen vonden, dat ze er zich al heel weinig van aantrok.


Hoofdstuk 7: Voor Moed en Beleid

Ik hoop, dat jullie het niet vervelend vindt een heleboel over Roberta te horen. Eindelijk begin ik hoe langer hoe meer van haar te houden. Hoe meer ik van haar hoor en zie, hoe aardiger ik haar vind. Ik merk telkens van die kleine dingen in haar op, die mij aantrekken.

Zo was ze bijvoorbeeld altijd even verlangend iedereen een pleziertje te doen, en kon ze bijzonder goed een moeilijk geheim bewaren. Ook verstond ze de kunst een ander zo stilletjes te laten voelen, dat ze medelijden met hem had of aan hem dacht. Dat klinkt nu een beetje saai, is het niet? Maar het is toch niet zo saai als het klinkt. Het betekent dat iemand heel goed begrijpen en voelen kan, dat je verdriet of narigheid hebt, zonder je te hinderen door telkens te zeggen, hoe het haar spijt en hoe een medelijden ze wel met je heeft. – Die gaven bezat Bobbie. Ze wist, dat Moeder ongelukkig was – en dat Moeder hun de reden niet zeggen kon of wilde. Daarom was ze altijd maar zo lief voor Moeder als ze kon, zonder haar ooit door een woord te verraden, dat ze maar aldoor dacht: ‘Wat heeft Moeder toch; waarom is ze dikwijls zo verdrietig?’ Dat is niet makkelijk – lang niet zo makkelijk als jullie misschien wel denkt, maar ieder mens kan er zich in oefenen. Wat er ook gebeurde – en er kwamen telkens heel prettige, gezellige, gewone dingen voor: zoals picknicks, spelletjes, of iets lekkers bij de thee, had Bobbie toch altijd diezelfde gedachten bij zich: ‘Moeder heeft verdriet. Waarover toch? Ik wou, dat ik het wist. Maar Moeder spreekt er liever niet over. Dan zal ik er ook nooit naar vragen. Maar verdriet heeft ze! Waarover toch? Ik begrijp het niet. En Moeder wil niet – enzovoort.’ Het maalde haar soms door het hoofd als een deuntje, dat je maar niet kunt kwijtraken.

De Russische heer nam nog een groot deel van ieders aandacht in beslag. Al de uitgevers en secretarissen en leden van het Parlement hadden Moeders brieven zo beleefd mogelijk beantwoord, maar niemand wist enige inlichtingen te verstrekken over de vrouw en de kinderen van mijnheer Szezcpansky. (Had ik al verteld dat dit de typisch Russische naam van de Russische heer was?).

Bobbie had nog een eigenschap die verschillende mensen verschillend beschrijven zullen. Sommige zullen het noemen ‘zucht om zich met een andermans zaken te bemoeien’, en andere ‘grote hulpvaardigheid’, nog andere ‘onbaatzuchtige goedhartigheid’. In alle geval is het gevolg van die eigenschap dat je niets liever doet dan andere mensen helpen.

Bobbie pijnigde haar hersenen om iets te bedenken waardoor ze de Rus zou kunnen helpen bij het zoeken naar zijn vrouw en kinderen.

Hij had nu al een beetje Engels geleerd en kon ‘Goeiemorgen’ en ‘Goeienacht’ zeggen, en ‘Alstublieft’ en ‘Dank u’, en ‘Mooi!’ als de kinderen hem bloemen meebrachten en ‘Heel goed’, als je vroeg hoe hij geslapen had.

Hij glimlachte ‘zo vreselijk aardig en goedig’, vond Bobbie, als hij op zijn manier Engels sprak. Zij haalde zich telkens dat vriendelijke gezicht voor de geest, in de hoop dat het haar op een goede gedachte brengen zou, maar het hielp niets. Toch was ze maar blij dat hij er was, want ze zag dat het Moeder minder ongelukkig maakte.

‘Moeder vindt het prettig om nog iemand te hebben voor wie ze zorgen kan, behalve ons,’ zei Bobbie bij zichzelf. ‘Ik weet zeker dat ze het heel naar vond hem Vaders kleren te geven; akelig en toch tegelijk prettig ook misschien.’

Vele, vele nachten na die dag, waarop zij en Peter en Phyllis de trein voor een ontzettend ongeluk behoed hadden, door met hun rode vlagjes te zwaaien, werd Bobbie nog telkens gillend wakker, en lag ze in haar bed te beven, die neergestorte hoop steeds voor ogen, en die van niets wetende trein, die zijn plicht meende te doen door zo hard hij kon de bocht om te vliegen, overtuigd dat alles veilig en goed was. En dan kreeg ze altijd weer dat heerlijk warme getintel van blijdschap door haar hele lichaam, dat zij en Peter en Phyllis en hun rode onderrokken toch werkelijk al die mensen gered hadden.

Op een morgen kwam er een brief, die aan Peter, Bobbie en Phyllis geadresseerd was. Ze maakten hem met zenuwachtige haast open, want ze kregen niet dikwijls brieven, en lazen:

‘Aan
de moedige Redders van trein 179.’
Het is mij aangenaam u te mogen mededelen dat onze Maatschappij besloten heeft u een klein bewijs van erkentelijkheid te overhandigen, ter herinnering aan het beleid en de onverschrokkenheid, waarmee gij d.d. 17 dezer een dreigend ongeluk hebt afgewend, waarvan de gevolgen niet waren te overzien geweest. De aanbieding zal, indien u die tijd schikt, plaats hebben aan het station, de 30sten dezer maand, des namiddags om 3 uur.
Hoogachtend,
Namens de Directie der S.S.:
J. INGLEWOOD,
Secr.

Nooit in hun leven hadden de kinderen zo’n trots ogenblik beleefd. Ze vlogen naar Moeder met de brief, en toen die zei dat zij ook trots op hen was, waren ze nog gelukkiger.

‘Maar als ze jullie een cadeau in geld willen geven, moet je maar zeggen, dat je het heel vriendelijk vindt maar het toch liever niet aanneemt,’ zei Moeder. ‘Ik zal dadelijk jullie goede jurken gaan wassen, meisjes,’ voegde ze erbij, ‘je moet er netjes uitzien bij zo’n buitengewone gelegenheid.’

‘Phil en ik kunnen ze best zelf wassen,’ zei Bobbie, ‘als u ze dan maar strijkt, Moeder.’

Wassen is wel een ‘leuk’ werk, ik weet niet of jullie het ooit gedaan hebt. De kinderen mochten wassen in de bijkeuken waar een stenen vloer, een pomp en een flinke gootsteen was.

‘Laten we de kuip buiten op het straatje zetten,’ stelde Phyllis voor, ‘dan kunnen we spelen dat we echte wasvrouwen zijn, zoals Moeder ze in Frankrijk heeft gezien.’

‘Maar die wasten zo maar in de koude rivier,’ zei Peter, met zijn handen in zijn zakken, ‘niet in heet water.’

‘Nou, dan is dit maar een hete rivier,’ zei Phyllis. ‘Toe, help eens een handje met de kuip, dan voer jij ook wat uit.’

‘Een man helpt niet aan de was,’ zei Peter, maar hij hielp toch.

‘Ziezo, nu het wasbord en dan maar wrijven en spoelen, en spoelen en wrijven,’ zei Phyllis vrolijk rondspringend, terwijl Bobbie heel behoedzaam de zware ketel van het vuur tilde.

‘O, nee!’ riep Bobbie verontwaardigd, ‘je wrijft zo’n jurk niet op een wasbord! Je klopt flink wat zeep in het warme water tot het een lekker schuimend sopje is, en dan sla je het er luchtig door en druk je het telkens heel voorzichtig uit. Dan wordt het prachtig schoon; dikke, zware dingen, zoals lakens, die was je op een bord.’

De seringen en de Gloire de Dijons bij het raam bewogen in het zachte briesje.

‘Het is gelukkig een goede dag om de boel te drogen,’ zei Bobbie, die zich erg grootmensig voelde. ‘O, wat zullen we een raar gevoel krijgen als we die jurk aan hebben!’

‘Ja,’ zei Phyllis, ‘wel een beetje griezelig,’ en ze kneep ze, als een echte wasvrouw, luchtig uit.

‘Nu hoeven ze niet meer in schoon zeepsop, alleen maar opgespoeld – nee, niet wringen, Phil. Ik zal ze vasthouden, als Peter en jij dan de kuip leeggooien en er schoon water in doen.’

‘Een aanbieding – dat betekent natuurlijk dat we een cadeau krijgen,’ zei Peter, toen zijn zusjes, nadat ze de klampjes en de drooglijn goed hadden afgewreven, hun jurken ophingen. ‘Wat zou het zijn?’

‘Ja, dat is moeilijk te zeggen,’ zei Phyllis. ‘Weet je wat ik nou zo dol-, dólgraag zou hebben? – Een héél klein olifantje, maar dat kunnen ze moeilijk weten, hè?’

‘Misschien is het wel een gouden modelletje van een locomotief,’ bedacht Bobbie.

‘Of een groter model van het hele toneel van de afgewende ramp,’ zei Peter, ‘met een klein treintje en poppetjes, net zo aangekleed als wij, en de machinist en de stoker en al de reizigers.’

‘Vinden jullie het eigenlijk prettig?’ vroeg Bobbie, haar handen aan de keukenhanddoek afdrogend, die op een rol tegen de deur hing, ‘vinden jullie het prettig een beloning te krijgen, omdat we een trein gered hebben?’

‘Ja, natuurlijk,’ bekende Peter oprecht; ‘en jij hoeft ons niet wijs te maken dat jij het niet leuk vindt. Dat weet ik wel beter!’

‘Ja,’ zei Bobbie aarzelend. ‘‘t Is ook zo, maar vinden jullie toch eigenlijk niet, dat we blij moesten zijn dat we het gedaan hebben, en we verder niets moesten vragen.’

‘Wie heeft dan verder om iets gevraagd, gek kind?’ vroeg Peter. ‘Soldaten vragen toch ook niet om een ridderorde, maar daarom zijn ze wel blij als ze het krijgen! Misschien zijn het wel medailles. Als ik dan stokoud ben, laat ik het mijne aan mijn kleinkinderen zien, en dan zeg ik: “We deden niet meer dan onze plicht,” en dan zijn ze natuurlijk ontzettend trots op me.’

‘Dan moet je eerst trouwen,’ waarschuwde Phyllis, ‘anders kun je onmogelijk kleinkinderen krijgen.’

‘Nou, dat zal ik later ook wel dienen te doen,’ zei Peter, ‘maar het lijkt me vervelend, zo’n vrouw altijd en eeuwig om je heen te hebben. Ik denk dat ik maar met een somnambule trouw, of hoe heet zo’n mens dat altijd slaapt?’

‘En dan mag ze zeker alleen nu en dan even wakker worden om je te vertellen dat je het licht van haar leven bent. Ja, dat zou nog niet zo kwaad zijn,’ zei Bobbie.

‘Als ik trouw,’ zei Phyllis, ‘wil ik een man hebben die wil dat ik altijd wakker ben; dan kan ik hem telkens horen zeggen, hoe lief hij me vindt.’

‘Het lijkt mij prettig,’ zei Bobbie, ‘om met iemand te trouwen die heel arm is. Dan moest je zelf al het huiswerk doen, en dan zou hij vreselijk veel van je houden, als hij de blauwe rook zo uit de schoorsteen van de schamele woning zag opkronkelen, als hij ‘s avonds vermoeid thuiskwam en er alles gezellig vond. Maar toe – laten we nu een briefje terugschrijven, dat ons de dag en het uur heel goed schikken. Daar heb jij de zeep, Peter, wij zijn zo schoon als het maar kan. Haal dat doosje rose postpapier, Phil, van je verjaardag.’

Het duurde nogal een tijdje eer ze bedacht hadden, hoe ze het precies zouden schrijven. Moeder zat boven te werken en verscheiden velletjes rose papier, met uitgeschulpte gouden randjes en groene klavervieren in de hoeken, werden verknoeid, eer het drietal het erover eens kon worden, wat er eigenlijk op moest. Toen schreef elk op een apart velletje met zijn eigen naam ondertekend.

In die driedubbele brief kwam te staan:

Lieve Mijnheer Inglewood.
Ik dank u hartelijk. We hoefden geen beloning te hebben, want we deden het alleen maar om de trein te redden, maar we zijn toch wel blij dat u het wèl vindt, en we danken u dus vriendelijk. De tijd en de plaats vinden we best.
Uw lieve vriendinnetje (vriendje),
Dan volgde de naam, en daaronder nog eens:
P.S. Ik dank u nog wel.

‘Wassen is eigenlijk veel gemakkelijker dan strijken,’ zei Bobbie, terwijl ze de schone jurken van de lijn nam. ‘Ik vind het zo prettig als de dingen zo schoon worden. O – hoe zullen we het toch uithouden, tot we weten wat ze ons willen aanbieden!’

Toen het eindelijk de 30ste was – het leek pas een ontzettend lange tijd daarna – gingen de kinderen op het bepaalde uur naar het station. En alles wat er gebeurde was zó buitengewoon, dat het wel een droom leek. De Chef kwam hun al op het perron tegemoet en bracht hen in de wachtkamer, waar ze eens stomambachtje gespeeld hadden. Het zag er daar nu heel anders uit. Er was een karpet neergelegd, en er stonden potjes met rozen op de schoorsteenmantel en in de raamkozijnen, en er hingen takken groen, net als hulsttakken met Kerstmis, over de ingelijste reclameplaten van de lijn Hoek van Holland – Harwich en van de Paris – Lyon – Méditerranée. Behalve Perks, de kruier, waren er een stuk of drie dames in de wachtkamer en een hele massa heren, met hoge hoeden in de hand en deftige zwarte jassen aan; verder nog een groot deel van het stations- en spoorwegpersoneel. De kinderen herkenden verscheiden mensen, die op de gewichtige dag in de trein hadden gezeten. Allereerst hun eigen oude heer, die weer een heel andere jas en hoed en boord scheen aan te hebben dan al die andere heren.

Hij schudde hun de hand, en toen ging iedereen zitten en begon een heer met een bril op – later hoorden ze, dat het de Inspecteur van Weg en Werken was – een lange, lange speech – erg knap van hem! Ik zal die speech maar niet opschrijven. In de eerste plaats niet, omdat je het vervelend zoudt vinden, en in de tweede plaats, omdat de kinderen telkens zo moesten blozen onder de vleiende toespraak en zulke warme oren kregen, dat ik maar liever over dit gedeelte heenwip; en in de derde plaats, omdat de heer zoveel woorden gebruikte, om te zeggen, wat hij te zeggen had, dat ik heus geen tijd heb ze allemaal op te schrijven. Hij zei allerlei vriendelijkheden over de dapperheid en de tegenwoordigheid van geest van de kinderen, en toen het uit was, ging hij zitten en riep iedereen, in de handen klappend: ‘Bravo, bravo!’

Toen stond de oude heer op en zei ook allerlei dingen; het leek erg veel op een prijsuitdeling op school, en toen riep hij de kinderen beurt om beurt bij hun naam en gaf hun elk een mooi gouden horloge. En in die horloges stond gegraveerd, onder de naam van de eigenaar of eigenares:

‘Van de Directie der Staatsspoorwegen, uit erkentelijkheid voor haar (of zijn) moedig en verstandig gedrag op de 17de Juli 19…’

De horloges waren zo mooi als je ze maar met mogelijkheid verlangen kon, en elk had een keurig blauw leren etuitje, waar het thuis in kon liggen.

‘Nu moet jij ook een toespraak houden om iedereen te bedanken voor de vriendelijkheid,’ fluisterde de Chef Peter in en schoof hem al naar voren. Begin maar: ‘Dames en Heren.’

De kinderen hadden natuurlijk alle drie behoorlijk bedankt.

‘Ajakkes!’ zei Peter, maar hij bleef toch vooraan staan.

‘Dames en Heren,’ begon hij met een haperende stem. Daarop volgde een doodse stilte, waarin Peter zijn hart in zijn keel voelde kloppen. Toen vervolgde hij opeens met een vaartje: ‘Dames en Heren; het is ontzettend aardig van u allemaal, en we zullen de prachtige horloges ons hele leven goed bewaren – maar eigenlijk hadden we ze helemaal niet verdiend, omdat we eigenlijk toch niets bijzonders gedaan hebben – tenminste, ik bedoel, ziet u, we vonden het toch ook wel heerlijk om het te doen, maar wat ik nog zeggen wilde – we danken u alle drie heel, héél vriendelijk!’

De mensen klapten allemaal nog veel harder dan ze na de toespraak van de Inspecteur hadden gedaan, en toen wilde iedereen hun een hand geven, en zodra ze het doen konden, zonder onbeleefd te zijn, snapten ze weg en holden de heuvel op naar Spoorzicht, ieder met zijn horloge in de hand.

Het was een zeldzame en heerlijke dag – een dag zoals ze in een mensenleven maar hoogst zelden voorkomen, en in de meeste mensenlevens helemaal nooit.

‘Ik had zo graag nog over iets gepraat met onze oude heer,’ zei Bobbie, ‘maar ik durfde niet, het was er zo vol en zo plechtig; net als in de kerk.’

‘Wat wilde je hem dan gevraagd hebben?’ vroeg Phyllis.

‘Dat zal ik je wel vertellen, als ik er eerst nog eens goed over gedacht heb,’ zei Bobbie. En toen ze er nog eens heel goed over gedacht had, schreef ze een brief.

‘Lieve oude meneer. – Ik zou u toch zo erg graag eens iets vragen. Kunt u wel eens uit de trein stappen en met de volgende verder gaan? Dat zou lang genoeg zijn. Het is niet omdat we weer iets willen hebben. – Moeder heeft gezegd dat dat nooit meer mocht, en we hebben ook geen dingen nodig, ziet u. Het is alleen maar iets over een banneling.
Uw lieve vriendinnetje
Bobbie.’

Ze verzocht de Chef haar brief aan de oude heer te overhandigen en vroeg Peter en Phyllis de volgende dag met haar naar het station te gaan, tegen de tijd waarop de oude heer altijd uit Londen terugkwam.

Toen ze hun verteld had wat ze van plan was, vonden ze het prachtig bedacht.

Ze hadden alle drie hun gezichten en handen gewassen en hun haar opgeborsteld, zodat ze er keurig netjes uitzagen in hun eigen ogen. Maar Phyllis, die altijd ongelukken had, kreeg op het laatste ogenblik een heel glas limonade over haar jurk. Er was geen tijd meer om een schone aan te trekken, en daar de wind kwam van de kant van het kolendepot, was de jurk gauw bestoven met donkergrijs poeder, dat op de limonadevlekken vastkleefde, en haar er deed uitzien ‘als een smerig straatkind’, zoals Peter verontwaardigd zei.

Er werd daarom besloten dat ze zich zoveel mogelijk achter de anderen zou schuilhouden.

‘Misschien ziet onze oude heer het wel niet,’ zei Bobbie. ‘Oude mensen zijn meestal slecht van gezicht.’

De oude heer verried echter geen spoor van zwakheid, zowel wat zijn gezicht als wat iets anders betrof, toen hij vlug en flink uit de trein stapte en het perron op keek.

Nu het erop aankwam, kregen de kinderen alle drie dat beklemmende gevoel van verlegenheid, dat zo opeens door je heen vliegt, je oren gloeiend, je handen klam en het puntje van je neus rood en glimmend maakt.

‘O,’ zei Phyllis, ‘mijn hart bonst als een hamer, net onder mijn ceintuur.’

‘Onzin!’ zei Peter, ‘iemands hart zit niet onder zijn ceintuur!’

‘Dat kan best zijn,’ zei Phyllis, ‘maar het mijne wel.’

‘Als je soms wilt praten zoals in gedichten staat, zeg dan “mijn hart wordt toegeknepen van angst” of zoiets.’

‘Mijn hart zinkt me in de schoenen, dat kan ik je wel zeggen,’ zei Roberta; ‘maar kom nu gauw mee, hij zal wel denken dat we idioten zijn.’

‘Dan is hij niet ver van de waarheid,’ zei Peter somber, terwijl ze voortstapten om de oude heer te begroeten.

‘Zo jongelui,’ zei hij, hun de hand gevend. ‘Het doet me plezier jullie weer eens te zien.’

‘Erg aardig van u, dat u uit is gestapt,’ zei Bobbie, rood en warm van verlegenheid, maar beleefd.

Hij trok haar arm in de zijne en nam hen mee naar de Algemene Wachtkamer.

‘En?’ vroeg de vriendelijke oude heer, terwijl hij Bobbies arm een bemoedigend drukje gaf, voor hij die losliet. ‘En? Wat had je me te vragen, beste meid?’

‘O, of u alstublieft -’ begon Bobbie.

‘Ja?’ zei de oude heer.

‘Ik wilde u zo graag eens vragen -’ zei Bobbie.

‘Juist?’ zei de oude heer.

‘U bent altijd zo vriendelijk voor iedereen, en – maar -’ begon Bobbie opnieuw.

‘Maar?’ herhaalde de oude heer.

‘Ik wou, ik wou u zo graag eens wat vertellen -’ zei ze, weer ophoudend.

‘Vertel het dan eens,’ zei de oude heer.

‘Ziet u,’ begon Bobbie – en daar kwam het hele verhaal los van de ongelukkige Rus, die dat mooie, goede boek geschreven had en die daarvoor in de gevangenis geworpen en naar Siberië verbannen was.

‘En nu zouden we toch zo dol, dolgraag zijn vrouw en zijn kinderen voor hem terugvinden,’ zei Bobbie, ‘maar we kunnen maar niet bedenken hoe. Maar omdat u zo heel knap bent – anders kon u toch geen Directeur van het spoor zijn – dacht ik, als u er eens iets aan doen kon – en wilde? Dat zouden we nu nog veel liever willen dan alle andere dingen. We zouden onze horloges graag terug willen geven, als u die misschien verkopen kon en met dat geld zijn vrouw en zijn kinderen kon opsporen.’

Dat zeiden de twee anderen ook, hoewel niet met zoveel vuur.

‘Hm,’ zei de oude heer, zijn wit vest met vergulde knopen aftrekkend; ‘hoe zei je ook weer dat zijn naam was – Zevenpanskij?’

‘Nee, nee,’ zei Bobbie ernstig. ‘Ik zal het eens voor u opschrijven. Je schrijft het héél anders dan je het uitspreekt. Heeft u misschien een potloodje en de achterkant van een enveloppe?’ vroeg ze.

De oude heer haalde een gouden zakpotlood tevoorschijn en een mooie portefeuille van Russisch leer, die heerlijk rook, en sloeg een schoon blaadje voor haar open.

‘Hier,’ zei hij, ‘schrijf het hier maar op.’

Bobbie schreef ‘Szezcpanskie’ en zei: ‘Zo schrijf je het, maar je zègt Sjeepanskie.’ Toen nam de oude heer een gouden bril uit een bruin huisje, en zette die secuur op zijn neus, en zodra hij de naam gelezen had, riep hij verrast uit: ‘Die man? Grote Goedheid, dan heb ik zijn boek gelezen! Het is in alle talen van Europa vertaald – een mooi boek, een nobel boek! En heeft je moeder hem in haar huis opgenomen als de barmhartige Samaritaan? Wel, wel! Ik zal jullie eens wat zeggen, jongelui: ik geloof dat jullie een puikbeste moeder hebt, is het niet?’

‘Natuurlijk!’ zei Phyllis verwonderd.

‘En u bent een puikbeste man,’ zei Bobbie, dood-confuus, maar vastbesloten beleefd te zijn.

‘U vleit me,’ zei de grappige oude heer, terwijl hij met een edele zwier zijn hoed afnam. ‘En zal ik je nu eens vertellen wat ik van jullie vind?’

‘O, alstublieft niet,’ zei Bobbie haastig. ‘Als het iets lelijks is, wilde ik maar liever niet dat u het zei, en als het iets aardigs is, wilde ik toch ook maar liever niet dat u het zei.’

De oude heer begon te lachen.

‘Nu, dan zal ik alleen maar zeggen dat ik heel blij ben dat jullie me dit kwamen vragen; héél blij. En het zou mij niet verwonderen als ik binnenkort iets voor hem te weten kon komen. Ik ken verscheiden Russen in Londen, en iedere Rus kent hém bij naam. Maar vertel me nu eens alles van jullie zelf.’

Hij keerde zich naar de anderen, maar er was nog maar één andere; Phyllis was verdwenen.

‘Vertel me nu eens wat over jullie zelf,’ zei de oude heer tegen Peter, waarop Peter, heel begrijpelijk niets wist te antwoorden.

‘Kom, dan zullen we eens examentje spelen,’ zei de oude heer. ‘Jullie gaat met je beidjes hier op de tafel zitten en ik op de bank voor jullie.’

Toen begon hij te vragen en kwamen er allerlei bijzonderheden voor de dag – de naam en de betrekking van hun vader – hoe lang ze op Spoorzicht gewoond hadden en nog van allerlei.

De examinator begon ten slotte allerlei grappige vragen te doen, als: ‘Wat is zwaarder een pond lood of een pond veren?’ en ‘Hoeveel appels gaan er in een mud?’ toen de deur van de wachtkamer door een laars werd opengeschopt, waar de veter los bij hing, en Phyllis heel langzaam, heel voorzichtig binnenkwam.

In de ene hand droeg ze een grote tinnen kan en in de andere een dikke gesmeerde boterham.

‘Voor u!’ kondigde Phyllis vol trots aan, terwijl ze de oude heer de kan en de boterham toestak.

‘Dat is geen gekheid! Is het heus voor mij?’

‘Ja,’ zei Phyllis.

‘Erg lief van je, dat je zo voor mij zorgt, hoor,’ zei de oude heer. ‘Erg lief.’

‘Maar Phyllis,’ zei Bobbie, ‘je had toch wel een kopje en een bordje kunnen krijgen!’

‘Perks drinkt altijd thee uit een bierkan,’ zei Phyllis met een kleur. ‘Ik vond het al erg aardig van hem dat hij het mij gaf, zonder kopje of bordje,’ voegde ze erbij.

‘Ja, dat vind ik ook,’ zei de oude heer, en hij dronk wat van de thee en proefde het brood even.

En toen was het tijd voor de volgende trein, en na een hartelijk afscheid met veel handen-gegeef en gewuif en goeie-reis-geroep, reed hij weg.

‘Nou,’ zei Peter, toen ze alleen op het perron waren achtergebleven en de trein om de hoek verdween, ‘ik geloof zeker, dat dát een goed idee van ons geweest is, Bob! Wie weet hoe gauw we een vreugdevuur voor onze Rus kunnen aansteken.’

En dat was ook zo.

Geen tien dagen later zaten de kinderen boven op het hoogste rotsblok in het veld om de trein van 5.15 door de vallei te zien wegstomen. Ze zagen ook de reizigers, die aan hun station waren uitgestapt de steile weg naar het dorp opzwoegen – en ze zagen hoe één van hen de grote weg verliet, om het hekje open te maken, dat, dwars door het veld, naar Spoorzicht, en naar niets anders, voerde.

‘Wie komt daar aan!’ riep Peter, van de rots glijdend.

‘Laten we eens gauw gaan kijken,’ stelde Phyllis voor.

Dat deden ze, en toen ze dicht genoeg genaderd waren om de wandelaar te kunnen herkennen, zagen ze dat het hun eigen oude heer was. Zijn knopen flikkerden in de namiddagzon en zijn wit vest leek witter dan ooit tegen het groene veld.

‘Daag!’ riepen de kinderen, uit alle macht wuivende.

‘Daag!’ riep de oude heer terug, met zijn hoed zwaaiend.

Toen zette ons drietal het op een lopen, en toen ze bij hun vriend kwamen, hadden zij bijna geen adem genoeg om hem behoorlijk goedendag te zeggen.

‘Ik breng goed nieuws,’ zei hij. ‘Ik ben de vrouw en kinderen van jullie Rus op het spoor, en ik kon de verzoeking niet weerstaan het hem zelf te komen vertellen.’

Doch een blik op Bobbies gezicht overtuigde hem, dat hij die verzoeking toch wél weerstaan kon.

‘Komaan,’ zei hij tegen haar, ‘ga jij eens gauw vooruit om het blijde nieuws over te brengen, dan zullen de beide anderen mij de weg wijzen.’

Bobbie draafde weg, maar toen ze hijgend de gelukkige tijding had meegedeeld aan de Rus en aan Moeder die rustig in de tuin zaten; toen Moeders gezicht opeens zo stralend blij werd, en ze haastig een paar Franse woorden met de banneling wisselde, toen wenste Bobbie dat zij het nieuws maar liever niet gebracht had. Want de Rus sprong op met een kreet, die Bobbies hart eerst deed bonzen en toen stilstaan – een kreet van blijdschap en verlangen, zoals ze nog nooit gehoord had. Daarna greep hij Moeders hand en kuste die zacht en eerbiedig – en toen viel hij achterover in zijn stoel, sloeg de handen voor het gezicht en snikte.

Bobbie sloop stilletjes weg. Ze wilde de anderen liever maar niet dadelijk zien.

Maar toen het lange, lange Franse gesprek tussen Moeder, de oude heer en de vreemdeling eindelijk uit was, was ze even blij als al de anderen. De meisjes zetten de theeboel in de tuin klaar en Peter holde naar het dorp om krentenbroodjes en koekjes te halen.

De oude heer was enig aardig en opgewekt en had allerlei vrolijke grapjes. Hij kon bijna tegelijk Frans en Engels praten, en Moeder kon het haast even goed. Het was een heerlijke middag! Moeder wist maar niet hoe ze de oude heer haar dankbaarheid genoeg zou tonen en ze zei dadelijk ja, toen hij vroeg of hij ‘zijn jonge vriendjes’ wat ‘bonbons’ mocht geven.

Dat woord kenden de kinderen niet, maar ze dachten wel dat het lekkers betekende, want hij haalde voor elk een mooie doos, met groene lintjes dichtgebonden, uit zijn reistas, en die dozen waren vol fijne chocola: verschillende laagjes boven elkaar.

Toen de geringe bezittingen van de Russische schrijver gepakt waren, brachten ze hem allemaal naar het station.

Daarop wendde Moeder zich tot de oude heer en zei: ‘Ik weet niet hoe ik u zal danken voor alles wat u gedaan hebt. Het is me een groot genoegen geweest u eens gesproken te hebben, maar wij leven hier hoogst eenvoudig en afgezonderd, en ik kan u tot mijn spijt niet vragen, of u uw bezoek nog eens herhalen wilt.’

Dat vonden de kinderen nu niets aardig. Nu hadden ze een vriend – en hoe een vriend nog wel! – en nu mocht hij nooit meer terugkomen!

Wat de oude heer hier zelf wel van dacht, konden ze niet uitmaken. Hij zei alleen maar: ‘Mevrouw ik acht het een groot voorrecht, eenmaal in uw huis te zijn ontvangen.’

‘Ik weet,’ zei Moeder, ‘dat ik u onvriendelijk en ondankbaar moet toeschijnen – maar -’

‘U kunt nooit anders dan de aangenaamste indruk achterlaten,’ zei de oude heer ernstig, met een van zijn ouderwetse deftige buigingen.

Toen ze de heuvel weer opgingen keek Bobbie Moeder eens aan.

‘Wat ziet u er moe uit, Moes,’ zei ze, ‘wilt u mijn arm?’

‘Nee, ik zal Moeder een arm geven!’ riep Peter, ‘want ik ben de man, als Vader weg is.’

Moeder nam een arm van hen allebei.

‘Wat leuk, hè Moeder!’ zei Phyllis, die vrolijk vooruithuppelde, ‘dat die aardige Russische meneer nu vanavond zijn verloren vrouw weer terugvindt en zijn kinderen kussen kan. De baby zal al een heel eind gegroeid zijn sedert hij haar gezien heeft!’

‘Ja,’ zei Moeder.

‘Het zal me eens benieuwen of Vader vindt, dat ik gegroeid ben, als hij terugkomt,’ vervolgde Phyllis, allerlei bokkesprongen makend. ‘Ik ben nu al gegroeid, is het niet, Moeder?’

‘Ja,’ zei Moeder, ‘o, ja zeker,’ en Bobbie en Peter voelden, dat haar handen zwaar op hun armen drukten.

‘Arme oude Moes, is u zo moe?’ vroeg Peter.

Bobbie zei: ‘Kom Phil, vooruit; wie het eerst bij het hekje is!’

En ze rende achter Phyllis aan, hoewel ze in niets minder lust had op dat ogenblik.

Je weet wel, waarom Bobbie het deed, is het niet? Moeder dacht, dat Bobbie dat langzaam lopen verveelde. Zelfs moeders, die toch meer van je houden dan ooit iemand anders op de hele wereld doen zal, begrijpen je wel eens verkeerd.


Hoofdstuk 8: De Amateur-Brandweer

‘Dat is een aardig speldje dat u daar voor hebt, jongejuffrouw,’ zei Perks de kruier. ‘Ik weet niet dat ik ooit een ding gezien heb, dat zó precies op een boterbloem leek en toch geen boterbloem was.’

‘Ja, hè?’ zei Bobbie, blozend van blijdschap over zijn bewondering. ‘Ik vond vroeger altijd dat het nog meer op een boterbloem leek, dan een echte, en ik had nooit gedacht dat het eenmaal van mij zou worden, hélemaal van mij – maar Moeder heeft het mij voor mijn verjaardag gegeven.’

‘O, bent u jarig geweest?’ vroeg Perks, zo verrast, alsof jarig-zijn iets was, wat maar enkele bevoorrechte stervelingen te beurt viel.

‘Ja,’ zei Bobbie; ‘wanneer is het jouw verjaardag, Perks?’

De kinderen gebruikten hun middagthee bij Perks in het kruierskamertje, te midden van lampen, oliekannen en dienstregelingen. Ze hadden hun eigen kopjes en een paar boterhammetjes met jam meegebracht. Perks zette zijn thee, zoals altijd, in een bierkan en ze vonden het alle vier even prettig en genoeglijk.

‘Mijn verjaardag?’ zei Perks, en hij schonk nog een beetje donkerbruine thee in Peters kopje. ‘Ik had al geen verjaardag meer, voordat jullie geboren waren.’

‘Maar Perks, jij moet ook eens op een dag geboren zijn, is het niet?’ vroeg Phyllis nadenkend, ‘al is het twintig jaar geleden – of dertig, of zestig, of zeventig.’

‘Nee, zolang nog niet, jongejuffrouw,’ zei Perks grinnikend. ‘Als u het precies weten wilt, het is tweeëndertig jaar geleden, de vijftiende van deze maand.’

‘Maar waarom zorg je dan niet dat hij gevierd wordt?’ vroeg Phyllis.

‘Ik heb wel wat anders om voor te zorgen,’ zei Perks kortaf.

‘Waar dan voor?’ vroeg Phyllis nieuwsgierig.

‘Voor mijn wijf en onze vier blagen.’

Dit gesprek had een diepe indruk op de kinderen achtergelaten. Perks was toch feitelijk hun allerbeste vriend. Niet zo deftig als de Stationschef – maar dan ook veel genaakbaarder – niet zo machtig en invloedrijk als de oude heer, maar je kon dan ook vrijer met hem praten.

‘Vreselijk voor hem, dat niemand zijn verjaardag helpt vieren, hè?’ zei Bobbie, onder het naar huis lopen. ‘Zouden wij niet eens iets kunnen doen?’

‘Laten we naar de brug gaan en het daar bepraten,’ stelde Peter voor. ‘Ik heb vanmorgen een vislijn van de brievenbesteller gekregen; hij gaf hem me voor een paar rozen voor zijn meisje. Ze is ziek.’

‘Hè, dan kon je hem die rozen toch wel zó – voor niets hebben gegeven,’ riep Bobbie verontwaardigd.

‘Och, kom, vind je dat!’ zei Peter op een sarrende toon en met zijn handen in zijn zakken.

‘Hij hééft ze zo gegeven,’ zei Phyllis driftig. ‘Toen we hoorden dat ze ziek was, gingen we dadelijk een boeketje plukken, en toen wachtten we de post aan het hekje op. Het was toen jij het brood voor het ontbijt roosterde. En toen hij ons verschrikkelijk dikwijls bedankt had – veel vaker dan hij hoefde – haalde hij de lijn uit zijn zak en gaf hem aan Peter. Ze ruilden niet, hij gaf hem maar uit dankbaarheid.’

‘O, neem me niet kwalijk, Peter,’ verzocht Bobbie. ‘Het spijt me toch zo dat ik dat dacht.’

‘Ik vergeef het je,’ zei Peter grootmoedig. ‘Ik wist wel dat het je spijten zou.’

Ze liepen dus naar de Kanaalbrug van waaraf ze gehoopt hadden te kunnen vissen, maar hun lijn was niet lang genoeg.

‘Dat is niets,’ zei Bobbie. ‘Laten we hier blijven zitten kijken; het is hier overal zo mooi.’

Dat was het. De zon ging gloeiend rood onder over de grijze en purperen heuvels, en het kanaal lag – glad en blank als metaal – in de schaduw; geen rimpeltje plooide de oppervlakte. Het liep als een grijs satijn lint tussen de donkergroene fluwelen glooiingen van de met gras bedekte oevers.

‘Het is erg mooi,’ zei Peter, ‘maar ik kan altijd veel beter zien hoe mooi of iets is, als ik wat te doen heb. Laten we naar beneden gaan naar het jaagpad en daar vissen.’

Maar Phyllis en Bobbie herinnerden zich nog maar al te goed hoe de jongens op de schuiten hen met stukken steenkool gegooid hadden en dat zeiden ze ook.

‘Onzin!’ zei Peter. ‘Er zijn nu toch geen jongens! En als ze komen, zal ik wel met hen vechten.’

Peters zusjes waren zo beleefd hem niet te herinneren dat hij niet met de jongens gevochten had, toen die de laatste keer gesmeten hadden.

Ze zeiden alleen maar. ‘Nu, goed dan,’ en begonnen voorzichtig langs de steile helling af te dalen. Het aas dat Peter in zijn zak had, werd behoedzaam aan het haakje gedaan, en een half uur lang wachtten ze geduldig, maar zonder beet te krijgen. Geen enkel visje raakte zelfs maar even aan het lokaas, om hun hoop te verlevendigen.

De zes ogen waren in spanning op het trage water gericht, dat er zo onschuldig uitzag alsof het werkelijk geen enkel voorntje verborgen hield, toen een luide, ruwe schreeuw hen plotseling verschrikt deed opzien.

‘Heidaar!’ klonk de schreeuw, zo hard en onaangenaam mogelijk, ‘willen jullie wel eens maken dat je wegkomt.’

Een oud wit paard was langs het jaagpad tot op een paar meter afstands van de kinderen genaderd. Ze sprongen overeind en klommen haastig tegen de wal op.

‘Als ze voorbij zijn, glijden we weer naar beneden,’ zei Bobbie.

Maar helaas, de schuit bleef, zoals de schuiten dikwijls doen, onder de brug liggen.

‘O, jé, ze gaat ankeren,’ zei Peter, ‘dat is vervelend.’

De schuit ging niet ankeren, want een anker behoort niet tot de inrichting van een trekschuit, maar werd van voren en van achteren met touwen vastgemeerd aan het remmingswerk van de brug en aan de meerpalen die in de wal waren geslagen.

‘Wat hoef je zo brutaal te kijken?’ grauwde de schipper nijdig.

‘We kijken niet brutaal,’ zei Bobbie. ‘Waarom zouden we zo onbeleefd zijn.’

‘Niet onbeleefd?’ zei de man. ‘Lieve kinderen zijn jullie! Maak dat je wegkomt!’

‘Maak zelf dat je wegkomt,’ riep Peter dapper. Hij bedacht juist wat hij gezegd had van met die jongens te zullen vechten, en buitendien voelde hij zich heel veilig op de wal. ‘We hebben net zoveel recht hier te staan als ieder ander.’

‘Zóó – heb je dat?’ zei de man. ‘Och, kom, dat zullen we dan eens zien, mannetje.’ En met een paar stappen over het dek komend, liet hij zich vlug van de roef afglijden.

‘O, toe gauw, Peter, laten we weglopen!’ riepen Bobbie en Phyllis in doodsangst.

‘Ik niet,’ antwoordde Peter standvastig, ‘maar doen jullie het maar, dat is best.’

De meisjes krabbelden hijgend tegen de helling op en bleven boven aan staan, om, zodra hun broer buiten gevaar was, naar huis te hollen. De weg naar Spoorzicht liep aldoor af, en ze waren alle drie bazen in het hardlopen, wat de schipper stellig wel niet zou zijn. Hij zag er veel te dik en te rood en te vlezig voor uit.

Maar zodra zijn voeten het jaagpad raakten, merkten de kinderen dat ze hem verkeerd beoordeeld hadden.

Met één sprong was hij een flink eind tegen de helling op, greep Peter bij een been, trok hem naar beneden, schudde hem ruw door elkaar, zette hem toen overeind en zei bars, terwijl hij hem bij een oor vasthield: ‘Nou, baasje, wat heb je nou te vertellen, hè? Weet je soms niet dat dit water verpacht is en je geen recht hebt hier vis te vangen – zeg? En wat betekent die brutaliteit?’

Later was Peter er altijd trots op dat hij, terwijl de vingers van de woedende schipper in zijn oor knepen, zijn dik vuurrood gezicht zo dicht bij Peter kwam dat hij de warme adem voelde – tóch had durven zeggen: ‘Ik heb geen vis gevangen!’

‘Jouw schuld zeker, hè, ondeugende aap!’ zei de schipper, Peter aan het oor trekkend, niet zo héél hard, maar Peter voelde het toch goed.

Peter zweeg: het wijste dat hij doen kon. Boven, achter de afrastering stonden Bobbie en Phyllis, springend van ongeduld, angstig naar beneden te kijken. Maar nu kroop Bobbie plotseling onder het ijzerdraad door en gleed met zo’n vaart naar beneden, naar Peter, dat Phyllis, die wat langzamer volgde, niet anders verwachtte dan dat haar zusje in het water zou terechtkomen. En dat zou ook gebeurd zijn, als de schipper niet juist bijtijds Peters oor had losgelaten en haar in zijn sterke armen had opgevangen.

‘Wilde jij er je ook mee bemoeien?’ vroeg hij bars, terwijl hij haar op haar voeten plantte.

‘O,’ zei Bobbie ademloos. ‘Ik wilde niet – ik bedoelde niets. – Och toe, laat Peter toch gaan. We wisten werkelijk niet dat het jouw kanaal was; het spijt ons erg en we zullen hier nooit meer vissen.’

‘Maak maar gauw dat je wegkomt – alle drie!’ zei de schipper.

‘Ja, ja,’ snikte Bobbie, ‘maar heus, we wisten het niet, en we hebben geen enkele vis gevangen. Als het zo was, zouden we hem eerlijk teruggeven.’

Ze hield hem haar handen voor en Phyllis keerde de zak in haar jurk binnenste buiten, om te laten zien, dat ze geen enkele vis verborgen hielden.

‘Goed,’ zei de schipper, iets zachter gestemd, ‘vooruit dan maar; maar pas op, als ik jullie hier weer snap!’

De kinderen krabbelden haastig tegen de helling op.

‘Geef me eens gauw mijn buis, Marie!’ riep de man naar boord, en een roodharige vrouw in een groengeruite sjaal kwam, met een klein kindje op haar arm, uit de roef tevoorschijn en wierp hem een jas toe. Hij trok die aan, klom tegen de glooiing op en slungelde met grote passen de brug over naar het dorp.

‘Je kunt me in De Gekroonde Valk vinden, als de jongen slaapt,’ riep hij haar, van de brug af, toe.

Toen hij uit het gezicht was, kwamen de kinderen langzaam terug. Peter drong erop aan.

‘Het kanaal mag dan zijn eigendom zijn,’ zei hij, ‘- maar ik geloof het nog niet – de brug is toch van iedereen. Dr. Forrest heeft het me zelf verteld, en ik ben niet van plan mij van de brug te laten jagen, noch door hem, noch door een ander, dat verzeker ik je.’

Peters oren deden nog pijn, en hij voelde zich nog gekrenkt over de behandeling van de schipper.

Als trouwe volgelingen liepen de meisjes hem na, hoewel ze er niets geen lust in hadden.

‘Ik wou dat je nu maar niet weer begon,’ zeiden ze. ‘O, zijn jullie bang?’ vroeg Peter, ‘laat me dan maar alleen. Ik ben niks bang.’

Langzaam stierf het geluid van de voetstappen van de schipper weg langs de stille weg. Het vreedzame van de avond werd verhoogd door het gefluit van de rietzangers en de stem van de schippersvrouw, die haar kindje met een heel treurig liedje in slaap zong.

Met de armen over de brug geleund, keken de kinderen naar de schuit; ze waren dankbaar dat ze eens een paar minuten stil konden staan, omdat hun harten veel harder klopten dan prettig was.

‘Ik laat me niet door zo’n oude trekschipper wegjagen, wat denk je!’ riep Peter strijdlustig.

‘Natuurlijk niet,’ zei Phyllis kalmerend, ‘maar je bent immers ook niet voor hem weggelopen! Vind je dan eigenlijk niet dat we nu net zo goed naar huis konden gaan?’

‘Nee,’ zei Peter.

Er werd niet meer gesproken, totdat de vrouw van de schuit sprong, tegen de helling opklom en de brug op kwam.

Naar de ruggen van de drie kinderen kijkend, aarzelde ze even en kuchte toen een paar maal.

Peter veranderde niet van houding, maar de meisjes zagen om.

‘Jullie moet je maar niet te veel aantrekken van wat mijn man gezegd heeft,’ zei de vrouw; hij blaft altijd harder dan hij bijt; maar de kinderen daar beneden Farley, zijn zo beestachtig brutaal, die hebben hem vandaag zo kwaad gemaakt met hun gejouw en getreiter. Ze schreeuwden hem na, of hij die dode hond had opgegeten die onder de Marlose brug lag.’

‘En wie had het gedaan?’ vroeg Phyllis.

‘Dat weet ik niet – niemand,’ zei de schippersvrouw. ‘Maar Bill komt nu in de eerste twee uur stellig niet thuis, en in die tussentijd kunnen jullie een hele vracht vis vangen; het licht is er nou juist ook mooi voor,’ voegde ze erachter.

‘Dank u wel, juffrouw,’ zei Bobbie vriendelijk. ‘Waar is het kindje nu?’

‘Dat slaapt in de roef,’ zei de vrouw. ‘De jongen ligt best; hij wordt nooit voor twaalf uur wakker; die is zo geregeld als een torenklok.’

‘Hè!’ zei Bobbie teleurgesteld; ‘ik wilde hem zo graag eens van dichtbij gezien hebben.’

‘Je kon ook niet licht een mooier kind zien, jongejuffrouw, al zeg ik het zelf,’ en het gezicht van de vrouw straalde, terwijl ze het zei.

‘Ben je niet bang om het zo maar achter te laten?’ vroeg Peter.

‘Welnee,’ zei de vrouw; ‘wie zou nu zo’n klein ding kwaad doen? En Spot is aan boord; die past er wel op.’

Ze knikte en liep door.

‘Zullen we nu naar huis gaan?’ vroeg Phyllis.

‘Jij kunt gaan, voor mijn part, maar ik ga vissen,’ zei Peter kortaf.

‘En ik dacht dat we hierheen waren gegaan, om over Perks zijn verjaardag te praten,’ zei Phyllis.

‘O, Perks zijn verjaardag loopt niet weg!’

Ze daalden dus weer af naar het jaagpad, waar Peter begon te vissen, maar hij ving niets.

Het werd bijna helemaal donker; het begon de meisjes hard te vervelen en het was ook al, zoals Bobbie waarschuwend gezegd had, óver bedtijd, toen Phyllis opeens riep: ‘Wat is dát!’

Ze wees naar de schuit. Uit het schoorsteentje van de roef was al de hele tijd een rookkolommetje opgestegen dat langzaam in de zachte avondlucht naar boven kronkelde, – maar nu drongen er vrij dikke rookwolken uit de deur van de roef.

‘Er is brand – dat is alles,’ zei Peter kalm. ‘Zijn verdiende loon!’

‘Hè, hoe kun je dat nu zeggen,’ riep Phyllis verwijtend. ‘Denk eens aan die arme hond.’

‘Het kindje!’ gilde Bobbie.

In een ogenblik vlogen ze alle drie naar de schuit.

De meertouwen hingen slap, en het zachte briesje, nauwelijks krachtig genoeg om het te voelen, bleek toch krachtig genoeg te zijn geweest om de schuit met het stuur naar de wal te drijven. Bobbie was voorop, daarna volgde Peter, die in de modder slipte en viel. Hij ging tot aan zijn hals in het water en voelde toen nog geen grond onder zich, maar hij kon gelukkig de rand van de schuit pakken en Phyllis greep hem bij zijn haren. Het deed flink pijn, maar het hielp wel. In het volgend ogenblik stond hij op het dek en Phyllis naast hem.

‘Jij niet!’ schreeuwde hij Bobbie toe; ‘ik, want ik ben nat!’

Hij trok Bobbie terug van het deurtje en stootte haar ruw opzij; als het onder het spelen was gebeurd, zou Bobbie stellig tranen van pijn en woede hebben geschreid. Maar nu – hoewel ze over het luik van het vooronder viel en ze een knie en een elleboog gevoelig schaafde – riep ze alleen: ‘Nee – jij niet – laat mij!’ en ze vloog overeind, weer op de deur toe, maar toch nog niet vlug genoeg.

Peter was al twee treden afgestapt van het kleine trapje dat in de roef voerde en werd dadelijk in een dikke rookwolk gehuld. Hij stond even stil, trachtte zich alle dingen te binnen te brengen die hij wel eens over branden gehoord had, trok zijn natte zakdoek uit zijn zak en bond die voor zijn mond. Terwijl hij hem uithaalde, riep hij Bobbie toe: ‘‘t Heeft niet veel te betekenen; geen vuur te zien.’

Dat was een goede inval van Peter, hoewel hij dacht dat hij een onwaarheid zei. Hij hoopte er Bobbie door buiten het gevaar te houden, maar het hield haar niet terug.

Een rode gloed verlichtte het kamertje; in het midden hing een petroleumlamp in een oranje mist.

‘Heila!’ riep Peter, zijn zakdoek even oplichtend. ‘Heila, Baby, waar lig je?’ Hij stikte bijna in de rook.

‘O, laat mij erin!’ riep Bobbie, vlak achter hem. Peter duwde haar terug, nog ruwer dan tevoren, en stapte tastend verder.

Wat er gebeurd zou zijn, als het kind niet was beginnen te schreien, weet ik niet – maar gelukkig, juist op dat ogenblik begon het te schreien. Peter ging op het geluid af en voelde al heel gauw iets zachts en warms en levends, greep het stevig beet en liep achteruit naar de deur, waarbij hij tegen Bobbie aanbonsde, die vlak achter hem stond en nog haast struikelde over de hond; het dier trachtte haar in de benen te bijten, wilde toen blaffen, maar kreeg de rook in de keel.

‘Ik heb het kind,’ zei Peter, terwijl hij, zijn zakdoek afrukkend, half bedwelmd op het dek stapte.

Bobbie deed een greep naar de plek, waar ze het benauwde geblaf gehoord had, en voelde de dikke rug van een gladharig hondje, dat dadelijk zijn tanden in haar hand zette, maar heel, héél zacht, alsof het zeggen wilde: ‘Ik moet je wel bijten, omdat ik geen indringers op mijn meesters schuit mag toelaten, maar ik weet dat je het goed meent en daarom zal ik ook niet echt bijten.’

Bobbie liet Spot op het dek los.

‘Brave hond,’ zei ze. ‘Toe Peter, geef mij nu het kindje; jij bent zo nat, het kon wel eens kouvatten.’

Peter deed niets liever dan het wonderlijke kleine bundeltje dat zo spartelde en schreide, aan andere handen over te geven.

‘Zo,’ zei Bobbie het kind tegen zich aandrukkend, ‘loop jij nu zo hard je kunt naar De Gekroonde Valk, Peter, om het hun te vertellen, dan passen Phil en ik op die kleine schat. Stil maar, lieve kleine snoes, ssh – ssh! Gauw dan Peter, hol!’

‘Ik kan niet voort in die natte dingen,’ zei Peter, ‘ze zijn zo zwaar als lood. Ik kan onmogelijk vlugger dan gewoon lopen.’

‘Laat mij er dan maar heenvliegen,’ zei Bobbie. ‘Spring jij op de wal, Phil, dan zal ik je het kleine ding aangeven.’

De baby werd heel voorzichtig overgereikt, en Phyllis ging in het gras zitten om hem te sussen. Terwijl Peter nog bezig was het water zo goed en zo kwaad dit ging, uit zijn mouwen en broekspijpen te wringen, was Bobbie al een heel eind de lange, schemerdonkere weg afgedraafd, die naar De Gekroonde Valk voerde.

In De Gekroonde Valk is een aardige ouderwetse kamer, waar schippers en hun vrouwen ‘s avonds hun glaasje bier drinken en hun boterhammen met kaas roosteren, om een soort van ijzeren mand vol gloeiende kolen, die een eind de gelagkamer inspringt onder een grote schoorsteenkap – zo’n warme, aardige en gezellige schoorsteen, als ik nooit ergens anders gezien heb.

Er zat een heel schippersgezelschap om het kolenvuur. Misschien lijkt het jullie niet prettig toe, maar zij vonden het wel; want het waren allemaal vrienden en kennissen onder elkaar, die hetzelfde taaltje spraken en van dezelfde soort van dingen hielden, en dat is toch maar het geheim van gezellig bij elkaar zijn. Bill, de schipper die de kinderen zo bars en onaangenaam hadden gevonden, scheen bij zijn kameraads juist buitengewoon in de smaak te vallen. Hij deed een verhaal van het verven van zijn schuit en van de onrechtvaardigheid, waarmee hij bij die gelegenheid behandeld was.

‘Nou, en toen kreeg ik de boodschap: “schilder hem van binnen en van buiten – zonder kleur of wat ook te noemen – zie je? Best – ik ga dus de stad in, haal een flinke pot met groene verf, en schilder hem van voor tot achter netjes groen, en ik verzeker je dat-ie er fijn uitzag! Maar jawel, daar komt hij aanzetten en hij zegt: “Waarom moet dat allemaal één kleur zijn?” zegt-ie. En ik zeg, nou zeg ik, “dat is nogal glad; omdat ik groen een mooie kleur voor een schuit vind, en daar blijf ik bij,” zeg ik zo. Toen zegt-ie: “Zo vind jij dat? Nou dan mag jij dat mooie groen van je eigen centen betalen,” zegt-ie. En ik heb het moeten doen ook!’

Een algemeen gemompel van verontwaardiging en sympathie ging om de vuurpot rond, plotseling onderbroken door het binnenstormen van Bobbie. Ze had de draaideur opengeduwd en riep ademloos: ‘Waar is Bill? Ik moet Bill de schipper hebben!’

Er volgde een pijnlijke stilte. Bierpullen bleven halverwege de tafeltjes en de dorstige monden als in verstijving steken.

‘O,’ zei Bobbie, blij dat ze de schippersvrouw in het oog kreeg en naar haar toegaande: ‘De roef van de schuit – in brand. Ga toch gauw mee!’

De vrouw sprong op en drukte haar ruwe rode hand tegen haar middel, links, waar je je hart altijd voelt als je schrikt of verdriet hebt.

‘O, onze kleine jongen!’ riep ze met een stem die Bobbie door alles heenging. ‘Onze lieve kleine jongen!’

‘Die is veilig,’ zei Bobbie, ‘hebben hem eruitgehaald – hond ook.’ Ze had haast geen adem meer, maar kon nog alleen zeggen: ‘Ga mee – helemaal in brand.’

Toen viel ze op een bank tegen de muur neer en trachtte weer op adem te komen, maar het was haar of het bonzen van haar hart en de steek in haar zij nooit weer zouden overgaan.

Eer Bill de schipper, log en langzaam overeind gekomen, goed begrepen had wat er eigenlijk aan de hand was, vloog zijn vrouw al een paar honderd meter voor hem uit de weg op. In minder dan geen tijd was ze de brug over en bij Phyllis die koud en rillerig aan het kanaal zat te wachten. Ze gleed onder het ijzerdraad door, rolde half de helling af en greep Phyllis met een ruk het kind van de schoot.

‘Hè, wat jammer,’ zei Phyllis verwijtend; ‘hij was juist zo lekker in slaap.’

Bill volgde enige minuten later en sloeg een taal uit die de kinderen niet eens goed begrepen. Hij sprong op het dek, putte gauw enige emmers water, waarbij Peter hem hielp, en had het smeulende vuur in een ommezien gedoofd, terwijl Phyllis, de schippersvrouw met haar kind, en even later Bobbie ook – dicht op elkaar aan de oever gezeten – ernaar keken.

‘Onze lieve Heer help me, als ik iets heb achtergelaten dat in brand kon raken,’ zei de vrouw telkens weer.

Maar ze was er onschuldig aan. Bill had zijn pijp uitgeklopt en een paar vonken op het vloerkleedje laten vallen, dat een tijdlang gesmeuld en eindelijk vlam gevat had. Hij was een streng en een driftig, maar ook een rechtvaardig man, en hij gaf zijn vrouw niet de schuld van wat hij zelf misdaan had, zoals veel schippers, en ook andere mannen, gewoon zijn te doen.

Moeder was half radeloos van angst, toen de drie kinderen eindelijk op Spoorzicht aankwamen, alle drie bijna even nat; het scheen wel dat Peter aan de anderen had afgegeven.

Maar toen ze de waarheid als het ware had losgewikkeld uit hun drukke, verwarde en onsamenhangende verhalen, gaf ze toe dat ze heel goed gehandeld hadden, ja, onmogelijk anders hadden kunnen doen. Ook maakte Moeder niets geen bezwaar tegen de hartelijke invitatie van de schipper, die bij het afscheid gezegd had: ‘Zorg jullie maar dat je hier morgenochtend prompt om zeven uur bent, dan zal ik je helemaal meenemen, heen en terug Farley; zonder dat het jullie een cent hoeft te kosten. Negentien sluizen door!’

Ze wisten wel niet wat sluizen waren, maar ze stonden natuurlijk vóór zevenen op de brug, met boterhammen met kaas, een halve ontbijtkoek en een groot stuk schapenbout in een mandje, bij zich.

Het was een héérlijke dag! Het oude witte paard voor de schuit gespannen, deed haar zacht en gelijkmatig door het stille water glijden. De lucht boven hen was helder blauw, en Bill zo vriendelijk als iemand maar met mogelijkheid zijn kan. Niemand zou gedacht hebben dat hij dezelfde man was, die Peter zo aan het oor had getrokken. Wat Bills vrouw betreft, die was altijd aardig geweest, net als het schipperskindje en Spot, die hen toch wel erg had kunnen bijten de vorige avond.

‘Het was gewoon énig, Moeder,’ verklaarde Peter, toen ze ‘s avonds thuiskwamen, heel vrolijk, heel moe en héél vuil. ‘We zijn zo maar over dat grote aquaduct gevaren. En de sluizen! – ja, u weet natuurlijk wat dat zijn. Ziet u, je zakt eerst almaar door naar de diepte en eindelijk, als je denkt: zouden we nu zo maar zo door blijven zakken, gaan er langzaam, heel heel langzaam, twee grote, zware deuren open – je vaart eruit, en – dan ben je opeens weer in het Kanaal, net als tevoren.’

‘Ik weet het wel,’ zei Moeder. ‘Op de Theems zijn ook sluizen. Vader en ik roeiden dikwijls bij Marlowe, voordat we getrouwd waren.’

‘En dat schattige, kleine kindje, Moeder!’ zei Bobbie: ‘Het wilde wel altijd bij mij op schoot zitten; het was een snoes, een dot, hè Phyllis? O, Moeder, ik wou dat wij ook nog zo’n klein broertje hadden om mee te spelen!’

‘En iedereen was zo aardig tegen ons,’ vertelde Phyllis; ‘iedereen, wie we ook tegenkwamen. En ze zeiden dat we net zoveel mochten vissen, als we maar wilden. Bill zal ons eens wijzen hoe, zodra hij weer deze kant uitkomt. Hij zegt dat we niet goed wisten, hoe we precies doen moesten.’

‘Dat jij het niet goed wist,’ verbeterde Peter, ‘en, Moeder, hij heeft gezegd dat hij aan al de schippers op het Kanaal vertellen zou, dat wij van het goeie soort waren en ze ons als vrienden moesten behandelen, want dat we dat ook waren.’

‘En toen heb ik gezegd,’ viel Phyllis in, ‘dat we dan altijd een rood lint om onze arm zouden doen als we gingen vissen, dan konden ze zien dat wij het waren en dat we goeie vrienden waren, dan konden ze aardig tegen ons zijn.’

‘Dus, ik zie wel, dat jullie weer een nieuw soort vrienden hebt gemaakt,’ zei Moeder; ‘eerst aan de spoorbaan en nu op het Kanaal!’

‘O, ja,’ zei Bobbie, ‘maar ik geloof eigenlijk dat alle mensen op de hele wereld vrienden van je zijn, als je hun maar eerst kunt laten zien dat je niet graag onvrienden bent.’

‘Misschien heb je wel gelijk,’ zei Moeder en ze zuchtte. ‘Kom, kinderen, naar bed, het is meer dan tijd.’

‘Ja,’ zei Phyllis. ‘O, hemel – en we gingen eigenlijk naar de brug om te bepraten, wat we op Perks zijn verjaardag zouden doen. En nu hebben we er helemaal niet over gesproken.’

‘Nee,’ zei Bobbie, ‘geen enkel woord, maar Peter heeft dat schattige schippersjongetje gered; dat is toch wel genoeg voor één avond.’

‘Jij zou hem ook gered hebben, als ik je niet terug had geduwd – tweemaal,’ erkende Peter ridderlijk.

‘Maar ik zou het niet goed gedaan hebben!’ riep Phyllis, ‘als ik maar geweten had hoe.’

‘Ja,’ zei Moeder, ‘jullie hebben die ouders het leven van hun kind gered; dat is zeker genoeg voor één avond. O, mijn lieve, lieve jongens, ik dank God, dat ik jullie alle drie behouden heb!’


Hoofdstuk 9: De Trots Van Perks

Het was aan het ontbijt, en Moeders gezicht stond bijzonder opgewekt, toen ze de havermout opschepte en er de melk bijschonk.

‘Ik heb weer een verhaal verkocht, jongens,’ zei ze, ‘dat van de Koningskinderen, ik trakteer dus bij de thee, vanmiddag. Ga straks maar naar het dorp om krentenbroodjes, als ze warm uit de oven komen. Tegen elven, is het niet?’

Peter, Phyllis en Bobbie wisselden blikken van verstandhouding met elkaar; zes blikken in het geheel. Toen zei Bobbie: ‘Moeder, vindt u goed, dat we de krentenbroodjes nu niet krijgen, maar op de vijftiende? Dat is aanstaande donderdag.’

‘Ik vind het best, kind,’ zei Moeder, ‘maar waarom dan juist?’

‘Omdat het dan de verjaardag van Perks is,’ zei Bobbie: ‘hij wordt tweeëndertig, en hij zegt dat hij zijn verjaardag niet meer viert, omdat zijn ouwe en de blagen hem te veel geld kosten.’

‘Je meent zijn vrouw en kinderen,’ verbeterde Moeder.

‘Ja,’ zei Phyllis, ‘maar eigenlijk is dat toch precies hetzelfde, hè?’

‘En nu wilden we zijn verjaardag eens vieren,’ vertelde Peter. ‘Hij is altijd zo verbazend aardig voor ons geweest, en hij kan zulke moppige verhalen vertellen, en nou hadden we afgesproken dat we u, als u weer trakteerde, zouden vragen, of we het voor de vijftiende mochten bewaren.’

‘Heel aardig bedacht,’ zei Moeder, ‘maar lijkt het jullie niet nog aardiger om dan zijn naam op de krentenbroodjes te zetten met rose suiker?’

‘Perks,’ zei Peter, ‘is niet zo’n erg mooie naam.’

‘Zijn voornaam is Albert,’ zei Phyllis; ‘dat heb ik hem eens gevraagd.’

‘Dan konden we er A.P. op zetten,’ zei Moeder; ‘ik zal je eens wijzen hoe, als het zover is.’

Dat was nu allemaal heel goed en heel aardig, maar zes krentenbroodjes, elk van twee en halve cent, met A.P. erop in rose suiker, zijn nog niet voldoende om een verjaarsfeest te vieren.

‘We nemen natuurlijk ook bloemen mee,’ zei Bobbie later, toen ze werkelijk ernstig raad belegden op de hooizolder, waar de kapotte strosnijmachine stond, en die rij gaten in de vloer was, waardoor je hooi in de ruiven van de paarden daaronder, kon gooien.

‘Hij heeft zelf bloemen genoeg,’ zei Peter.

‘Maar het is tóch altijd prettig om ze te krijgen,’ zei Bobbie, ‘al heb je er ook zelf nog zoveel. We kunnen er van allerlei mee versieren, maar dan moeten we ook nog wat anders hebben, behalve krentenbroodjes.’

‘Laten we allemaal eens heel rustig en diep denken,’ stelde Phyllis voor. ‘Niemand mag een woord zeggen eer hij wat bedacht heeft.’

Ze zaten dus alle drie heel rustig, ja zó stil dat een oude bruine rat, menend dat er niemand meer op de zolder was, heel brutaal tevoorschijn kwam. Maar toen Bobbie niesde, vloog ze verontwaardigd weg; een vliering waar zulke ongepaste dingen gebeurden, was geen verblijfplaats voor een deftige rat van middelbare leeftijd, die van een rustig leven hield.

‘Hoera!’ riep Peter opeens, ‘ik weet wat!’ Hij sprong op en schopte in het losse hooi.

‘Wat dan?’ vroegen de anderen nieuwsgierig.

‘Wel, Perks is zo vriendelijk voor iedereen, ik wed dat er een hoop mensen in het dorp zijn, die wel iets willen bijdragen om zijn verjaardag te vieren. Als we eens rondgingen en het iedereen vroegen!’

‘Maar Moeder heeft gezegd dat we niemand meer om dingen moesten vragen,’ zei Bobbie in tweestrijd.

‘Nou ja, voor ons zelf natuurlijk, niet voor andere mensen. Ik vraag onze oude meneer ook om iets, dat zul je eens zien,’ zei Peter.

‘Zouden we er niets eerst met Moeder over spreken?’ stelde Bobbie voor.

‘Och, waarom zullen we Moeder toch met al die kleine nonsens-dingen lastig vallen,’ zei Peter, ‘ze heeft het toch al zo druk. Kom mee. Als we dadelijk naar het dorp gaan, kunnen we nu nog beginnen.’

Peters voorstel werd aangenomen, maar de eerste bij wie ze aanklopten, de oude juffrouw in het Postkantoortje, zei dat ze niet inzag, waarom er nu juist zoveel notitie van Perks’ verjaardag behoefde genomen te worden.

‘Nee,’ zei Bobbie, ‘we zouden ook liefst willen dat álle mensen een prettige verjaardag hadden, maar we weten nu toevallig wanneer de zijne is.’

‘Het is wat moois!’ zei de oude juffrouw, ‘ik ben morgen jarig, maar denk je dat dáár iemand om denkt? Kom ga maar door, alsjeblieft!’

De kinderen gingen teleurgesteld verder.

Maar ze troffen het ook dikwijls beter; de een ontving hen vriendelijk, de ander nors; sommigen gaven een kleinigheid, anderen lieten hen met lege handen trekken. Het is niet gemakkelijk iets te gaan vragen, zelfs niet al doe je het voor anderen. Misschien heb je dit ook wel eens ondervonden.

Toen de kinderen thuiskwamen en optelden wat ze gekregen hadden en wat hun was toegezegd, merkten ze toch dat het voor de eerste dag nog zo kwaad niet was. Peter legde er lijsten van aan, in het notitieboekje waar de nummers van de locomotieven ook in stonden. De lijsten waren:

Gegeven:
Een tabakspijp uit de lekkerswinkel.
Een half pond thee van de kruidenier.
Een wollen das (een beetje verschoten) van de manufacturenwinkel; eigenlijk dezelfde winkel als van de kruidenier.
Een opgezette eekhoorn van de dokter.

Beloofd:
Een stuk vlees van de slager.
Zes verse eieren van de oude vrouw in het tolhuisje.
Een stuk honing in de raat en zes veters van de schoenmaker en een ijzeren schop van de smid.

Al heel vroeg de volgende morgen stond Bobbie op en riep Phyllis. Het was een afspraakje; ze hadden er Peter niets van gezegd, omdat ze dachten dat hij het gek zou vinden. Maar later, toen alles goed was afgelopen, vertelden ze hem wat ze gedaan hadden.

Ze sneden een groot boeket rozen af en legden die in een mandje met het naaldenboekje dat Phyllis voor Bobbies verjaardag gemaakt had, en nog een mooi blauw lint van Phyllis. Toen schreven ze er een papiertje bij waarop stond: ‘Voor juffrouw Ransome. Hartelijk gefeliciteerd. Een prettige verjaardag!’ stapten naar het dorp, het postkantoor binnen, zetten het mandje op de tafel en vlogen weg, voordat de oude juffrouw tijd had in het kantoortje te komen.

Thuis vonden ze het ontbijt op tafel. Peter had het helpen klaarzetten en Moeder ondertussen van hun plannen verteld.

‘Er steekt natuurlijk niets in,’ zei Moeder, ‘maar het hangt er toch erg van af, hoe jullie het aanpakt. Als Perks nu maar niet denkt, dat jullie hem beweldadigen wilt. Arme mensen zijn meestal heel trots zoals je weet.’

‘Maar we doen het toch niet omdat hij arm is, maar omdat we hem aardig vinden,’ zei Phyllis.

‘Als jullie vast en zeker denkt, dat je Perks niet beledigt, zal ik wat kleren bij elkaar zoeken waar Phyllis uitgegroeid is,’ zei Moeder. ‘Hij is altijd zo vriendelijk voor jullie geweest, dat ik graag iets doe; veel kan het niet zijn helaas, omdat we zelf arm zijn. Wat schrijf je daar, Bobbie?’

‘Och, niets bijzonders,’ zei Bobbie, die iets zat op te krabbelen. ‘Ik wed stellig dat hij de kleren graag hebben wil.’

De morgen van de vijftiende werd heel prettig doorgebracht; eerst moesten de kinderen naar het dorp voor de krentenbroodjes en toen zaten ze ernaar te kijken hoe kunstig Moeder er de A.P.’s op maakte met rose suiker. Je weet zeker wel hoe het gaat? Eerst klop je een paar eiwitten heel stijf, doet daar wat vruchtensuiker en een paar druppeltjes cochenille door, en dan maak je een zakje van een stukje wit papier, met een klein gaatje onderaan en schept daar het rose eiwit in. Het loopt dan heel langzaam uit het puntje, net of het een heel dikke pen is vol suiker-en-eiwitinkt.

De broodjes zagen er prachtig uit met die rose A.P.’s erop, en terwijl ze even in een lauwe oven werden gezet om de suiker stijf te doen worden, gingen de kinderen weer naar het dorp, nu om de honing en de schop en de andere beloofde dingen te halen.

De oude juffrouw uit het Postkantoortje stond op haar drempel, en de kinderen knikten haar goedendag toen ze voorbijgingen.

‘Kom eens even hier!’ riep ze hen toe.

Ze kwamen bij haar.

‘Die prachtige rozen -’ begon ze.

‘Vond u ze niet mooi?’ vroeg Phyllis. ‘Ja, we hadden ze ook net geplukt. Het naaldenboekje had ik gemaakt, maar het was eigenlijk van Bobbie.’ Ze stond van blijdschap te trippelen, terwijl ze de uitleg gaf.

‘Hier is het mandje terug,’ zei de oude juffrouw, in het kantoortje gaande waar het klaar stond. Het was vol dikke, rode kruisbessen.

‘Ik dacht zo, dat Perks zijn kinderen daar wel veel van zouden houden,’ zei ze.

‘Wat aardig van u!’ riep Phyllis haar armen om het dikke middel van de juffrouw slaande. ‘Wat zal Perks dáár blij mee zijn!’

‘Niet half zo blij, als ik was met dat mooie naaldenboekje en het dasje en de mooie rozen en alles,’ zei de oude juffrouw, terwijl ze Phyllis op de schouder klopte. ‘Jullie zijn lieve kinderen, dat zijn jullie. Maar luister eens. Ik heb nog een kinderwagen achter in het houtschuurtje staan. We kochten hem indertijd voor het meisje van onze Emmie, maar de kleine werd niet ouder dan een half jaar, en ze heeft er nooit meer een gehad. Nou zou ik die wel graag aan juffrouw Perks cadeau doen. Het zou haar zo goed te pas komen met die zware jongen van haar. Willen jullie hem meenemen?’

‘Nou!’ riepen de kinderen, alle drie tegelijk.

Toen juffrouw Ransome het wagentje tevoorschijn gehaald, er de papieren, waarin het voorzichtig bewaard stond, afgehaald en het netjes afgestoft had, zei ze: ‘Ziezo, neem hem nu maar mee! Ik had hem haar eigenlijk wel veel eerder kunnen geven, als ik eraan gedacht had. Maar ik wist toch ook niet, of ze hem wel van me had willen aannemen. Jullie moet haar maar vertellen dat hij van het kindje van onze Emmy geweest is -.’

‘Wat prettig, hè, dat er nu weer eens een echt, levend kindje in zal komen!’ riep Phyllis.

‘Ja,’ zei juffrouw Ransome met een zucht en een glimlach. ‘Wacht, ik zal jullie nog wat pepermuntballetjes voor de kleintjes meegeven, en maak dan maar gauw dat je wegkomt, of ik geef jullie de kleren van mijn lijf en het dak boven mijn hoofd nog mee.’

Al de schatten die ze voor Perks verzamelden, werden in het wagentje gelegd, en om half vier reden Peter, Bobbie en Phyllis het naar het kleine grijze huisje waar Perks woonde.

Het huisje zag er keurig uit. Op de vensterbank stond een potje met wilde bloemen: grote madelieven, rode zuring en bevertjes.

Achter uit het washok kwam een plassend geluid en een half gewassen jongen stak zijn hoofd om de deur.

‘Moeder trekt zich om,’ zei hij.

‘Ik kom direct beneden!’ klonk een stem van boven, langs de schoongeboende trap.

De kinderen wachtten verlangend. Daar kraakte de trap en gleed juffrouw Perks naar beneden, haar japonlijf nog dichtknopend. Ze had haar haar glad en strak naar achteren gekamd en haar gezicht glom van de zeep.

‘Ik was een beetje laat, jongejuffrouw,’ begon ze tegen Bobbie, ‘ik heb alles een extra beurt gegeven, omdat Perks er toevallig van de week van gesproken had dat hij jarig was. Ik begrijp niet hoe hij er zo bij kwam. We onthouden de verjaardagen van de kinderen natuurlijk wel, maar die van hem en van mij – daar zijn we toch te oud voor, tenminste in onze stand.’

‘Wij wisten ook dat het zijn verjaardag was,’ zei Peter, ‘en we hebben buiten in de kinderwagen wat cadeautjes voor hem meegebracht.’

Juffrouw Perks wist niet wat ze hoorde en stond met open mond te kijken, terwijl de bezoekers uitpakten. Toen alles was uitgestald, bracht ze de kinderen erg aan het schrikken door plotseling op een matten stoel neer te vallen en in tranen los te barsten.

‘Och toe, niet doen, juffrouw!’ verzochten de meisjes, en Peter voegde er, misschien wel wat ongeduldig achter: ‘Wat is dát nou! U vindt het toch niet naar!’

Juffrouw Perks snikte maar door. De kleine Perksjes, nu zo helder gepoetst als iemand maar wensen kon, stonden om de deur van het washok met boze gezichtjes naar de vreemde indringers te gluren. Er ontstond een akelige, benauwende stilte.

‘Vindt u het niet plezierig?’ vroeg Peter weer, terwijl zijn zusjes juffrouw Perks op de rug klopten.

En even plotseling als ze begonnen was, hield ze op met schreien.

‘Och, let er maar niet op,’ zei ze. ‘Er scheelt me niets. Of ik het niet plezierig vind? Wel lieve kinderen, Perks heeft nog nooit in zijn leven zo’n mooie verjaardag gehad, zelfs niet toen hij nog een jongen was bij zijn oom thuis, die een graanhandel had en eigen zaken deed. Later ging hij over de kop. Plezierig? Nou!’ – en toen praatte ze maar aan één stuk door en zei allerlei vriendelijke dingen, die ik maar niet opschrijf, omdat ik zeker weet dat Bobbie en Peter en Phyllis dat niet prettig zouden vinden. Hun oren werden almaar warmer en hun wangen roder, van al de aardige en dankbare dingen die juffrouw Perks zei. Ze voelden dat ze al die lof lang niet verdiend hadden.

Eindelijk zei Peter: ‘Nou, we zijn heel blij dat u alles zo mooi vindt, maar als u zo doorgaat, lopen we weg; en we wilden zo graag blijven, om te zien of Perks zelf ook blij is.’

‘Dan zal ik er geen woord meer over zeggen,’ zei juffrouw Perks met een stralend gezicht, ‘maar wat ik denk, kan ik niet helpen, hè? Want als ik ooit….’

‘Wilt u ons wel een bord voor de krentenbroodjes geven?’ vroeg Bobbie opeens. En toen begon juffrouw Perks gauw de tafel te dekken en werden de krentenbroodjes en de honing en de kruisbessen op borden en schaaltjes uitgestald, en de rozen kwamen in twee jampotten te staan, en toen zag de theetafel eruit ‘om een Koning op te onthalen,’ zoals juffrouw Perks betuigde.

‘Het is zonde,’ zei ze. ‘dat een mens nou toevallig juist alles zo gauw mogelijk aan kant moest maken en de kinderen uitsturen om wat bloemen in het veld te plukken, en nou dit nog allemaal! Nee, maar! wie had kunnen denken, dat hij nog wat anders zou krijgen dan een ons van zijn beste merk, dat ik zaterdagavond al voor hem meegebracht en goed bewaard heb. En kijk eens – daar is hij zelf al!’

De kinderen hoorden werkelijk de klink van het tuinhekje gaan.

‘O!’ fluisterde Bobbie gejaagd, ‘laten we ons gauw in de bijkeuken verstoppen, dan kunt u hem van alles vertellen. Maar dan moet u hem het allereerst de tabak geven, want dat is uw present. En als hij dan alles bekeken heeft, dan komen wij binnen en roepen: ‘Wel gefeliciteerd!’

Het was een mooi plannetje, maar het viel niet gelukkig uit. Om te beginnen was er nauwelijks tijd voor Peter en Bobbie en Phyllis om in het washok te vluchten, waarbij ze de verschrikte kleine Perksjes naar achteren moesten dringen; en de deur kon niet meer behoorlijk gesloten worden, zodat ze wel alles moesten horen wat er in de keuken voorviel. Het was meer dan nauwelijks in het hokje, met de Perksjes en de kinderen van Spoorzicht, en daarbij nog de gewone inhoud van het hok, zoals een grote wasketel en een mangel.

‘Allemachtig, ouwe!’ hoorden ze Perks zeggen. ‘Wat een tafel vol!’

‘Het is ook je verjaardag, Bert,’ zei juffrouw Perks, ‘en hier is een ons van je lekkerste tabak. Ik heb het zaterdag al gekocht, ter ere van je verjaardag.’

‘Jij bent de beste!’ zei Perks opgewekt en er klonk iets als een kus.

‘Maar wat betekent die kinderwagen hier? En al die pakjes? En waar heb je dat lekkers vandaan, en -’

De kinderen konden niet verstaan wat juffrouw Perks antwoordde, want juist op dat ogenblik stootte Bobbie de anderen verschrikt aan en fluisterde: ‘O, wat vreselijk! Wat zullen we doen? Ik heb vergeten er de papiertjes bij te leggen, en nu weet hij natuurlijk niet wat en van wie het is. Als hij nu maar niet denkt, dat hij het allemaal van ons heeft, en dat we zo blufferig wilden doen of zo weldadig tegen hem zijn.’

‘Stil toch!’ waarschuwde Peter.

En toen hoorden ze de stem weer van Perks die boos zei: ‘Dat bevalt me niks; ik houd niet van die aardigheden, dat zeg ik je ronduit.’

‘Maar,’ voerde juffrouw Perks aan, ‘het is van die kinderen, waar je altijd zo’n groot woord van hebt – je weet wel die van “Spoorzicht”.’

‘Het kan me niks schelen,’ zei Perks beslist, ‘al had een engel uit de hemel het hier gebracht. We hebben het toch al die jaren klaargespeeld, zonder gunsten of aalmoezen te vragen! Ik zeg je, ik ben niet van zins nou te beginnen met aalmoezen aan te nemen; nou niet en in der eeuwigheid niet!’

‘Stil toch!’ smeekte de arme juffrouw Perks. ‘Houd toch in ‘s hemelsnaam je mond Bert. Ze zitten alle drie in het washok en kunnen alles verstaan.’

‘Mij best, dan zal ik ze iets geven, waar ze naar luisteren kunnen,’ zei de verwoede Perks. ‘Ik heb hun wel eens meer de waarheid gezegd, en ik zal het nu met alle plezier nog eens doen,’ en met twee grote passen op het washok toestappend, smeet hij de deur wijd open – tenminste, zo wijd het kon, met al die op elkaar gepakte kinderen erachter.

‘Kom jullie daar eens uit, alsjeblieft!’ verzocht Perks streng, ‘en vertel me eens wat dat te betekenen heeft, zeg? Heb ik ooit tegen jullie geklaagd, dat je me nou met jullie bedeling in huis hoeft te komen?’

‘Hè!’ riep Phyllis boos. ‘We dachten nog wel dat je het zó aardig zou vinden; maar nu zal ik nooit in mijn leven meer vriendelijk voor iemand proberen te zijn! Nee, nooit, nooit meer!’

Ze barstte in tranen uit.

‘We bedoelden er toch niets kwaads mee,’ zei Peter.

‘Wat maal ik erom wat jullie bedoelt; het komt er maar op aan wat je doet!’ antwoordde Perks.

‘O, o, wat vreselijk!’ riep Bobbie, die al haar best deed om kalmer te blijven dan Phyllis en meer woorden te vinden dan Peter, in de hoop Perks het geval duidelijk te kunnen maken. ‘We dachten dat je het prettig zou vinden. Wij krijgen altijd dingen op onze verjaardagen.’

‘O, ja,’ zei Perks, ‘van je eigen familie; dat is een ander geval!’

‘Niet waar,’ zei Bobbie. ‘Niet alleen van onze eigen familie. De dienstmeisjes gaven ons altijd wat vroeger, en wij hun ook als ze jarig waren. En toen ik laatst jarig was en dat mooie boterbloem-speldje van Moeder kreeg, je weet wel, heeft juffrouw Viney me een paar beeldige blauwe vaasjes cadeau gedaan, en toen dachten we toch geen van allen, dat ze bij ons met haar bedeling in huis wilde komen.’

‘Als het nog een paar vaasjes waren geweest,’ bromde Perks, ‘zou ik er niet zoveel woorden over vuil maken. Maar dit is zo’n troep, en ik bedank ervoor om dat goed allemaal aan te nemen.’

‘Maar het is niet allemaal van ons,’ zei Peter, ‘we hebben alleen maar vergeten er de namen bij te leggen. Het zijn cadeaus van allerlei mensen uit het hele dorp.’

‘En wie stookte ze dan op, als ik vragen mag?’

‘W – wij,’ snikte Phyllis.

Perks viel in zijn rieten armstoel neer en keek hen aan, alsof hij, zoals Bobbie het later plechtig uitdrukte – ‘der wanhoop ten prooi was.’

‘Dus jullie bent hier overal gaan rondvertellen, dat wij niet van de ene dag in de andere kunnen komen? Nou, nu jullie onze goede naam eerst in opspraak hebt gebracht, kun je je hele rommel weer inpakken en terugbrengen, waar je het vandaan hebt gehaald. – O zeker, ik moest jullie heel dankbaar zijn; je bedoelde het natuurlijk bijzonder goed, dat zal wel, maar je moet mij niet kwalijk nemen dat ik verder liefst niks met jullie te doen wil hebben.’

Hij draaide zijn stoel met een nijdige ruk om, zodat hij met zijn rug naar de kinderen toe kwam te zitten. De stoelpoten knarsten over de stenen vloer; het enige geluid dat de stilte verbrak.

Maar toen kwam Bobbie naar voren.

‘Perks, dat mag je niet zeggen! O, het is vreselijk!’

‘Juist mijn mening ook,’ bromde Perks, zonder zich om te keren.

‘Maar,’ begon Bobbie opnieuw, bijna ten einde raad, ‘we zullen natuurlijk weggaan, als je dat verlangt – en je hoeft ook niet langer goeie vrienden met ons te zijn, als je niet wilt, maar -’

‘Wij blijven toch altijd vrienden van jou, hoe naar of je ook tegen ons bent,’ snikte Phyllis hartstochtelijk.

‘Houd je toch stil,’ zei Peter knorrig.

‘Maar voordat we weggaan moet je toch nog de papiertjes zien, die we bij de cadeautjes geschreven hadden,’ bedacht Bobbie.

‘Ik heb niks niemendal met jullie papiertjes te maken. Denken jullie soms dat ik al die jaren hard gewerkt en mijn plicht gedaan heb, en zij nog wassen in huis heeft aangenomen, om me door de hele buurt te laten bepraten en uitlachen.’

‘Uitlachen?’ vroeg Peter. ‘Maar je weet niet eens hoe -’

‘Jij bent ook altijd zo gauw kwaad,’ schreide Phyllis klagend. ‘Vroeger ben je ook al eens zo onrechtvaardig tegen ons geweest, omdat we je dat geheim van de Russische heer niet verteld hadden. Laat Bobbie je nou die briefjes eens voorlezen!’

‘Mij goed, ga je gang,’ gromde Perks.

‘Ja,’ zei Bobbie, ‘ik heb -’ en ze grabbelde gejaagd in haar volle zak – ‘ik heb alles opgeschreven wat iedereen zei, toen ze ons de dingen gaven, met de namen van de mensen erbij, want Moeder zei dat we voorzichtig moesten zijn – omdat – maar ik heb het opgeschreven en je zult het horen.’

Maar Bobbie was nog niet dadelijk in staat de bijschriften te lezen; ze moest wel een paar maal iets wegslikken eer ze kon beginnen.

Van het ogenblik af waarop haar man de deur van het washok had opengegooid, had juffrouw Perks aanhoudend staan schreien. Nu bedaarde ze even, haalde een paar maal schokkend adem en zei: ‘Maak u maar niet – van streek – jongejuffrouw. Ik weet wel dat u het vriendelijk en goed gemeend heeft; Perks is onredelijk.’

‘Mag ik de briefjes dan eens voorlezen?’ vroeg Bobbie, terwijl haar tranen op de strookjes papier vielen, die ze trachtte te sorteren.

‘Het eerst dan van Moeder; daar staat op: ‘Wat kleertjes voor de kinderen van juffrouw Perks.’ Moeder zei: ‘Ik zal een paar jurkjes en dingen halen waar Phyllis is uitgegroeid, als je tenminste vast en zeker weet dat Perks er niet door beledigd zal zijn en denken dat we hem een aalmoes geven willen. Maar ik wil heel graag iets voor hem doen, omdat hij altijd zo vriendelijk voor jullie is. Veel kan het niet zijn omdat we zelf arm zijn.’

Bobbie wachtte even.

‘Dat is in orde,’ zei Perks, ‘jullie Ma is een echte dame. Die kleine jurkjes en dingen moest je maar houden, Nel.’

‘Maar nu de kinderwagen en de kruisbessen en het lekkers,’ vervolgde Bobbie. ‘Die zijn van juffrouw Ransome. Ze zei: “Ik denk dat Perks zijn kinderen daar wel veel van zullen houden. En de wagen hebben we gekocht voor het eerste kleintje van onze Emmie – het heeft maar zes maanden geleefd en ze heeft er nooit meer een gehad. Ik zou hem wel aan juffrouw Perks willen afstaan – hij zal haar goed te pas komen met die zware jongen van haar – en ik zou haar het wagentje ook wel eerder hebben gegeven, als ik maar zeker geweten had, of ze zoiets van mij wilde aannemen.” Ze zei dat ik erbij moest zeggen, dat het wagentje van de kleine van haar Emmie was.’

‘Ik kan dat wagentje niet terugsturen, Bert,’ zei juffrouw Perks aangedaan, maar beslist, ‘en ik wil het ook niet! Je hoeft het mij niet te vragen -’

‘Ik vraag je immers niks,’ zei Perks, nog knorrig.

‘En de schop,’ noemde Bobbie verder op, ‘die heeft meneer James zelf voor je gemaakt. Hij zei – waar is het, o, hier! – Hij zei: “Zeg maar aan Perks dat het een genoegen is een kleinigheid te maken voor zo’n achtenswaardig man,” en toen zei hij nog dat hij wou dat hij jouw kinderen en de zijne maar net kon beslaan als paarden, want dat hij er alles van wist wat schoeisel kostte.’

‘James is altijd een goeie kerel geweest,’ zei Perks vertederd.

‘De honing en de veters,’ ging Bobbie vlug verder, ‘zijn van de schoenmaker; die zei, dat hij respect had voor een man, die er zich zo fatsoenlijk doorsloeg – en de slager zei net hetzelfde. En de oude vrouw in het tolhuisje zei, dat je altijd een goed hart had gehad, en dat je haar als schooljongen al dikwijls een handje hielp, en dat een mens altijd zaaide wat hij gemaaid had – dat begreep ik niet erg goed. Ja, iedereen die wat gegeven heeft, zei dat ze veel van je hielden en dat het een heel goed idee van ons was, maar niemand zei iets van aalmoezen of bedeling – niemand! En de oude heer gaf Peter een goudtientje voor je, want hij zei dat jij een man was die je werk verstond en je plicht deed. – En nou – o, we hadden zo stellig gedacht dat je het prettig zou vinden als alle mensen van je hielden, maar nu is het helemaal mislukt en is het juist een nare dag voor ons allemaal geworden! Kom, Phyllis en Peter, laten we nu maar weggaan, we -’ Bobbie kon het haast niet meer uitbrengen.

‘Niks ervan!’ riep Perks opeens met onvaste stem, en met zijn rug nog altijd naar hen toegekeerd. ‘Ik neem elk onvriendelijk woord terug dat ik gesproken heb. – Nel, ouwe, maak gauw water aan de kook.’

‘Als je het niet anders wilt,’ zei Peter, nog in het onzekere, ‘zullen we natuurlijk de cadeaus wegnemen en terugbrengen, maar alle mensen zullen erg teleurgesteld zijn, net als wijzelf.’

‘Het hoeft niet, laat maar staan,’ zei Perks, zich plotseling met stoel en al omdraaiend en toen een allerdwaast gezicht vertonend, dat juist bezig was van heel boos, heel vriendelijk te worden. ‘Ik ben geloof ik nog nooit zo in mijn schik geweest. Niet zozeer om de presenten – maar ze zijn anders prachtig! – als wel om de vriendschap van onze buren. Dat is een mooi ding, wat, Nel?’

‘Ik vind alles even mooi,’ zei juffrouw Perks, ‘en als je het mij vraagt, moet ik zeggen, dat je een hele drukte om niks hebt gemaakt, Bert.’

‘Dát is niet waar,’ zei Perks beslist; ‘als een man niet zelf op zijn goeie naam past, zal een ander het zeker niet voor hem doen.’

‘Maar iedereen heeft toch achting voor je; dat hebben ze immers allemaal gezegd,’ zei Bobbie.

‘Ik wist wel dat je het tóch prettig zou vinden, als je het eerst maar eens goed begreep,’ juichte Phyllis.

‘Ja, ja,’ zei Perks, nog wat met zijn houding verlegen. ‘Blijven jullie theedrinken?’

Later stelde Peter de gezondheid in van de jarige en dronk Perks op de gasten, eindigende met: ‘Moge de bloem onzer vriendschap altijd bloeien!’ De kinderen vonden het prachtig en hadden niet gedacht dat Perks zo dichterlijk kon worden.

‘Best soort kinderen,’ zei Perks tegen zijn vrouw, toen ze naar bed gingen.

‘O, wat dat betreft, zo lief en goedhartig als het maar hoeft,’ antwoordde zijn vrouw. ‘Maar jij was een ouwe brompot. Ik heb me over je geschaamd, Bert, dat zeg ik je – het deed me zeer voor die -’

‘Nou, nou, ouwe, ik draaide immers dadelijk bij, toen ik merkte dat het geen liefdadigheid was. Want met die liefdadigheid wil ik nooit iets te maken hebben; nou niet en nooit!’

Wat werden er veel mensen gelukkig door het vieren van die ene verjaardag! Perks en juffrouw Perks en de kleine Perksjes, door al de mooie en lekkere cadeaus en de vriendschap van hun dorpsgenoten; de drie Spoorwegkinderen, door het zo heerlijk slagen van hun plan, al leek het er eerst ook weinig naar; en juffrouw Ransome, telkens als ze het dikke jongste Perksje in haar kinderwagen zag. Juffrouw Perks ging bijna het hele dorp rond om bedankvisites te maken, en na elk bezoek voelde ze dat ze meer vrienden had, dan ze ooit gedacht had.

‘Ja,’ zei Perks peinzend; ‘het komt er niet zo juist op aan wat je doet en of je véél kunt doen, maar hoe je het neemt, hoe de bedoeling is, dat zeg ik maar! Goddank dat het geen liefdadigheid was!’

‘Och, jij met je liefdadigheid,’ zei juffrouw Perks ongeduldig. ‘Niemand zal bij jou ooit met liefdadigheid aankomen, al had je het ook nog zo hard nodig, wed ik. Het was enkel en alleen vriendelijkheid en goedheid van de mensen, niks anders!’


Hoofdstuk 10: Het Vreselijke Geheim

Toen ze pas op ‘Spoorzicht’ woonden, hadden de kinderen heel veel over hun vader gesproken en telkens van allerlei over hem gevraagd: wat hij toch deed, waar hij eigenlijk was en wannéér hij toch zou thuiskomen. Moeder had die vragen altijd zo goed ze kon beantwoord, maar hoe verder het in de zomer kwam hoe minder zij over hem spraken. Vanaf het begin had Bobbie al dadelijk gemerkt, dat die vragen Moeder hinderden en haar treurig stemden, en langzamerhand kregen de anderen dat gevoel ook, hoewel ze het niet onder woorden wisten te brengen.

Op zekere dag, toen Moeder zo hard moest werken dat ze er haast geen tien minuten kon afnemen, bracht Bobbie haar thee boven, op de grote, kale, ongezellige kamer die ze Moeders ‘werkplaats’ noemden. Er stonden bijna geen meubels; niets dan een tafel, een stoel en een klein vloerkleedje, maar op de schoorsteenmantel en op de vensterbanken altijd grote potten of vazen met bloemen. Daar zorgden de kinderen voor. Vanuit de drie hoge gordijnloze ramen was het uitzicht onbelemmerd, over een prachtig stuk weiland en heideveld, op de violet getinte heuvels in de verte en de steeds veranderende wolkenmassa’s.

‘Hier is je thee, Moes,’ zei Bobbie. ‘Toe, drinkt u hem even warm op.’

Moeder legde haar pen neer, tussen de vele beschreven blaadjes die de tafel bedekten, blaadjes, zo dicht en zo regelmatig beschreven, dat het bijna gedrukt leek, maar veel mooier. Ze streek met haar vingers door haar haar, alsof ze het er bij handenvol wilde gaan uittrekken.

‘Arme Moes,’ zei Bobbie, ‘heeft u hoofdpijn?’

‘Nee – ja – niet erg,’ zei Moeder. ‘Bobbie, zou je denken dat Peter en Phil Vader vergaten?’

‘Nee!’ riep Bobbie verontwaardigd. ‘Hoe denkt u dat?’

‘Omdat jullie tegenwoordig nooit meer over hem spreekt.’

Bobbie hing verlegen, eerst op het ene toen op het andere been. ‘We praten heel dikwijls over Vader, als we onder elkaar zijn,’ zei ze.

‘Maar nooit als ik erbij ben,’ zei Moeder. ‘Waarom niet?’ Bobbie vond het niet makkelijk te zeggen waarom.

‘Ik – u -’ zei ze, en zweeg. Toen liep ze op het raam toe en staarde in de verte.

‘Bobbie, kom eens hier,’ zei Moeder, en Bobbie kwam.

‘Toe,’ zei Moeder, terwijl ze Bobbie naar zich toetrok en haar hoofd tegen Bobbies schouder legde, ‘probeer eens of je het me vertellen kunt.’

Bobbie plukte zenuwachtig aan haar schort.

‘Vertel het Moeder eens!’

‘Ja,’ zei Bobbie, ‘ziet u, ik dacht dat u er al zo’n verdriet van had, dat Vader niet bij ons kon zijn, dat het maar beter was, als we niet over hem spraken. Daarom deed ik het de laatste tijd niet meer.’

‘En de anderen?’

‘Van de anderen weet ik het niet,’ zei Bobbie. ‘Daar heb ik nooit met hen over gepraat, maar ik geloof dat ze net zo gedacht zullen hebben als ik.’

‘Lieveling,’ zei Moeder, met haar hoofd nog altijd tegen Bobbie aan, ‘ik moet eens iets vertellen. – Behalve dat ik en Vader zo lang gescheiden moeten zijn, hebben we nog een groot verdriet gehad, een bitter verdriet, erger dan jij het je misschien kunt voorstellen. In het eerst deed het me pijn jullie over Vader te horen spreken, alsof alles nog als vroeger was, maar ik zou het nog oneindig harder vinden als jullie hem vergaten; dat zou het ergste van alles zijn.’

‘Dat verdriet,’ zei Bobbie met een benauwde stem – ‘ik heb u beloofd dat ik er nooit naar vragen zou, en dat heb ik ook nooit gedaan, wel? Maar – dat verdriet zal toch niet altijd duren?’

‘Nee,’ zei Moeder, ‘het allerergste ervan zal geleden zijn als we Vader weer thuis hebben.’

‘Ik wou dat ik er iets aan doen kon!’ zei Bobbie.

‘O, mijn lieve meid, denk je dan dat je niets voor me doet? Wat zou ik zonder jou beginnen? Denk je dat ik niet merk hoe lief jullie alle drie voor me zijn, dat je lang niet zoveel kibbelt als vroeger – en al die kleine vriendelijke dingen – de bloemen hier altijd, het schoonmaken van mijn schoenen, het naar boven vliegen ‘s morgens wie van jullie maar het eerst mijn bed zal opmaken?’

Bobbie had zich wel eens afgevraagd, of Moeder die dingen werkelijk opmerkte.

‘O, dat is niets,’ zei ze, ‘bij wat -’

‘Ik moet helaas doorwerken, lieveling,’ zei Moeder, Bobbie nog eens even tegen zich aandrukkend. ‘Spreek er maar niet met de anderen over.’

Diezelfde avond, voor het naar bed gaan, vertelde Moeder – in plaats dat ze, zoals meestal, voorlas – van al de aardigheden en pretjes die Vader en zij gehad hadden, toen ze als kinderen naast elkaar buiten woonden – verhalen van de avonturen die Vader met Moeders broers beleefd had, toen die nog jongens waren en van alles bedachten. Het waren zulke grappige verhalen, dat de kinderen het telkens uitschaterden.

‘Oom Edward is gestorven, voordat hij groot was, is het niet, Moeder?’ vroeg Phyllis, terwijl Moeder de kandelaars klaarzette.

‘Ja, kindje! Wat zouden jullie veel van hem gehouden hebben! Hij was zo’n ferme, ondernemende jongen! Alles durfde hij te wagen, altijd was er wat met hem aan de hand, en toch mocht iedereen hem graag lijden, omdat hij zo goedhartig en vriendelijk was. En oom Reggie zit in Ceylon – ja, en nu Vader ook weg! Maar ik denk dat ze het alle drie aardig zouden vinden, als ze konden weten dat we zo prettig met elkaar over vroeger gepraat hebben. Maar nu naar bed, jongens. Welterusten!’

Bobbie pakte haar moeder eens extra hartelijk en fluisterde haar in: ‘O, Moes, ik hou toch zoveel van je – ik – ik -’

Toen Bobbie in bed lag, deed ze haar best niet te veel over het grote verdriet te denken, maar ze kon het niet laten. Vader was niet dood, zoals oom Eduard – Moeder had het zelf gezegd. En ziek was hij óók niet, dan zou Moeder natuurlijk bij hem zijn geweest. Dat ze geen geld meer hadden, zoals vroeger, kon het ook niet zijn, Bobbie voelde wel dat het iets veel ergers was dan geen geld.

‘Ik moet er maar niet meer over tobben,’ hield ze zichzelf voor. ‘Kom, dat moet nu maar uit zijn! In elk geval ben ik erg blij, dat Moeder toch wel gemerkt heeft van dat kibbelen en al die andere dingen. Daar zullen we dan maar goed om blijven denken.’

Maar helaas, juist diezelfde middag kregen zij en Peter ‘geweldige herrie’ zoals Peter het noemde.

Toen ze nog geen week op ‘Spoorzicht’ waren, hadden ze hun moeder al een stukje grond gevraagd, dat helemaal alleen van henzelf zou zijn, om er een tuintje van te maken. Moeder had het goed gevonden en een strook grond op het zuiden, onder de perzikbomen, in drie gelijke stukken verdeeld, waar ze van allerlei in mochten zaaien en planten.

Phyllis had vergeet-mij-nieten, reseda en Indische kers in haar tuintje. Er kwam iets op, en hoewel het er verdacht onkruidachtig uitzag, had Phyllis toch het vaste geloof dat er wel bloemen zouden aan komen; de vergeet-mij-nieten stelden haar geloof niet teleur, en haar tuintje had al vrij gauw een rand vrolijke blauwe bloemetjes.

‘Ik kan nooit wieden, want dan trek ik er misschien juist het verkeerde uit; het is eigenlijk wel makkelijk; het haalt me een heleboel werk uit,’ zei ze.

Peter zaaide groentezaad in het zijne – worteltjes, uien en knollen. Hij had het zaad gekregen van de boer, die in het wit gepleisterde huis, net even over de brug woonde; hij hield kalkoenen en kippen en was altijd heel vriendelijk. Maar Peters groente had niet veel gelegenheid te groeien, omdat hij zijn tuintje het liefst gebruikte om er kanalen door te graven en versterkingen in op te werpen voor zijn tinnen soldaten; en groentezaad ontkiemt nu eenmaal slecht in een bodem, die telkens voor oorlogsdoeleinden en irrigatiewerken omgewoeld wordt.

Bobbie zette rozenstruikjes in haar tuin, maar al de tere, nieuwe blaadjes verschrompelden en verwelkten, misschien wel omdat ze ze in mei uit een ander gedeelte van de tuin overbracht, een heel slechte tijd van het jaar om rozen te verplanten. Bobbie wilde niet toegeven, dat ze dood waren en hoopte, tegen beter weten in, totdat Perks eens op een middag naar de tuintjes kwam kijken, en haar ronduit vertelde, dat er ‘geen aasje leven meer in zat.’ ‘Net goed om een vuurtje van te stoken, jongejuffrouw. Graaf ze er maar uit, dan zal ik u wel eens wat verse plantjes uit mijn tuin halen: wat viooltjes en muurbloemen en primula’s; ik zal ze morgen meebrengen; zorg u maar dat u de grond heeft omgespit.’

De volgende dag ging Bobbie dus aan het werk; het was juist diezelfde dag waarop Moeder haar en de anderen geprezen had, dat ze zo weinig kibbelden. Ze haalde de dode rozen uit de grond en gooide ze op de vuilnishoop achter in de tuin.

Ondertussen was Peter op het idee gekomen, zijn fort en zijn wallen te slechten en liever de spoorbaan in het klein na te maken: met tunnel, uitgraving, aquaduct, kanaal, brug en alles.

Toen Bobbie dus van haar laatste reis met de dode rozenstruiken terugkwam, had hij haar hark weggenomen en was hij druk bezig zijn grond gelijk te maken.

‘Ik gebruikte de hark,’ zei Bobbie.

‘Best, maar ik gebruik hem nu,’ zei Peter.

‘Maar ik heb hem het eerst gehad,’ zei Bobbie.

‘Nou, dan is het nu mijn beurt,’ zei Peter. En zo begon het gekibbel.

‘Jij bent ook altijd kwaad om niks,’ zei Peter, na een driftige uitval van Bobbie.

‘Ik had hem het eerst,’ hield Bobbie vol, rood van kwaadheid de steel grijpend.

‘En ik heb vanmorgen al gezegd, dat ik hem ging gebruiken, is het niet, Phyl?’

Phyllis zei dat zij er zich niet mee bemoeide en niets met hun ruzie te maken wilde hebben.

Maar dit maakte natuurlijk juist dat ze er dadelijk verder ingehaald werd.

‘Als je het je herinnert, moet je het ook zeggen.’

‘Ze herinnert er zich natuurlijk geen woord van, maar zeggen kan ze het in ieder geval,’ vond Bobbie.

‘Hè, ik wou dat ik een broer had, in plaats van twee zulke vervelende, kinderachtige kleine zusjes,’ zei Peter. Als Peters woede tot dit punt gestegen was, volgde ook geregeld van Bobbies kant: ‘En ik begrijp niet waarvoor kleine jongens zijn uitgevonden!’ Juist toen ze het gezegd had, viel haar oog op de drie hoge ramen van Moeders werkplaats, die door de rode ondergaande zon beschenen werden, en Moeders woorden schoten haar weer te binnen: ‘Jullie kibbelt lang niet zoveel meer als vroeger.’

‘O!’ riep Bobbie opeens, net alsof haar iets raakte, of dat ze haar vinger knelde, of opeens een gevoelige scheut van kiespijn door haar mond kreeg.

‘Wat heb je?’ vroeg Phyllis.

Bobbie had willen zeggen: ‘laten we niet kibbelen, Moeder vindt het zo naar,’ maar hoe ze het ook probeerde, ze kon het er niet uitbrengen, en ze liet plotseling de harksteel los. Peter had hem stijf vastgehad, uit al zijn macht trekkende, en nu Bobbie hem zo onverwachts liet gaan, rolde hij achterover en kwam, met de tanden van de hark tussen zijn voeten, op de grond terecht.

‘Je verdiende loon!’ ontviel Bobbie.

Peter lag een ogenblik heel stil – lang genoeg om Bobbie een beetje ongerust te maken. Toen maakte hij haar nog meer ongerust, want hij kwam overeind, gaf een schreeuw van pijn, werd bleek en liet zich toen weer achterovervallen, zacht kreunende. Het klonk net of er een eind weg, een varken geslacht werd, vond Bobbie.

Moeder stak haar hoofd buiten het raam, en geen halve minuut later lag ze in de tuin op haar knieën, naast Peter die maar niet ophield met kreunen.

‘Wat is er gebeurd, Bobbie?’ vroeg Moeder.

‘Het kwam door de hark,’ zei Phyllis. ‘Peter trok eraan, en Bobbie ook, en toen liet zij los en viel hij achterover.’

‘Houd je bedaard, Peter,’ zei Moeder. ‘Kom, wees dadelijk stil.’

Peter gebruikte het beetje adem dat hij nog had, voor een laatste klagend gekreun en was toen stil.

‘Zo,’ zei Moeder, ‘heb je je bezeerd?’

‘Als hij zich echt erg bezeerd had, zou hij niet zo’n lawaai maken,’ zei Bobbie, nog bevend van kwaadheid; ‘zo laf is hij niet!’

‘Ik denk dat mijn voet alleen maar gebroken is, anders niet,’ zei Peter geraakt en trachtte overeind te komen, maar hij werd spierwit, en Moeder sloeg gauw haar arm om hem heen.

‘Hij heeft zich wel erg bezeerd,’ zei ze; ‘hij is flauw van de pijn. Gauw, Bobbie, ga jij daar zitten en neem zijn hoofd op je schoot.

Daarop maakte Moeder voorzichtig Peters laarzen los. Toen ze de rechterlaars uittrok, droppelde er iets op de grond. Het was warm, rood bloed; en toen zijn kous ook uit was, bleken er drie rode wondjes in Peters voet en enkel te zijn, waar de tanden van de hark erin waren gedrongen; zijn hele voet was met rode smeren bedekt.

‘Haal gauw water – een kom vol!’ riep Moeder, en Phyllis vloog naar huis. In haar haast morste ze een groot gedeelte van het water uit de kom en moest ze er nog een kan vol bijhalen.

Peter sloeg zijn ogen niet op, voordat Moeder haar zakdoek om de voet had gebonden, en zij en Bobbie hem naar binnen hadden gedragen en op de rustbank in de eetkamer neergelegd. Ondertussen was Phyllis al halverwege het huis van de dokter.

Moeder zat bij Peter en waste zijn voet en praatte met hem, en Bobbie zette water op om gauw voor thee te kunnen zorgen.

‘Ik kan niets anders doen,’ zei ze bij zichzelf. ‘O! – als Peter eens doodging, of zijn leven lang kreupel moest blijven, of op krukken moest lopen, of met zo’n dikke zool onder zijn voet, net of het een blok hout is!’

Bobbie stond bij de achterdeur, terwijl ze over al die sombere mogelijkheden nadacht, haar ogen gevestigd op de regenton.

‘Was ik maar nooit, nooit geboren!’ barstte ze ten slotte uit.

‘Wat is dat voor moois?’ vroeg een stem, en Perks stond voor haar met een plat mandje vol kleine, groene plantjes en zachte teelaarde.

‘O, ben jij het!’ zei Bobbie verlicht. ‘Peter heeft zijn voet bezeerd met een hark – drie grote, gapende wonden, zoals soldaten ze krijgen; en het was eigenlijk mijn schuld.’

‘Dat kan ik haast niet geloven,’ zei Perks. ‘Moest de dokter eraan te pas komen?’

‘Phyllis is naar hem toe.’

‘Kom, hij zal wel gauw weer klaar zijn; help me maar eens toezien,’ troostte Perks. ‘Een achterneef van mijn vader heeft eens een hooivork in zijn lijf gekregen, zo maar in zijn binnenste, en met een paar weken was hij weer kant en klaar; alleen maar een beetje zwak van hoofd later, en ze zeiden altijd, dat dat van een zonnesteek was en niet eens van die hooivork. Ik herinner me hem best, een goedhartige vent, maar wel een beetje sullig, om het zo maar eens te zeggen.’

Bobbie trachtte troost te putten uit dit bemoedigende verhaal.

‘Dan zult u op het ogenblik wel niet heel veel lust in het tuinieren hebben, denk ik,’ hervatte Perks. ‘Wijst u me maar eens even, wat uw tuintje is, dan zal ik er de dingetjes even inzetten. Als ik mag, blijf ik hier dan een beetje in de buurt, om straks te horen wat de dokter gezegd heeft. Maak je maar niet ongerust, jongejuffrouw; ik verwed er een pond tabak onder, dat er geen kwaad bij is!’

Maar het was wel ernstig aangekomen. De dokter kwam, verbond de voet keurig en zei dat Peter er in geen week op staan mocht.

‘Hij zal toch niet mank blijven, of op krukken moeten springen, of met zo’n dikke zool onder zijn voet lopen?’ fluisterde Bobbie angstig bij de deur.

‘Welnee, kind, hoe kom je erbij!’ riep Dr. Forrest uit. ‘Binnen veertien dagen zal hij weer net zo vrolijk rondspringen als voor dit gevalletje. Haal je maar geen zorgen in het hoofd, verpleegstertje!’

Moeder liep nog even met de dokter naar het hekje, en Phyllis ging brood roosteren, zodat Bobbie en Peter een ogenblik alleen waren.

‘Hij heeft gelukkig gezegd dat je niet mank zult blijven,’ zei Bobbie.

‘Natuurlijk niet, gek kind,’ zei Peter, maar het was hem toch een pak van het hart.

‘O, Peter, het spijt me toch zo vreselijk,’ zei Bobbie, na een korte stilte.

‘Zo,’ bromde Peter.

‘Het was toch eigenlijk mijn schuld,’ zei Bobbie.

‘Onzin!’ zei Peter.

‘Als we geen ruzie hadden gemaakt, zou het niet gebeurd zijn. En ik wist best dat we eigenlijk niet mochten kibbelen, en ik wilde het ook wel laten, maar ik kon niet.’

‘Zanik niet,’ zei Peter. ‘Net of ik zou zijn opgehouden, al had jij het gewild. En dat wij vochten, had er ook eigenlijk niets mee te maken. Ik had mijn voet net zo goed onder de schoffel kunnen krijgen, of mijn vingers onder de strosnijmachine, of mijn neus kunnen verliezen met vuurwerk afsteken. En ik zou me net evenveel pijn hebben gedaan, of we gekibbeld hadden of niet.

‘Maar ik wist toch zo goed dat we niet moesten kibbelen,’ zei Bobbie in tranen, ‘en nou heb jij zoveel pijn en -’

‘Toe – zeg, houd nou alsjeblieft je mond,’ zei Peter geprikkeld. ‘Als jij niet oppast, zul je nog een echt vervelend oud wijf worden, met al je braafheid.’

‘Ik wil geen oud wijf worden,’ snikte Bobbie; ‘maar het is zo vreselijk moeilijk, om goed te zijn en niet vervelend goed te zijn.’

‘Nou,’ zei Peter bedaarder. ‘Het is in elk geval maar gelukkig, dat jij de hark niet in je voet hebt gekregen. Ik ben er blij om, dat ik het trof. Wezenlijk! Als jij hier had moeten liggen, zou je net zo’n engelachtig braaf kind uit een Zondagsschoolboekje geworden zijn, zo’n lijdende, geduldige zieke, zo’n halve heilige, die dan nog het zonnetje is voor het hele gezin, of weet ik wat voor fraais. Ik zeg je, dat ik zoiets niet zou kunnen uitstaan.’

‘Maar zo zou ik toch niet geweest zijn!’

‘Jawel, dat zou je vast!’ zei Peter.

‘Dat is niet!’ ‘Dat is wel!’

‘O, kinderen!’ klonk Moeders stem aan de deur. ‘Alweer aan het kibbelen?’

‘We kibbelen niet – tenminste, niet echt,’ zei Peter. ‘Ik wou dat u niet altijd dacht, dat we ruzie hadden, als we het eens even niet met elkaar eens zijn.’

Toen Moeder de kamer weer uit was, barstte Bobbie los: ‘Peter, ik heb er heus vreselijk veel spijt van dat je je bezeerd hebt, maar ik vind het tóch gemeen dat je mij zo plaagt.’

‘Zo?’ zei Peter en liet er onverwachts op volgen: ‘‘t Is ook wel een beetje gemeen van me, want toen jij zo woedend op me was, zei je toch nog dat ik niet laf was. Als je alleen maar niet zo de brave Hendrik uithangt, dan is het wel best. Denk er maar aan, en houd het dadelijk in, als je het voelt aankomen – afgesproken?’

‘Ja,’ zei Bobbie, ‘afgesproken.’

‘Laat het dan weer vrede zijn tussen de vijandige stammen,’ zei Peter grootmoedig. ‘Verberg de strijdbijl in het grijs verleden, en laten we elkaar de hand van de verzoening reiken. – Hè, Bob, wat ben ik gek moe!’

Hij klaagde nog verscheiden dagen over vermoeidheid, en ondanks alle kussens en zachte, dubbelgevouwen dekens, vond hij de rustbank toch nog hard. Het was ook vreselijk, niet uit te kunnen gaan! Bobbie en Moeder schoven de bank voor het raam, en zo kon Peter de rook van de treinen zien, die door de vallei kwamen, maar de treinen zelf kon hij niet zien.

De eerste dagen vond Bobbie het erg moeilijk, zo vriendelijk voor hem te zijn als ze wel kon, zonder gevaar te lopen een oud wijf of een brave Hendrik genoemd te worden, maar al heel gauw dachten ze er geen van beiden meer aan en zei Peter genadig dat de zusjes ‘nog zo kwaad niet waren.’ Als de meisjes buiten speelden, zat Moeder bij hem, en Bobbies gezegde, ‘zo laf is hij niet,’ deed hem vast besluiten niet over de pijn te klagen, hoe erg die soms ook, vooral ‘s nachts, zijn kon.

Een prijsje doet soms wonderen.

Hij kreeg ook verscheiden malen bezoek. De vrouw van Perks kwam naar ‘Spoorzicht’, om te vragen hoe het met hem was, en de Stationschef en allerlei mensen uit het dorp ook. Maar toch kropen de dagen om.

‘Ik wou maar dat ik eens iets nieuws te lezen had,’ klaagde Peter. ‘Ik heb al onze boeken al minstens vijftig maal gelezen.’

‘Zal ik eens naar de dokter gaan?’ stelde Phyllis voor; ‘die heeft er stellig wel wat.’

‘Nou ja, alleen over ziektes natuurlijk en van allerlei akeligheden binnen in je lijf,’ zei Peter.

‘Perks heeft een hele stapel illustraties, die de mensen in de trein laten liggen, als ze ze uit hebben,’ zei Bobbie. ‘Dan zal ik die gaan halen.’

De meisjes gingen dus elk hun eigen weg.

Bobbie vond Perks druk bezig lampen schoon te maken.

‘En, hoe gaat het met de jongenheer?’ vroeg hij.

‘Veel beter, gelukkig,’ zei Bobbie, ‘maar hij begint zich zo vreselijk te vervelen. Ik kwam vragen, of je ook wat tijdschriften voor hem had.’

‘Kijk nou,’ zei Perks vol spijt, terwijl hij zijn oor wreef met een vette, vuile dot poetskatoen, ‘dat ik dáár nou toch niet aan gedacht heb! Vanmorgen dacht ik nog zo bij mezelf: ‘Wist ik nou maar eens een aardigheid voor de jongenheer te verzinnen, en ik kon maar niks beters bedenken dan een marmot. Een jongen van mijn kennis zal er hem vanmiddag een brengen.’

‘Wat leuk! Een levende marmot? Dat zal hij dol vinden! Maar de tijdschriften wil hij toch stellig ook wel graag hebben.’

‘Ja, dat is het nou juist,’ zei Perks. ‘Ik heb net de mooiste aan die jongen van Snigson gegeven, die longontsteking heeft gehad, maar ik heb er toch nog een hele vracht.’

Hij wendde zich naar een hoop papieren in de hoek en nam er een flink stapeltje af.

‘Ziezo,’ zei hij, ‘nou zal ik ze in een papier pakken en er een eindje touw om binden.’

Perks trok een oude krant uit de papierhoop, spreidde die op tafel uit en maakte er een net pakje van.

‘Daar,’ zei hij, ‘er staan een heleboel prenten in, en als hij zin heeft ze te beknoeien met zijn verfdoos, of met gekleurd krijt, of net hetzelfde wat, laat hij gerust zijn gang gaan. Ik heb ze niet meer nodig.’

‘Vriendelijk bedankt, Perks,’ zei Bobbie, het pak opnemende. Het was vrij zwaar, en toen ze bij de overweg op de trein moest wachten, steunde ze het vrachtje zolang op de slagboom. Onwillekeurig viel haar oog op de krant waar Perks de illustraties had ingewikkeld. Opeens greep ze het pak vaster beet en boog er zich angstig overheen. Wat ze zag was als een vreselijke droom. Ze las in de grootste spanning verder tot – het onderste stuk van de kolom ontbrak – ze niet verder kon.

Bobbie kon zich nooit goed herinneren hoe ze was thuisgekomen, maar wel dat ze op haar tenen naar haar kamer sloop en de deur op slot deed. Toen maakte ze het pak los en las ze, op de rand van haar bed zittende, die gedrukte kolom nog eens over, met ijskoude handen en voeten en een gloeiend gezicht. Weer aan het eind gekomen, haalde ze lang, haperend adem.

‘Nou weet ik het eindelijk!’ zei ze.

Boven het stuk dat ze gelezen had stond: Einde der Gerechtszitting. Uitspraak. Eis. De naam van de man, die verhoord was, was haar vader. De uitspraak luidde: ‘Schuldig’; de eis ‘Vijf jaar Dwangarbeid’.

‘O, Paatje,’ zei ze zacht, het papier boos in elkaar frommelend, ‘het is niet waar – ik geloof er niets van. Dat heeft u niet gedaan. Nooit, nooit, nooit!’

Er werd ongeduldig op de deur gebonsd.

‘Wat is er?’ riep Bobbie.

‘Ik ben het,’ klonk Phyllis’ stem; ‘de thee is klaar, en er is een jongen geweest met een marmotje voor Peter. Kom beneden, gauw!’

En Bobbie moest wel.


Hoofdstuk 11: De Hond In De Rode Trui

Nu wist Bobbie het geheim. Een oude krant om een pakje gewikkeld – zo’n nietig toeval – had het haar verraden. En nu moest ze beneden gaan theedrinken en doen alsof er niets bijzonders was. Ze spande zich in niets te laten merken, maar het lukte niet best, want toen ze binnenkwam zag iedereen dadelijk haar rode ogen en haar bleek, beschreid gezicht.

‘Lieveling!’ riep Moeder, achter het theeblad opschrikkend. ‘Wat scheelt eraan?’

‘Ik heb wat hoofdpijn,’ zei Bobbie. En dat was zo.

‘Is er iets gebeurd?’ vroeg Moeder bezorgd.

‘O, nee, ik ben eigenlijk heel best,’ zei Bobbie, en ze telegrafeerde naar haar moeder de smeekbede: ‘Alstublieft niet, waar de anderen bij zijn!’

Het was geen vrolijk maal. Peter was zo verstrooid door het feit dat Bobbie iets vreselijks scheen te zijn overkomen, dat hij niets meer zei dan: ‘Nog een boterham en de boter, alstublieft’ met verontrustend korte tussenpozen. Phyllis streelde Bobbies hand een paar maal onder de tafel om haar sympathie te tonen en stootte daarbij haar beker om. Bobbie vloog op, blij dat ze even weg kon lopen voor een doek om de melk op te soppen. Maar het was haar toch of er nooit een einde aan de maaltijd zou komen. Toch kwam er ten slotte een eind aan, zoals aan alle dingen, en toen Moeder met het blad wegliep, volgde Bobbie haar onmiddellijk.

‘Ze gaat zeker excuus vragen,’ zei Phyllis tegen Peter. ‘Het zal me eens benieuwen wat ze gedaan heeft.’

‘Iets gebroken, denk ik,’ zei Peter, ‘maar daar hoeft ze zich anders niet zo naar over te maken. Moeder maakt toch nooit standjes over een ongeluk. Hoor! Ja, ze gaan naar boven. Ze neemt Moeder mee om het te laten zien, – zeker die grote waterkan met de ooievaars erop – o, jé!’

In de keuken had Bobbie Moeders hand gevat, zodra deze het theeblad had neergezet.

‘Wat is er?’ vroeg Moeder.

Maar Bobbie zei alleen maar: ‘Och, toe, komt u even mee naar boven, waar niemand ons horen kan.’

Toen ze alleen met Moeder in haar kamer was, deed ze de deur op slot en stond toen onbeweeglijk stil, zonder woorden te kunnen vinden.

Onder het theedrinken had ze aldoor bedacht wat ze zeggen zou, en ze was tot het besluit gekomen dat ‘Ik weet alles’, of ‘Alles is mij nu bekend’, of ‘Ik heb het vreselijke geheim ontdekt’ het beste zou zijn, maar nu, nu zij en Moeder en dat afschuwelijke stuk krant alleen met elkaar in de kamer waren, voelde ze dat ze niets kon zeggen.

Plotseling haar armen om Moeders hals slaande, barstte ze in snikken uit, en nog kon ze geen andere woorden vinden dan: ‘O, Moes, o, Moes!’ telkens weer.

Moeder hield haar stijf tegen zich aan en wachtte, maar na een ogenblik rukte Bobbie zich van haar los en liep van haar weg om een papier onder de matras vandaan te halen. Ze hield het haar moeder voor en wees met een bevende vinger op haar vaders naam.

‘Kind!’ riep Moeder, toen ze met één vluchtige blik gezien had wat het was. ‘Je gelóóft het toch niet? Je gelóóft toch niet, dat Vader het gedaan heeft?’

‘Nee!’ Bobbie schreeuwde het bijna uit. Nu schreide ze niet meer.

‘Goddank!’ zuchtte Moeder. ‘Het is niet waar wat daar in staat. Vader zit in de gevangenis, maar hij heeft niets slechts gedaan. Hij is onze beste, nobele, eerlijke Vader en hij hoort ons toe. Dat zullen we nooit vergeten. We zullen trots op hem blijven en geduldig wachten.’

Weer klemde Bobbie zich aan haar moeder vast en weer kon ze maar één enkel woord vinden, maar nu was het: ‘Vader’, en ‘o, Vader, o, Vader!’ telkens maar weer.

‘Waarom heeft u het mij niet verteld, Moes?’ vroeg ze opeens.

‘Wilde jij het nu aan de anderen vertellen?’ vroeg Moeder.

‘Nee.’

‘Waarom niet?’

‘Omdat -’

‘Juist,’ zei Moeder; ‘je begrijpt wel waarom ik het voor je verzweeg. Wij beiden moeten elkaar nu helpen om het moedig te dragen.’

‘Ja,’ zei Bobbie. – ‘Vindt u het eigenlijk naar, mij er alles van te vertellen? Ik zou het zo graag begrijpen.’

En zo, dicht tegen Moeder aangedrukt, hoorde Bobbie ‘er alles van.’ Ze hoorde dat die twee heren die Vader te spreken hadden gevraagd op die bewuste laatste avond, toen het locomotiefje gerepareerd moest worden – gekomen waren om hem gevangen te nemen. Hij werd beschuldigd staatsgeheimen aan de Russen te hebben verkocht, dus: een spion en een verrader te zijn. Moeder vertelde iets van het verhoor en van de bewijzen – papieren in Vaders lessenaar op zijn bureau gevonden, gewichtige brieven die de rechters overtuigd hadden, dat Vader schuldig was.

‘O, Moes, hoe konden ze het geloven, toen ze hem aankeken!’ riep Bobbie, en ‘en hoe zou iemand ooit zoiets gemeens kunnen doen!’

‘Iemand heeft het toch gedaan,’ zei Moeder, ‘maar al de bewijzen waren tegen Vader. Die brieven -’

‘Ja, hoe konden die nu in zijn lessenaar komen?’

‘Iemand heeft ze er opzettelijk ingelegd, en de persoon die dat gedaan heeft, was de ware schuldige.’

‘Wat moet hij zich al die tijd ellendig hebben gevoeld – en nog!’ zei Bobbie peinzend.

‘Ik geloof dat die man geen gevoel heeft,’ antwoordde Moeder heftig. ‘Hoe kon hij anders zoiets misdadigs gedaan hebben.’

‘Misschien had hij ze wel gauw in Vaders lessenaar gestopt, toen hij merkte dat hij betrapt zou worden,’ bedacht Bobbie. ‘Maar waarom vertelt u, of iemand anders nu niet aan die advocaten en die rechters, dat die andere man het gedaan heeft? Niemand zal Vader toch wel expres kwaad hebben willen doen, hè?’

‘Ik weet het niet, kind – ik weet het niet. De man onder Vader, die hem in zijn betrekking opvolgde, was altijd jaloers op Vader, omdat die zoveel knapper was dan hij en iedereen zoveel van Vader hield. En Vader heeft die man nooit vertrouwd.’

‘Kunnen we dat niet eens allemaal duidelijk aan iemand van de rechtbank uitleggen?’

‘Niemand hecht er geloof aan,’ zei Moeder bitter, ‘niemand. Je begrijpt toch wel, lieve kind, dat ik alles in het werk heb gesteld? Nee, er schijnt niets meer aan te doen. Al wat we doen kunnen – jij en ik en Vader – is, heel dapper en heel geduldig te zijn tot…’

‘Moeder, u bent eigenlijk erg mager geworden,’ zei Bobbie opeens.

‘Wel een beetje, ja.’

‘En ik geloof,’ vervolgde Bobbie met vuur, ‘dat u het moedigste en het liefste mens op de hele wereld is!’

‘Nu zullen we er niet meer over spreken, beste,’ zei Moeder, ‘we moeten het eenvoudig zo flink mogelijk dragen. En, lieveling, tracht het vooral van je af te zetten. Probeer zo vrolijk mogelijk te zijn en pret te maken, net als de anderen. Het maakt het voor mij veel gemakkelijker als ik zie, dat jullie plezier hebt en je gelukkig voelt. Ziezo, was nu eens even je behuild gezicht, en dan gaan we samen een ogenblikje in de tuin wandelen.’

De beide anderen waren heel zacht en vriendelijk tegen Bobbie en ze vroegen haar niet wat haar scheelde. Dat was een idee van Peter en hij had Phyllis, die wel honderd vragen had willen doen, de wacht aangezegd.

Zo wat een week later nam Bobbie gauw een gunstige gelegenheid waar, om alleen op haar kamer, een brief te schrijven. En weer werd het er een aan de oude heer.

‘Lieve meneer,’ schreef ze, ‘U ziet wel wat in dit envelop zit. Het is niet waar; Vader heeft het nooit gedaan. Moeder zegt dat iemand anders papieren in Vaders lessenaar heeft gestopt, en ze zegt dat de man onder Vader, die later zijn betrekking kreeg, erg jaloers op Vader was, en dat Vader hem allang niet vertrouwde. Maar niemand wil luisteren naar wat Moeder zegt. Maar ik dacht u is zo goed en zo knap, u vond dat toch ook dadelijk uit van de vrouw en de kinderen van onze Rus. Kunt u niet uitvinden wie de verrader was? Dan konden ze Vader uit de gevangenis laten. Het is zo vreselijk en Moeder wordt zo mager. Nu begrijp ik ook waarom Moeder toen wilde, dat we voor alle gevangenen en bannelingen zouden bidden; dat vroeg ze ons eens toen die Russische meneer er was. Och toe, help ons toch. Moeder en ik weten het alleen, en we kunnen niets doen. Peter en Phyl weten er niets van. Wilt u het niet eens proberen? Denkt u eens, als het uw Vader eens was. Och, toe help ons maar, alstublieft!
Uw liefhebbend vriendinnetje, ROBERTA.’

P.S. Moeder zou u wel de complimenten sturen, als ze wist dat ik aan u schreef – maar ik heb het haar niet gezegd, voor als u ons niet helpen kunt. Maar u zult ons wel helpen, is het niet?
Uw BOBBIE.

Ze knipte het verslag van de terechtzitting met Moeders grote schaar uit en deed het met haar brief in de enveloppe.

Toen bracht ze die naar het station, de achterdeur uitvliegend en zo naar de grote weg toe, uit angst dat de anderen haar zouden zien en aanbieden mee te gaan, en ze gaf de brief aan de Chef, met verzoek die de volgende morgen aan de oude heer te overhandigen.

‘Waar ben je gewéést?’ schreeuwde Peter haar boven van de tuinmuur toe, waarop hij en Phyllis zaten.

‘Naar het station natuurlijk. Help me een handje, Peter.’

Ze zette haar voet op het slot van de tuindeur en Peter stak haar zijn hand toe.

‘Wat hebben jullie uitgevoerd,’ vroeg ze, zodra ze naast hen was aangeland – want Peter en Phyllis zagen er buitengewoon smerig uit. Tussen hen in lag een klomp vochtige klei, ze hadden elk een stuk in hun modderige rechterhand, en naast Peter, veilig ver opzij geschoven, lagen verscheiden wonderlijke ronde gevalletjes, iets als heel dikke saucijsjes, bol maar aan één kant ingedrukt.

‘Dat zijn nestjes,’ zei Peter, ‘zwaluwnesten. We gaan ze in de oven drogen en hangen ze dan met touwtjes op, onder de dakrand van het koetshuis.’

‘Ja,’ zei Phyllis; ‘en dan gaan we alle haartjes en eindjes wol, die we maar vinden, opsparen, om de nestjes in het voorjaar mee te voeren. Wat zullen die zwaluwen blij zijn, hè?’

‘Mensen doen meestal veel te weinig voor de dieren,’ zei Peter met een ernstig, braaf gezicht. ‘Het is eigenlijk wel vreemd, dat er nog nooit eerder iemand op het idee is gekomen, nesten voor die arme zwaluwen te maken.’

‘O,’ zei Bobbie dromerig, ‘als iedereen altijd aan alles dacht, zou er niets voor iemand anders overblijven om aan te denken.’

‘Kijk eens, hoe leuk we de nestjes gemaakt hebben!’ riep Phyllis, voorbij Peter heenreikend om een nestje te pakken.

‘Pas toch op, Phyl, ezel!’ waarschuwde haar broer. Maar het was al te laat; haar stevige, onvoorzichtige vingers hadden het nestje al kapotgeknepen.

‘Daar nou!’ zei Peter.

‘Kom, het is nog niet zo heel erg,’ vond Bobbie.

‘Het is er in ieder geval een van mij,’ zei Phyllis, ‘dus je hoeft me niet zo af te snauwen, Peter. Kijk Bobbie, we hebben elk onze voorletters op onze eigen nestjes gezet, dan weten de zwaluwen meteen van wie ze uit dankbaarheid het meest moeten houden.’

‘Wát een uil ben je toch nog! Net of zwaluwen lezen kunnen!’ riep Peter.

‘Je bent zelf een uil!’ antwoordde Phyllis woedend, ‘wat weet jij ervan?’

‘En wie heeft bedacht hoe een zwaluwnest gemaakt moest worden?’ vroeg Peter verontwaardigd.

‘Ik!’ schreeuwde Phyllis even heftig.

‘Zo?’ antwoordde Peter tergend. ‘Jij wilde spreeuwennesten maken van hooi en die in het klimop hangen. Ze zouden natuurlijk alláng doorweekt en verrot zijn, voordat het broeitijd was. Ik heb het eerst klei bedacht en zwaluwen.’

‘Het kan me ook wat schelen wat jij bedacht hebt!’

‘Kijk, Phyl, ik heb het nestje weer aan elkaar gekneed. Geef me even het stokje aan, dan zal ik er je letter inzetten. Maar hoe hebben jullie dat gedaan? Jullie hebt dezelfde voorletter, P. Peter en P. Phyllis?’

‘O, ik heb F. voor Phyllis gezet,’ zei de draagster van die naam. ‘Het klinkt toch of het een F. is. De zwaluwen zullen Phyllis stellig nooit met een P. spellen.’

‘Zwaluwen – spellen!’ lachte Peter schamper.

‘Nou, op Kerstkaartjes en Nieuwjaarskaartjes staan ze toch vaak genoeg met briefjes om hun hals of in hun bek? Hoe weten ze dan waar ze die brengen moeten, als ze niet lezen kunnen?’

‘Och, kind, dat is immers maar op een plaatje! Heb jij er ooit een in werkelijkheid gezien met een brief aan zijn hals?’

‘Een duif wel; tenminste Vader heeft er wel eens een gezien. Duiven hebben ze alleen maar onder hun vleugels, niet om hun hals, maar dat is toch precies hetzelfde, en -’

‘Zeg,’ viel Bobbie haar in de rede, ‘er wordt hier morgen een snipperjacht gehouden.’

‘Door wie?’ vroeg Peter.

‘De jongens van het instituut. Perks dacht dat de haas eerst langs de spoorbaan zou komen. We konden wel eens naar de uitgraving bij de tunnel gaan. Daar heb je zo’n mooi ver uitzicht.’

De snipperjacht bleek een vreedzamer en prettiger onderwerp van gesprek dan het al of niet kunnen lezen van zwaluwen. Daar had Bobbie wel hoop op gehad. Alle drie de kinderen waren ervan vervuld, en de volgende morgen liet Moeder hen hun boterhammen meenemen om naar de snipperjacht te gaan kijken.

‘Als we naar de uitgraving gaan,’ zei Peter, zien we in elk geval het werkvolk, al missen we de snipperjacht.’

Er was natuurlijk vrij veel tijd mee gemoeid om de spoorbaan vrij te maken van de kolossale rotsklompen, de aardmassa en de bomen en struiken, die de kinderen op die gewichtige morgen van boven neer hadden zien storten. Het is altijd interessant naar mensen te kijken die druk aan het werk zijn, vooral wanneer ze met spaden en houwelen en planken en kruiwagens aan de gang gaan; wanneer er van die ijzeren potjes met gloeiende kolen en ronde gaten erin, aan te pas komen, en er ‘s nachts rode lantaarns bij moeten gezet worden. De kinderen waren ‘s avonds laat wel nooit uit geweest, maar eens op een keer was Peter, uit het raam van zijn slaapkamertje, op het platte dak geklommen, en had hij, heel in de verte, dicht bij de rand van de uitgraving, het rode licht zien schijnen. Al een paar maal hadden ze alle drie bij het werk staan kijken, maar vandaag hield hen het over planken wegkruien van de neergestorte boel weer zo geheel bezig, dat ze voor het ogenblik de hele snipperjacht vergaten en bepaald opschrikten, toen een stem achter hen hijgend vroeg: ‘Laat me er even door, alstublieft.’ Het was de haas – een grof gebouwde, slappe jongen, met donker haar, dat plat op zijn bezweet voorhoofd lag. Een grote zak met papiersnippers hing aan een band over zijn schouder. De kinderen weken haastig achteruit, en terwijl de haas langs de rails verder vloog, stonden de werklui hem, op hun schoppen en houwelen geleund na te kijken. Steeds doordravende, verdween hij eindelijk in de tunnel.

‘Dat is tegen de verordening,’ zei de opzichter.

‘Kom,’ antwoordde de oudste werkman; ‘ik zeg altijd maar: leven en láten leven. U is toch ook jong geweest, meneer Bates!’

‘Ja, ja, maar ik moet daar toch rapport van opmaken,’ zei de opzichter.

‘Och, waarom de pret te bederven?’

‘Voetgangers mogen onder geen voorwendsel de spoorbaan oversteken,’ mompelde de opzichter, nog in tweestrijd.

‘Maar een haas is feitelijk geen voetganger,’ zei een van de arbeiders.

‘En hij is de spoorbaan ook niet overgestoken, tenminste niet voor zover wij het gezien hebben,’ bedacht een ander.

‘En hij heeft ook geen voorwendsel gemaakt,’ voegde een derde er nog bij.

‘En’ zei de oudste arbeider weer, ‘hij is nu al uit het gezicht. Wat het oog niet ziet, hoeft het hart zich niet aan te trekken, zeg ik maar.’

Op het spoor van de haas afgaand, volgden al gauw de honden. Ze waren met hun dertigen, en ze klauterden allemaal, alleen, of bij tweeën, drieën, zessen en zevenen, het smalle ladderachtige trapje af. Bobbie en Phyllis telden ze toen ze voorbijkwamen. Onderaan het trapje, bleven de voorsten aarzelend rondkijken, maar al heel gauw viel hun oog op de helderwitte stipjes langs de lijn en zetten ze koers naar de tunnel, waarin ze achtereenvolgens alleen, of bij tweeën, drieën, zessen en zevenen tegelijk verdwenen. Het was of de gapende zwarte tunnelmond de laatste, die een vuurrode trui aanhad, als een kaars uitblies.

‘Ze weten niet wat ze beginnen,’ zei de opzichter; ‘dat lopen in het donker valt niet mee, en de tunnel maakt twee of drie bochten.’

‘Denk je, dat het lang duurt eer ze er weer uitkomen?’ vroeg Peter.

‘Zeker een uur; misschien wel meer, denk ik.’

‘Zeg, laten wij er dan boven overheen gaan en ze aan het andere eind opwachten,’ zei Peter. ‘We kunnen er natuurlijk veel eerder zijn dan zij.’

De raad scheen goed en werd opgevolgd. Het drietal klom de steile treden op, vanwaar ze vroeger de wilde kersenbloesem voor het grafje van het konijn geplukt hadden, en begon, daar gekomen, de heuvel te bestijgen, waardoor de tunnel gegraven was. Het bleek een hele klim.

‘Hè!’ zuchtte Bobbie, ‘‘t lijken de Alpen wel!’

‘Of de Andes,’ zei Peter.

‘Of de Hiem – Heem – hoe heet hij ook weer,’ zei Phyllis steunend. ‘De Eeuwige Berg. O, toe – even rusten!’

‘Volhouden,’ hijgde Peter, ‘je komt dadelijk wel weer op adem.’

Phyllis hield vol, en ze zwoegden verder, op een sukkeldrafje als het terrein vrij effen en de helling makkelijk was, maar dikwijls over stenen klauterend en met behulp van bomen en struiken zich tegen de rotsen ophijsend; soms ook eens door nauwe openingetjes tussen boomstammen en rotsblokken kruipend, maar toch steeds voorwaarts, altijd hoger, tot ze eindelijk boven op het topje van de heuvel stonden, waarnaar ze al zo dikwijls verlangend getuurd hadden.

‘Halt!’ commandeerde Peter en liet zich languit in het gras vallen, want de heuveltop was een met gras bedekt plateau, hier en daar afgewisseld door bemoste rotsblokken en kleine bergesdoorns.

Ook de meisjes strekten zich lekker in het gras uit.

‘Tijd in overvloed,’ zei Peter hijgend; ‘de rest gaat aldoor naar beneden.’

Toen ze genoeg waren uitgerust om weer overeind te komen en eens rond te zien, riep Bobbie: ‘O, kijk eens!’

‘Waarnaar?’ vroeg Phyllis.

‘Naar het uitzicht, natuurlijk,’ zei Bobbie.

‘Ik vind uitzichten zulke vervelende dingen,’ zei Phyllis, ‘jij niet, Peter?’

‘Ja,’ zei Peter, ‘laten we nu maar weer verder gaan.’

‘Maar het is niet zo’n vervelend uitzicht als we, toen we aan zee waren, moesten gaan bewonderen in dat rijtuig: niets dan zee en zand en kale heuveltjes. Ik vind dit veel, véél mooier, net zoiets als op die gekleurde platen in dat boek van Moeders huwelijksreis.’

‘Nee, weet je wát leuk is!’ riep Peter, ‘zoals dat aquaduct daar over de vallei ligt; net iemand die wijdbeens staat. Het lijkt ook wel een beetje op een reuzen-duizendpoot; en dan die steden daar achter met die kerktorens, die met zulke pieken boven de bomen uitsteken!’

‘Het is prachtig!’ zei Bobbie. ‘Ik ben blij dat we het gedaan hebben. Het is best de klim waard.’

‘De snipperjacht is de klim waard,’ zei Phyllis.

‘Kom, gaan jullie nu mee, anders komen we nog te laat, en het gaat nu lekker verder alles naar beneden.’

‘Dat heb ik net precies tien minuten geleden gezegd,’ zei Peter.

‘Best, dan zeg ik het nog eens,’ zei Phyllis, ‘vooruit nou!’

‘Nog een hóóp tijd!’ zei Peter.

En dat was ook zo, want toen ze ongeveer op gelijke hoogte waren gekomen met het gewelf van de tunnel – ze hadden zich wel wat misrekend en moesten nog wel een paar honderd meter langs de steile heuvelkant voortkruipen – was er nog geen spoor van de honden te zien.

‘Ze zijn natuurlijk al lang weg,’ zei Phyllis, terwijl ze over de stenen borstwering boven de tunnel hingen.

‘Ik wed van niet,’ zei Bobbie, ‘maar als het zo is, nou, dan is het nóg niet erg. We kunnen hier de treinen zo leuk uit de tunnel zien komen, net als draken uit hun hol. Dat hebben we nog nooit van bovenaf gezien.’

‘Nou ja, wat geeft dat!’ zei Phyllis, maar half bevredigd.

Het was werkelijk een prachtig plekje. Het bovenste gedeelte van de tunnel leek veel verder van de lijn af dan ze gedacht hadden, en het was net of ze op een brug stonden, maar een brug die met klimplanten, gras en wilde bloemen begroeid was.

‘De snipperjacht is toch al lang voorbij; ik weet het zeker,’ zei Phyllis, zo wat om de twee minuten, en ze wist haast niet, of ze blij of teleurgesteld zou zijn, toen Peter, nog altijd over de borstwering geleund, opeens riep: ‘Dáár komen ze!’

Ze hingen alle drie zo ver mogelijk over het geblakerde stenen muurtje om de haas te zien, die heel langzaam uit de schaduw van de tunnel tevoorschijn kwam.

‘Zie je wel?’ riep Peter. ‘Ik heb het je wel gezegd. Nu de honden nog!’

Kort daarop verschenen de honden, eerst weer één alleen, en toen de anderen bij tweeën, drieën, zessen en zevenen – en zij liepen ook heel langzaam, alsof ze erg moe waren. Twee of drie kwamen er zelfs pas een hele tijd na de anderen uit.

‘Ziezo,’ zei Bobbie, ‘dat hebben we gehad – wat zullen we nu gaan doen?’

‘Daarginds in dat dennenbosje gaan zitten en onze boterhammen opeten,’ zei Phyllis; ‘we kunnen ze daar nog een héél eind nakijken.’

‘Nog niet dadelijk,’ zei Peter. ‘De laatste hond is er nog niet uit. Die jongen, in die vuurrode trui is er nog niet. Laten we wachten tot de laatste eruit is.’

Maar of ze al wachtten en wachtten, de hond in de rode trui verscheen niet.

‘Hè, toe, láten we nu toch gaan eten!’ zei Phyllis ongeduldig; ‘ik heb hoofdpijn van de honger. Je hebt die rode misschien niet opgemerkt; hij zal wel tussen de anderen gelopen hebben – toe nou!’

Maar Bobbie en Peter waren het erover eens, dat hij er niet met de anderen was uitgekomen.

‘Laten we naar beneden gaan,’ stelde Peter voor, ‘dan kunnen we hem misschien binnen uit de tunnel zien komen. Ik denk dat hij doodop was en in een van de nissen zit te rusten. Blijf jij hier staan, Bob, om op te letten, dan zal ik van beneden een sein geven als je komen kunt. Met al die struiken hier tegen de helling kan hij ons best ontgaan, terwijl wij naar beneden zakken.’

De beide anderen klauterden dus naar beneden, en Bobbie wachtte tot ze van daar het afgesproken sein kreeg. En toen krabbelde zij ook tussen struiken en over wortels en stenen naar de diepte om zich bij de anderen te voegen. Nog steeds was er geen spoor te zien van de hond met de rode trui.

‘Och, toe, laten we nu toch eerst gaan eten!’ klaagde Phyllis weer. ‘Ik ga nog dood, als jullie nog langer wacht, en dan zou het je spijten.’

‘Geef haar de boterhammen dan in ‘s hemelsnaam maar en stop haar vervelende mond,’ zei Peter, maar niet onvriendelijk. ‘Misschien,’ liet hij erop volgen, zich naar Bobbie kerend, ‘was het toch beter als wij er ook maar een aten. Wij zullen misschien al onze kracht nodig hebben. Maar niet meer dan één; er is geen tijd te verliezen.’

‘Wa-at?’ vroeg Bobbie, verbaasd en met een volle mond, want ze was even hongerig als Phyllis.

‘Ja, natuurlijk; begrijp je dan niet,’ zei Peter nadrukkelijk, ‘dat die ene hond een ongeluk heeft gekregen – dat spreekt toch vanzelf. Terwijl wij hier zitten te praten, ligt hij misschien al met zijn hoofd op de rails, om door de eerste de beste sneltrein vermorzeld te worden.’

‘Hè, zeg niet zulke griezelige dingen!’ riep Bobbie, de rest van haar boterham in haar mond proppend. ‘Kom maar gauw, Phyl, blijf vooral vlak achter me, en als er een trein komt, ga dan pal tegen de muur aan staan.’

‘Geef me dan eerst nog één boterham,’ vroeg Phyllis.

‘Ik ga voorop,’ zei Peter, ‘want ik heb het bedacht.’

Zijn jullie wel eens door een tunnel gespoord? De machine fluit even en dan verandert opeens het geluid van de vooruitstuivende, ratelende trein, – het klinkt veel sterker en ook anders. De reizigers trekken even de raampjes op en houden ze zolang bij de riem vast. Het is opeens net of het nacht is in de coupé – met gaslicht natuurlijk. Dan kun je langzamerhand in de duisternis buiten de raampjes lichte, witachtige stoomwolkjes voorbij zien drijven; daarna zie je een blauw schijnsel op de wand van de tunnel; dan verandert het geluid dat de trein maakt, opnieuw en kom je eensklaps weer in de heerlijke open lucht, terwijl de passagiers de raampjes, aangeslagen van de vuile damp die in de tunnel hangt, ratelend laten zakken en je de telegraafdraden langs de lijn weer op en neer kunt zien duiken en de gladgesnoeide pagedoornheggen, waar van afstand tot afstand soms zo’n grappig klein boompje boven uitsteekt.

Zo lijkt een tunnel als je in de trein zit. Maar alles is heel anders als je er op je voeten doorscharrelt, en je telkens struikelt of uitglijdt op het grint en de stukken steen, die het smalle paadje bedekken dat schuin afloopt van de rails naar de muur. Dan zie je dat er vies, modderig water langs de wanden sijpelt, en dat de stenen niet rood of bruin zijn, zoals aan de ingang van de tunnel, maar groezelig en met kleverig groen bedekt. Je stem klinkt heel anders dan daar straks buiten in de zonneschijn, en het duurt een hele tijd, eer het helemaal donker om je heen is.

En het was nog niet helemaal donker in de tunnel, toen Phyllis zo hard aan Bobbies rok trok, dat er een heel eind inhaalnaad uitscheurde, maar daar bekommerde zich niemand om op dat ogenblik.

‘Ik wil terug,’ zei ze angstig. ‘Ik vind het niks prettig. Over een minuut is het pik-pikdonker. En ik ga niet in dat heel donkere. Het kan me niet schelen wat jullie zeggen, maar ik ga niet!’

‘Kind, stel je niet aan!’ zei Peter. ‘Ik heb toevallig een stukje kaars in mijn zak en lucifers, en – wat is dàt?’

‘Dàt’ was een zacht, zoemend geluid, een getril door de telegraafdraden, die hier onderlangs de rails liepen, een gedreun en gedonder, dat sterker werd terwijl zij stilstonden en luisterden.

‘Het is een trein,’ zei Bobbie.

‘Op welk spoor?’

Dat wist niemand.

‘Laat me gaan!’ riep Phyllis en trachtte haar hand, die Bobbie stevig vasthield, los te rukken.

‘Toe, niet laf zijn,’ zei Bobbie; ‘er is niets geen gevaar, als je maar stijf tegen de muur gaat staan.’

‘Kom hier,’ schreeuwde Peter, die een paar meter verder stond. ‘Gauw! Een nis!’

Het gedruis van de naderende trein was nu nog sterker dan het geluid dat je hoort, wanneer je je hoofd onder water houdt in het bad, als de beide kranen openstaan en je met je hielen tegen de kanten aanschopt. Maar Peter had geschreeuwd, zo hard hij maar enigszins kon, en gelukkig, Bobbie had hem gehoord. Ze trok Phyllis voort naar de nis, natuurlijk struikelde Phyllis over de draden en schaafde ze haar blote benen; maar ze kregen haar mee, en ze stonden alle drie dicht op elkaar in het uitgehouwen manshoge gat, toen de trein donderend naderkwam. Horen en zien verging hen, terwijl zijn vurige ogen steeds groter en groter werden.

‘Het is wel een draak, dat heb ik altijd wel gedacht, en hier in het donker wordt hij er natuurlijk dadelijk een!’ gilde Phyllis zenuwachtig, maar niemand hoorde haar, want de trein gilde ook en zijn gegil overstemde het hare geheel.

Een paar seconden later joeg hun, onder luid gerommel, gesnuif en geratel, de trein voorbij, met zijn flikkerende rij verlichte raampjes, een benauwde stank van kolendamp en warme lucht achterlatend, terwijl hij daverend en dreunend de tunnel doorstoof, zodat het donkere gewelf ervan weergalmde. Phyllis en Bobbie grepen elkaar. Zelfs Peter pakte Bobbie bij haar arm ‘voor het geval ze eens bang mocht zijn geworden,’ zoals hij later uitlegde.

En nu werden langzamerhand de achterlichten steeds kleiner en kleiner en het geraas zwakker, tot de trein met een laatst sssjt uit de tunnel schoot en de stilte weerkeerde tussen haar dreunende wanden.

‘Hè!’ zeiden de kinderen alle drie tegelijk.

Met een bevende hand stak Peter het eindje kaars aan.

‘Kom mee,’ zei hij, maar hij moest eerst even kuchen en schrapen, eer hij weer met zijn gewone stem spreken kon.

‘O!’ bedacht Phyllis opeens, ‘als de jongen met de rode trui nu eens op de rails gelegen had!’

‘Dat moesten we nu dadelijk gaan onderzoeken,’ zei Peter beslist.

‘Zouden we niet iemand van het station kunnen sturen?’ bedacht Phyllis.

‘Zou jij dan soms hier op ons willen wachten?’ vroeg Bobbie streng, en dat besliste de zaak onmiddellijk.

Ze stapten dus voorzichtig verder de duistere diepte in, Peter voorop met zijn kaarsje omhoog, zoveel mogelijk licht verspreidend. Het vet droop hem langs zijn vingers en soms tot in zijn mouw. ‘s Avonds, bij het uitkleden, zag hij een lange streep van zijn pols tot aan zijn elleboog.

Ongeveer honderdvijftig meter van de plek waar ze gestaan hadden toen de trein voorbijvloog, stond Peter stil en riep: ‘Ik zie wat!’ waarna hij opeens veel harder doorliep. Toen de meisjes hem hadden ingehaald, stond hij vlakbij datgene waarvoor ze de tunnel waren ingegaan. Phyllis zag iets roods en kneep gauw haar ogen dicht. Daar, vlak bij de begrinte rails van de zuiderspoorlijn lag de hond met de rode trui. Zijn rug rustte tegen de wand, zijn armen hingen slap langs hem neer en zijn ogen waren gesloten.

‘Was dat rode bloed? Is hij helemaal dood?’ vroeg Phyllis, haar ogen nog stijver dichtknijpend.

‘Dood? Onzin!’ zei Peter. ‘Er is niets geen roods aan hem te zien, behalve zijn trui. Hij is alleen maar flauwgevallen. Maar wat moeten we met hem beginnen?’

‘Zouden we hem kunnen dragen?’ vroeg Bobbie.

‘Ik denk het niet; hij is nogal groot.’

‘Als we zijn voorhoofd eens met water betten, misschien komt hij wel bij. Maar nee, dat hebben we niet. Melk gaat misschien even goed! We hebben nog een fles vol.’

‘Ja,’ zei Peter, ‘en dan zijn handen wrijven, hè? Dat moet je geloof ik doen, en dan zo heel dringend vragen: ‘O, kijk toch eens op. Zie mij toch eens aan! Spreek, spréék, maar één enkel woordje!’

‘Veren onder zijn neus verbranden!’ bedacht Phyllis.

‘Een mooie raad! We hebben hier immers geen veren!’

‘Jawel,’ zei Phyllis triomfantelijk. ‘Ik heb een volant in mijn zak – dus!’

Peter wreef de handen van de vreemde jongen al, Bobbie verbrandde de volant voorzichtig onder zijn neus, Phyllis drukte haar zakdoek, nat van melk, op zijn voorhoofd en alle drie vroegen ze even smekend: ‘Och, kijk toch eens op! Spreek maar één enkel woordje, och toe maar, om ons plezier te doen!’


Hoofdstuk 12: Wat Bobbie Mee Thuisbracht

De smeekbeden van de kinderen werkten nog niet veel uit. De uitgeputte hond in de rode trui bleef maar steeds doodsbleek en met gesloten ogen tegen de wand van de tunnel geleund.

‘Maak zijn oren een beetje nat,’ ried Bobbie aan. ‘Ik weet zeker dat ze dat wel eens doen bij flauwgevallen mensen – met eau de cologne dan. Maar melk zal denk ik wel net zo goed zijn.’

Ze maakten dus zijn oren nat, en een straaltje van de melk liep in zijn hals onder de rode trui. Het was erg donker in de tunnel; Peters kaarsje, dat nu op een platte steen stond te branden, gaf bijna geen licht.

‘Och, kijk toch eens op!’ smeekte Phyllis half schreiend. ‘Och toe – ik geloof wezenlijk dat hij dood is.’

‘Nee,’ zei Bobbie, ‘dood is hij niet.’

‘Ik weet niet wat we beginnen moeten,’ zei Peter, en ten einde raad, schudde hij de patiënt zachtjes bij een arm.

Toen zuchtte de jongen plotseling, sloeg de ogen op, deed ze weer dicht, zuchtte nog eens heel diep, en zei met een zachte stem: ‘Laat los!’

‘O, hij is niet dood!’ riep Phyllis. ‘Dat wist ik ook wel,’ en ze barstte in schreien uit.

‘Wat is er gebeurd?’ vroeg de jongen. ‘Ik ben best.’

‘Drink eens,’ zei Peter, zo vast mogelijk, en hij hield de jongen de fles voor de mond. De jongen wilde niet, en er liep wat melk over zijn trui, eer hij zijn mond vrij had om te vragen: ‘Wat is dat voor goed?’

‘Melk,’ zei Peter. ‘Wees onbevreesd; gij zijt in de handen van vrienden gevallen. – Phyl hou dadelijk op met dat geblèr.’

‘Drink maar gerust,’ zei Bobbie vriendelijk, ‘het zal je goed doen.’

De jongen dronk, en de drie kinderen stonden erbij te kijken, zonder een woord te zeggen.

‘Laat hem maar een ogenblik met rust,’ fluisterde Peter, ‘hij zal wel gauw helemaal bijkomen, zodra de melk als vuur door zijn aderen stroomt.’

En dat gebeurde.

‘Ik ben weer zo goed als beter,’ deelde hij mee. ‘Nu herinner ik me ook alles weer.’ Hij trachtte zich te bewegen, maar bleef met een pijnlijk gekerm liggen. ‘Verdraaid! Ik geloof dat ik mijn been gebroken heb,’ zei hij.

‘Ben je gevallen?’ vroeg Phyllis, al snuffend en snuitend.

‘Welnee, ik ben geen klein kind meer,’ zei de jongen beledigd; ‘‘t kwam door die lamme telegraafdraden, en toen ik probeerde op te staan, kon ik niet op de been blijven, dus moest ik hier wel gaan zitten. Drommels, dat doet pijn hoor! Hoe zijn jullie eigenlijk hier gekomen?’

‘We zagen jullie allemaal de tunnel ingaan en toen zijn we de heuvel overgeklommen om jullie eruit te zien komen. Al de anderen kwamen wel, maar jij niet, en nu zijn wij de reddingsbrigade,’ zei Peter, niet zonder trots.

‘Jullie durft, dat moet ik zeggen,’ zei de jongen.

‘O, dat betekent niks,’ zei Peter nederig.

‘Denk je dat je zou kunnen lopen, als we je hielpen?’

‘Ik zal het eens proberen,’ zei de jongen.

Hij probeerde het, maar hij kon maar op één voet staan; de andere sleepte er heel vreemd bij.

‘Au! laat me zitten!’ schreeuwde de jongen. ‘Ik geloof dat ik doodga van de pijn. Gauw, laat me – o – au!’ Voor de tweede maal lag hij met gesloten ogen op de grond. De anderen keken elkaar bij het flikkerende kaarsje verschrikt aan.

‘Wat nu?’ vroeg Peter.

‘Je moet zo gauw mogelijk hulp gaan halen,’ zei Bobbie beslist, ‘uit het eerste het beste huis.’

‘Ja,’ zei Peter, ‘dat zal het beste zijn.’

‘Als jij zijn voeten neemt en Phyl en ik zijn schouders, kunnen we hem wel voorzichtig naar de nis dragen.’

Ze speelden het klaar. Waarschijnlijk, was het maar heel gelukkig voor de lijder dat hij weer in een flauwte lag.

‘Zo,’ zei Bobbie. ‘Nu zal ik bij hem blijven en jij neemt het grootste stuk kaars mee, maar o, toe, maak héél gauw voort, want dat stukje zal het niet lang meer uithouden.’

‘Ik weet niet of Moeder het wel prettig zou vinden dat we jou hier achterlaten,’ zei Peter aarzelend. ‘Als ik eens bleef, en jij en Phyl gingen hulp halen.’

‘Nee, nee,’ zei Bobbie dringend, ‘jij en Phyl moeten gaan, maar laat mij je mes; ik wou proberen of ik zijn laars uit kon krijgen, voordat hij weer bijkomt.’

‘Ik weet niet – ik hoop maar dat het zo goed is, dat we niet -’ weifelde Peter.

‘Natuurlijk is het goed!’ riep Bobbie ongeduldig. ‘Wat kunnen we anders doen? Hem alleen hier laten, omdat het donker is? Onzin! Maak maar gauw voort, dat is het enige.’

Peter en Phyllis gingen dus. En Bobbie oogde hun donkere gestalten en het kleine lichtje van het eindje kaars na, met een wonderlijk-vreemd gevoel, alsof nu het einde van alles gekomen was. Ze kon zich nu voorstellen, dacht ze, hoe een angst in vroeger eeuwen mensen moesten gehad hebben, die levend in een cel werden ingemetseld. Maar ze verzette zich met geweld tegen dat vreselijk idee.

‘Bah, wat ben je een laf, klein kind!’ zei ze tegen zichzelf. Ze kon nooit uitstaan dat een ander haar als een klein kind behandelde, maar als ze heel kwaad op zichzelf was, kon Roberta niet laten het tegen Bobbie te zeggen.

Ze zette het stukje kaars op een kapotte steen bij de zieke voet van de jongen neer en maakte toen Peters mes open. Dat ging altijd vreselijk moeilijk. Meestal moest er een tweeëneenhalvecentstuk aan te pas komen, maar gelukkig kreeg Bobbie het nu toch met de nagel van haar duim gedaan. Ze scheurde er haar nagel mee en het deed erg veel pijn, maar kon nu tenminste de veter doorsnijden en de laars uitkrijgen.

Het been was ontzettend gezwollen; het zag er heel anders uit dan een gewoon been. Toen sneed Bobbie de kous door, heel, heel langzaam en voorzichtig; het was een bruine gebreide kous, en Bobbie dacht er opeens aan, wie zijn kousen gebreid zou hebben; of zijn moeder het misschien gedaan had, en of ze op het ogenblik ongerust zou zijn waar hij bleef, en hoe ze het wel zou vinden als hij met een gebroken been werd thuisgebracht. Toen Bobbie de kous met grote moeite had afgestroopt en ze het been bloot zag, kreeg ze een gevoel alsof de tunnel plotseling veel donkerder werd en de grond onder haar op en neerging.

‘Laf, klein kind!’ zei Roberta weer minachtend tegen Bobbie, en dat hielp om het akelige gevoel meester te worden.

‘Dat arme been; had ik maar een kussentje om eronder te leggen – o!’

Opeens dacht ze aan die morgen, toen Phyllis en zij hun rode onderrokken hadden uitgetrokken om er vlaggetjes van te scheuren. Nu had ze een wit flanellen rokje aan, maar dat was net even zacht als een rood. Ze trok het vlug uit.

‘Hè, wat zijn flanellen rokken toch nuttige dingen!’ dacht ze hardop, want het was haar net of ze behoefte had eens een menselijke stem te horen, al was het dan ook haar eigen maar.

‘Wat zijn nuttige dingen?’ vroeg de jongen opeens, maar heel zwak.

‘O, gelukkig!’ riep Bobbie. ‘Nu word je weer beter. Klem je tanden stijf op elkaar en houd je flink; ik moet even je voet oplichten. Zo!’

Ze had de rok een paar maal dubbelgevouwen en schoof het flanellen kussentje handig onder zijn been.

‘Nu niet meer flauwvallen, toe, alsjeblieft, houd je nu ferm!’ smeekte Bobbie, toen hij weer pijnlijk kreunde. Ze maakte gauw haar zakdoek nat met de melk en legde die op het zieke been.

‘Au, weg met dat ding, je doet me pijn,’ schreeuwde de jongen terugschrikkend. ‘Of, nee – laat maar, het wordt al beter – het is eigenlijk wel lekker.’

‘Hoe heet je?’ vroeg Bobbie.

‘Jim.’

‘Ik Bobbie.’

‘Maar je bent toch een meisje?’

‘Ja, mijn hele naam is Roberta.’

‘Zeg – Bobbie -.’

‘Ja?’

‘Waren er straks niet meer van jullie.’

‘Ja, Peter en Phyl ook – mijn broertje en mijn zusje. Ze zijn hulp gaan halen om je hieruit te krijgen.’

‘Wat leuk – allemaal jongensnamen.’

‘Ja – ik wou wel dat ik een jongen wás!’

‘Me dunkt je bent heel goed zoals je bent en minstens net zo ferm als een jongen. Waarom ben je niet met de anderen meegegaan?’

‘Er moest toch iemand bij je blijven!’

‘Zal ik je eens wat vertellen, Bobbie,’ zei Jim. ‘Je bent een flinkert. Hier, ik moet je de hand eens schudden.’ Hij stak haar zijn roodgemouwde arm toe en Bobbie drukte zijn hand voorzichtig.

‘Ik zal hem maar liever niet schudden,’ zei ze. ‘want dan schud je jezelf en je been ook, en dat zou nogal pijn doen, denk ik. Heb je een zakdoek bij je?’

‘Ik vrees van niet.’ Hij voelde in zijn zak. ‘Ja, toch. Wat wilde je ermee doen?’

Ze maakte hem nat en legde hem op zijn voorhoofd.

‘Dat is lekker!’ zei hij dankbaar. ‘Wat is het?’

‘Melk,’ zei Bobbie, ‘we hebben geen water.’

‘Je bent een puikbeste verpleegster,’ zei Jim.

‘Zo doe ik dikwijls bij Moeder,’ vertelde Bobbie. ‘Niet met melk, natuurlijk, maar met eau de cologne of azijn en water. Nu moeten we de kaars maar uitblazen, want anders konden we straks wel eens geen licht genoeg hebben als ze je komen halen.’

‘Jij denkt toch ook om alles!’ zei Jim.

Bobbie blies. – Uit was de kaars. Je weet niet hoe pik-stikke-donker het toen in die tunnel was.

‘Zeg Bobbie,’ klonk een stem uit de zwarte duisternis, ‘ben je niet bang in het donker?’

‘Nee, tenminste niet zo heel erg,’ antwoordde Bobbie, wel wat aarzelend.

‘Laten we elkaar een hand geven,’ zei Jim, en dat was echt aardig van hem, want zoals de meeste jongens van zijn leeftijd verafschuwde hij alle uiterlijk vertoon van hartelijkheid, zoals kussen, of elkaars hand vasthouden. Voor al dat ‘gelik’ en dat ‘pootjes geven’, zoals hij het noemde, had hij een diepe minachting.

De duisternis leek Bobbie veel minder ‘eng’, toen de arme hond in de rode trui haar zacht, warm handje in zijn stevige, harde vuist hield, en hij merkte tot zijn verbazing, dat hij het niet zo mal vond als hij gedacht had. Het gaf een gevoel van gezelligheid, want nadat Bobbie haar uiterste best had gedaan hem door praten wat af te leiden – geen gemakkelijke taak in het donker – waren ze beiden in de stilte geraakt, nu en dan eens even afgebroken door een:

‘Hoe is het Bobbie? Toch niet ingedut?’ of een: ‘Pijn, Jim? Ik wou dat ze toch maar kwamen!’

En het werd koud, erg koud langzamerhand.

Peter en Phyllis liepen, terwijl het kaarsvet telkens langs Peters vingers droop, het lange eind tunnel door – het daglicht tegemoet. Ze volbrachten de tocht zonder ongelukken, behalve dat Phyllis met haar jurk achter het ijzerdraad bleef haken en er een grote lelijke scheur in trok, en dat ze over haar losse veter struikelde, waardoor ze op knieën en handen terechtkwam en alle vier op het grint schaafden.

‘Het lijkt wel of er geen eind aan die tunnel komt,’ klaagde Phyllis, – en zij was werkelijk, heel, heel lang.

‘Volhouden maar,’ zei Peter, ‘alle dingen hebben een eind, en als je maar doorzet kom je er ook wel.’

Een wijs woord van Peter en heel goed om aan te denken als je nare dingen hebt: zoals de mazelen, moeilijke sommen, strafwerk, of wanneer je in ongenade bent en het net is alsof niemand ooit meer van je houden zal, en je zelf ook nooit meer van iemand; nee nooit meer!

‘Hoera!’ riep Peter opeens, ‘ik zie het eind! Het lijkt net een heel klein speldeprikje in een stuk zwart papier, hè?’

De speldeprik werd groter – er gleed een flauw schemerlicht langs de wanden van de tunnel. Al heel gauw konden de kinderen het grintpaadje vóór hen onderscheiden; de lucht werd ook lauwer en ruimer. Nog twintig stappen, en ze stonden in het heerlijke, vrolijke, warme zonlicht met de groene bomen aan weerszijden.

Phyllis haalde diep adem.

‘Nooit van mijn leven krijg je mij weer in een tunnel, nooit, nooit meer!’ zei ze. ‘Al lagen er ook twintig honderd duizend miljoen honden met gebroken benen in.’

‘Verbeeld je – je zou wel moeten,’ zei Peter.

‘Het was toch eigenlijk erg flink en moedig van me om erin te gaan,’ zei Phyllis.

‘Moedig? Het mocht wat!’ riep Peter. ‘Je bent er niet ingegaan omdat je zo goed durfde, maar omdat Bobbie en ik geen wezels zijn. – Waar zou nu het dichtstbij een huis staan? Je kunt hier geen steek zien door die bomen.’

‘Daar is een dak!’ zei Phyllis, de lijn afwijzend.

‘Dat is het seinhuis,’ zei Peter; ‘je weet toch wel dat je niet met een seinwachter mag spreken als hij op zijn post is. Dat mag volstrekt niet.’

‘Wat kan mij dat schelen,’ zei Phyllis. ‘Ik ben lang zo bang niet om iets te doen wat niet mag, als om weer in zo’n griezelige tunnel te gaan. Kom maar,’ en ze begon al langs de rails te draven. Peter besloot haar toch maar te volgen.

Het was warm in de zon, en beide kinderen hadden hoofden als vuur, toen ze hijgend bij het seinhuis aankwamen en naar boven kijkend, naar het hoge opstaande venster, riepen: ‘Hei, heila!’ zo hard als hun adem het nog toeliet. Maar er kwam geen antwoord. Het leek wel of er niemand was, en de leuning van het ijzeren trapje voelde gloeiend aan, toen het tweetal zachtjes naar boven klauterde. De deur stond open en ze keken naar binnen. Daar zat de seinwachter met zijn stoel achterover gewipt tegen de muur. Zijn hoofd was opzij gezakt en zijn mond open. Hij sliep zo vast als wat.

‘O, jeminee,’ riep Peter verschrikt. ‘Hola! Zeg, word eens wakker!’ En hij schreeuwde het heel hard, want hij wist dat als een seinwachter op post in slaap valt, hij gevaar loopt zijn betrekking te verliezen, en er, wat nog erger is, de vreselijkste ongelukken kunnen gebeuren met de treinen, die er vast op rekenen dat hun stipt aangeeft, welke rails ze veilig volgen kunnen.

De seinwachter verroerde zich niet. Toen schoot Peter op hem af en schudde hem bij zijn schouder, en eindelijk, geeuwend en rekkend, werd de man wakker. Maar zodra hij klaar wakker was, vloog hij op, greep met zijn handen naar zijn hoofd, ‘net of hij opeens stapel was geworden’ vertelde Phyllis later, en schreeuwde: ‘Genadige Hemel – hoe laat is het?’

‘Twaalf dertien,’ zei Peter, en dat was het ook op het grote, ronde, witte gezicht van de klok die aan de wand hing.

De man keek ernaar, sprong op de hefbomen af en rukte er een paar omhoog en omlaag. Daar klonk een elektrisch belletje – de draden en krukken knarsten en de seinwachter viel op een stoel neer. Hij zag doodsbleek en het zweet stond in druppeltjes op zijn voorhoofd, net als dauwdruppels op een witte kool, dacht Phyllis. Hij beefde over al zijn leden; de kinderen konden zijn grote, behaarde handen zien trillen, ‘met geweldige trillingen’, zoals Peter het beschreef. Na een paar maal heel diep gezucht te hebben, zei hij plotseling: ‘Goddank! Goddank dat jullie hier net binnenkwamen – o, Goddank!’ en toen gingen zijn brede schouders met grote schokken op en neer; zijn gezicht werd weer rood en hij verborg het in zijn harige handen.

‘Och, nee, niet schreien,’ zei Phyllis, ‘‘t is nu immers weer allemaal goed,’ en ze klopte hem op zijn ene schouder, terwijl Peter plichtmatig op de andere sloeg.

Maar de seinwachter was helemaal van streek, en het duurde een hele tijd eer hij zich genoeg beheersen kon, om een zakdoek – een rode, met witte en paarse hoefijzers erop – voor de dag te halen en zich tot spreken te dwingen. Terwijl Peter en Phyllis bezig waren hem te troosten, donderde er een trein voorbij.

‘Ik moest me schamen, dat moest ik,’ waren de eerste woorden van de dikke seinwachter; ‘zo te grienen als een klein kind.’ Maar toen scheen hij opeens kwaad te worden en snauwde: ‘Wat kwamen jullie hier eigenlijk uitvoeren? Weet je soms niet dat het hier verboden terrein is?’

‘Jawel,’ zei Phyllis, – ‘we wisten best, dat het niet mocht, maar dat kon mij niks schelen en nu is het alweer goed uitgekomen. Je was toch maar wat blij dat we het gedaan hadden!’

‘Bewaar me, ja – als jullie niet hier waren gekomen -’ hij hield op en vervolgde toen: ‘Het is strafbaar, in diensttijd te slapen. Als het bekend werd – zelfs nou, nou er niks gebeurd is -’

‘O, maar dat raakt niet bekend,’ zei Peter, ‘wij zullen het toch niet verder vertellen! Maar het is vreselijk gevaarlijk op je post in slaap te vallen.’

‘Net of jij me dat nog vertellen moet, broekie,’ zei de man, ‘maar het werd mij te machtig. Het moest wel haast zo gebeuren, maar ik kon geen vrijaf krijgen; ze hadden niemand die het voor me kon waarnemen. Ik kan je wel verzekeren dat ik de laatste vijf nachten geen tien minuten geslapen heb. Mijn kleine jongen is ziek, longontsteking zegt de dokter – en er is niemand behalve ik en zijn kleine zus om hem te verplegen. Zo zit dat. Zus moet natuurlijk haar slaap hebben, en dan gaat het, zoals het gaat. – De jongeheer praat van gevaarlijk. Ja, óf het gevaarlijk is! Je kunt het gaan aangeven als je wilt.’

‘Natuurlijk niet!’ riep Peter verontwaardigd. ‘Maar zeg, weet je waarom wij hierboven gekomen zijn? Er ligt een jongen in de tunnel met een gebroken been en wij kunnen er hem niet uitdragen.’

‘Wat had die be…. jongen in de tunnel te maken?’ vroeg de seinwachter nors.

‘Word nou niet weer kwaad,’ zei Phyllis vriendelijk. ‘Wij hebben je in elk geval niets gedaan; alleen je wakker gemaakt, en dat was juist toevallig heel goed.’

Toen vertelde Peter het verhaal van de snipperjacht.

‘Juist,’ zei de man, in gedachten. ‘Maar ik zou niet weten hoe ik jullie helpen moest; je begrijpt, ik mag hier niet af.’

‘Maar je kon toch wel eens iemand bedenken die niet in een seinhuis zit en ons wél helpen kan!’ riep Phyllis ongeduldig.

‘Ja daarginds heb je nou bijvoorbeeld de boerderij van Brigden – daar rechts waar die rook boven de bomen uitkomt,’ zei de man, niets vriendelijk of aardig, vond Phyllis.

‘Ja, nu, dan gaan we maar,’ zei Peter.

Maar toen de kinderen al bij de deur waren, riep de seinwachter opeens: ‘Hier wacht jullie nog eens even!’ Hij had een handvol kleingeld uit zijn broekzak gehaald – verscheiden stuiverstukken, een of twee shillings en een halve kroon. Er twee shillings uit kiezende, hield hij hun die toe en zei: ‘Daar, ik zal jullie wat geven, dan zullen jullie, hoop ik, je mond houden over wat hier vanmorgen gebeurd is.’

Er volgde een ogenblik van pijnlijke stilte; toen riep Phyllis verwoed: ‘Je bent een akelige, nare man! Wat denk je wel van ons!’ En bijna op hetzelfde ogenblik had Peter een stap naar voren gedaan en de seinwachter een klap onder zijn hand gegeven, zodat de twee geldstukken opvlogen en over de grond rolden.

‘Als ik er ooit toe zou komen je aan te klagen,’ riep hij, ‘zou ik het zeker nu doen! – Kom Phyl,’ en hij stapte met brandende wangen het kamertje uit.

‘Wat een kerel!’ riep Peter, nog steeds gloeiend van verontwaardiging, toen ze al bijna bij de boerderij waren.

‘Maar hij kon het helemaal niet helpen dat hij zo naar was,’ voerde Phyllis tot zijn verontschuldiging aan. ‘Als je niet slaapt ‘s nachts voel je je soms overdag zo akelig, heeft Moeder wel eens verteld dat je niet altijd weet wat je zegt. En hij zat zo in angst over zijn jongetje.’

Toen de mensen van de boerderij met een ladder, waarover ze een paar paardendekens hadden gelegd, de nis in de tunnel bereikt hadden, bleek Bobbie gerust in slaap te zijn gevallen en Jim ook. Hij was uitgeput van de pijn, zei de dokter later.

‘Waar woont hij?’ vroeg de pachter, toen Jim heel voorzichtig op de ladder werd gelegd.

‘In Northumberland,’ antwoordde Bobbie.

‘Ik ben op school in Maidbridge,’ zei Jim. ‘Het zal zeker het beste zijn, dat ik daar weer op de een of andere manier naartoe kom.’

‘Ik geloof dat er wel eens eerst een dokter bij gehaald mag worden,’ zei de boer.

‘O, breng hem maar bij ons,’ zei Bobbie. ‘Wij wonen heel dichtbij, maar een klein eindje van de grote weg af. Moeder zal het stellig goedvinden.’

‘Zou je Ma erop gesteld zijn, zo maar een vreemde jongen met een gebroken been thuis te krijgen?’

‘O, ja,’ verzekerde Bobbie. ‘Moeder heeft zelf wel eens een arme, ongelukkige Rus mee thuisgebracht. Ze zal het stellig heel best vinden.’

‘Vooruit dan maar,’ zei de boer, ‘jullie weet het best, hoe je Ma erover denken zal. Ik zou het niet graag op me nemen met zo’n vrachtje aan te komen, zonder dat ik het eerst aan moeder de vrouw gevraagd had; en ze noemen mij nog wel “de baas”!’

‘Weet je werkelijk heel zeker, dat je moeder het niet kwalijk zal nemen?’ fluisterde Jim.

‘Héél zeker,’ zei Bobbie.

‘Dus we brengen hem maar naar “Spoorzicht”?’ vroeg de pachter.

‘Natuurlijk,’ zei Peter.

‘Dan zal mijn jongen gauw even op zijn fiets naar de dokter gaan en zeggen dat hij op “Spoorzicht” komen moet. Nou jongens, til hem zachtjes en tegelijk op: een, twee, drie!’

Zo gebeurde het dat Moeder die – schrijf je niet, zo heb je niet – bladzij aan bladzij zat vol te pennen over een hertogin en een schurk en een geheime onderaardse gang onder een betoverd kasteel, heel plotseling uit de sprookjeswereld werd verjaagd, doordat de deur van haar werkkamer opensprong, en Bobbie, zonder hoed, met slordige haren, ademloos en rood van het hollen, binnenstoof.

‘O, Moeder!’ riep ze, ‘komt u toch eens gauw beneden! We hebben een hond in een rode trui in de tunnel gevonden, en hij heeft zijn been gebroken en nu brengen ze hem hierheen.’

‘Ze moesten hem liever dadelijk naar de veearts brengen,’ zei Moeder, haar voorhoofd fronsend. ‘Ik kan werkelijk geen zieke hond verplegen.’

‘Maar hij is geen echte hond – hij is een jongen,’ verduidelijkte Bobbie, die nog bijna geen adem had om te lachen.

‘Dan moeten ze hem thuisbrengen bij zijn moeder.’

‘Maar zijn moeder is dood,’ zei Bobbie, ‘en zijn vader woont in Northumberland. Och, toe, Moeder, neemt u hem maar hier! Ik heb hem verteld, dat u het stellig goed zou vinden, omdat u altijd iedereen helpt.’

Moeder glimlachte, maar zuchtte tegelijk. Het is heel prettig voor je gevoel, als je kinderen zo overtuigd zijn van je hulpvaardigheid, maar het is wel eens lastig als ze naar die vaste overtuiging handelen.

‘Nu, kind, zei Moeder, ‘we zullen doen wat we kunnen.’

Toen Jim werd binnengedragen, akelig wit en met zijn blauwe lippen pijnlijk stijf op elkaar geklemd, zei Moeder hartelijk: ‘Ik ben blij dat jullie hem maar gauw hier hebt gebracht. Ziezo, Jim, nu zullen we eens zien, dat we je zo makkelijk mogelijk in bed krijgen, voordat de dokter komt.’

En toen Jim haar vriendelijke ogen zag, kreeg hij een heerlijk warm gevoel van troost en moed en veiligheid.

‘Dat zal wel een pijnlijke geschiedenis worden, is het niet?’ vroeg hij. ‘Ik hoop niet dat u mij voor een lafaard aanziet, mevrouw, als ik soms weer mocht flauwvallen; ik kan er werkelijk niets aan doen, en het spijt me ontzettend dat ik hier zoveel drukte teweegbreng.’

‘Tob daar maar niet over, beste jongen,’ zei Moeder; ‘‘t is voor jou het ergste – arme vent,’ en ze gaf hem een kus, net of hij Peter was. ‘We willen je wat graag verplegen, is het niet, Bobbie?’

‘Ja,’ zei Bobbie en ze zag aan Moeders gezicht, dat ze goed gedaan had, de arme gewonde hond mee thuis te brengen.


Hoofdstuk 13: De Grootvader Van De Hond

Moeder ging die dag niet meer schrijven want ze moest eerst de hond in de rode trui naar bed helpen, en toen kwam de dokter, die hem vreselijk veel pijn deed. Moeder bleef al die tijd dat de dokter bezig was, bij hem, en dat hielp veel hoewel het altijd ‘op zijn best, nog erg genoeg was,’ zoals juffrouw Viney het uitdrukte.

De kinderen zaten beneden in de huiskamer en hoorden de laarzen van de dokter heen en weer lopen over de slaapkamervloer; en een paar maal hoorden ze ook een gekerm.

‘Vreselijk toch,’ zei Bobbie. ‘O, ik wou dat dr. Forrest wat haast maakte. Die arme Jim!’

‘Ja, het is vreselijk,’ zei Peter, ‘maar het is toch ook wel interessant. Ik wou maar dat dokters niet zo gewichtig deden en iedereen uit de kamer stuurden als ze aan de gang gaan. Ik zou dolgraag eens zien hoe een been gezet wordt, ik denk dat de tenen geweldig zullen kraken.’

‘Houd je toch stil!’ riepen de beide meisjes, met de handen voor de oren.

‘Stel je niet aan!’ zei Peter. ‘Hoe kunnen jullie ooit goede Rode-Kruiszusters worden – dat wilde jullie immers, zei je vanmiddag – als je niet eens kunt hebben, dat ik van krakende beenderen praat! Op het slagveld moet je ze zelf horen kraken en je handen tot aan de ellebogen in het geronnen bloed steken, en -’

‘Peter, houd óp!’ riep Bobbie met een wit gezicht; ‘je weet niet hoe een griezelig gevoel ik van binnen krijg.’

‘Ik ook,’ zei Phyllis, die er even blozend bleef uitzien.

‘Lafaards!’ riep Peter.

‘Dat ben ik niet,’ zei Bobbie. ‘Ik heb Moeder geholpen toen jij de hark in je voet had gekregen, en Phyl ook – dat weet je best.’

‘Zeg, weet je wat gezond voor jullie zou zijn,’ zei Peter, ‘als ik jullie elke dag eens een half uur van akelige wonden en gebroken benen en levensgevaarlijke operaties vertelde, dan zou je er wel aan wennen.’

Boven werd een stoel verschoven.

‘Luister!’ zei Peter, ‘daar kraakt zijn been weer.’

‘Och, toe, Peter, laat het dan toch!’ smeekte Phyllis. ‘Als Bobbie het nou zo naar vindt!’

‘Ik kan je wel vertellen wat ze nu doen,’ zei Peter, ‘maar ik begrijp niet waarom hij er zo akelig van is. Misschien komt het, omdat hij zich eerst de hele tijd zo flink heeft gehouden. Dat noemen ze reactie. Je hebt het zelf ook wel eens. Soms, als je ‘s een hele tijd extra buitengewoon braaf bent geweest, krijg je opeens zo’n zin om eens allerlei verkeerde dingen te doen. – Weet je wat ze nou uitvoeren? Ze binden hem vast, zodat hij geen vin verroeren kan als de dokter aan de gang gaat, en dan houdt de een zijn hoofd vast en de ander zijn been – dat kapotte, zie je – en dan trekken ze zo hard ze kunnen aan beide kanten, tot de beenderen weer op de goede plaats zitten – dat kraakt geweldig, dat snap je! En dan verbinden ze het en – zeg, laten we eens beentje-zetten spelen!’

‘O, nee!’ zei Phyllis.

Maar Bobbie riep onverwachts: ‘Ja, best, best! Dat is leuk! Ik zal de dokter zijn en Phyl de verpleegster en jij de gebroken-benenman; we kunnen makkelijker jouw benen verbinden, omdat jij geen rokken aanhebt.’

‘Goed, dan zal ik spalken en windsels halen,’ zei Peter. ‘Maken jullie dan vast de lijdenssponde klaar.’

De touwen waarmee de dozen en koffers van de verhuizing vastgebonden waren geweest, lagen allemaal in een pakkist in de kelder. Toen Peter met een dikke verwarde bos touw en twee smalle plankjes terugkwam, giechelde Phyllis zenuwachtig.

‘Ga je gang maar,’ zei hij, terwijl hij vreselijk kermend op de bank ging liggen.

‘Schreeuw niet zo!’ waarschuwde Bobbie, die dadelijk aan het werk ging om de touwen over Peter heen en onder de rustbank door te winden. ‘Trek maar stevig aan, Phyl.’

‘Niet zo hard!’ kreunde Peter. ‘Jullie zult mijn andere been nog echt breken.’

Bobbie ging rustig voort steeds meer touw om de patiënt heendraaiend.

‘Zo is het wel genoeg,’ zei Peter. ‘Ik kan me niet verroeren. O, mijn arme been,’ begon hij weer te kermen.

‘Weet je zeker dat je je niet bewegen kunt?’ vroeg Bobbie op een beetje bijzondere toon.

‘Heel zeker,’ antwoordde Peter. ‘Zullen we spelen dat het erg bloedt of niet?’ vroeg hij opgewekt.

‘Jij kunt spelen wat je wilt,’ zei Bobbie afgemeten, terwijl ze, met haar armen over elkaar gekruist, op haar hulpeloze broer neerkeek. ‘Phyl en ik gaan weg, en we zijn niet van plan je los te maken, voordat je ons beloofd hebt, dat je nooit weer over bloed en wonden en al zulke akeligheden zult praten, of wij moeten het goed vinden. – Kom Phyl!’

‘Dat is gemeen!’ riep Peter, wringend om los te komen. ‘Dat beloof ik nooit, nooit! Ik zal net zo hard gillen, tot Moeder boven komt.’

‘Best,’ zei Bobbie, ‘en vertel haar dan maar waarom we je hebben vastgebonden! Kom mee, Phyl! – Niets gemeen, maar jij wilde niet ophouden toen we het je vroegen en -’

‘Bah,’ zei Peter, ‘en je hebt het nog niet eens zelf bedacht; je hebt het natuurlijk uit Stalky!’1)

Bobbie en Phyl trokken zich zwijgend en waardig terug en ontmoetten bij de deur juist de dokter. Hij wreef vergenoegd in zijn handen en zag er helemaal uit of hij plezier in zijn leven had.

‘Ziezo,’ zei hij, ‘dat zaakje is goed afgelopen. Het is een eenvoudige breuk, die stellig heel gauw genezen zal. De jongen heeft zich ferm gehouden – wat is dàt?’

Zijn oog viel op Peter die muisstil op de rustbank lag.

‘Speel jullie gevangene?’ vroeg hij, maar zijn wenkbrauwen gingen bedenkelijk omhoog. Het viel hem tegen, dat Bobbie een luidruchtig spel zou spelen, terwijl een verdieping boven haar, iemand zoveel pijn leed.

‘Nee,’ zei Bobbie, ‘niet van gevangene. We speelden dat Peter een been moest gezet worden en dat ik de dokter was.’

‘En ik was de pleegzuster!’ voegde Phyllis er vrolijk bij.

1)
Stalky & Co. is een boek van Kipling.

De dokter fronste zijn voorhoofd.

‘Ik moet jullie zeggen,’ begon hij, en zijn stem klonk streng, ‘dat ik dat een vrij harteloos spelletje vind. Hebben jullie niet zoveel verbeelding, dat je je enig idee kunt vormen van wat zich hierboven afspeelt? Die arme jongen had de droppels zweet op het voorhoofd staan en moest op zijn lippen bijten om het niet uit te schreeuwen, zo pijnlijk was de zachtste aanraking, en -’

‘U moest óók vastgebonden worden,’ begon Phyllis, ‘u zegt al net zulke akelige dingen als -’

‘Stil!’ riep Bobbie verschrikt. ‘Het spijt me dokter, maar we hadden heus wel medelijden; wezenlijk, allemaal wel.’

‘Het is mijn schuld,’ zei Peter. ‘Houd maar niets voor je, Bobbie; je hoeft mij niet te ontzien; daar bedank ik hartelijk voor. Het kwam alleen dokter, omdat ik over bloed en wonden gepraat heb; ik wilde er hun vast een beetje aan wennen tegen dat ze Rode-Kruis-zusters worden, en ik wilde er niet mee uitscheiden toen ze het me vroegen.’

‘Zo – en?’ zei dokter Forrest, een stoel nemende.

‘Nou, – toen zei ik: laten we eens van beentje-zetten spelen. Het was natuurlijk maar uit gekheid. Ik dacht, Bobbie wil toch niet, en ik zei het alleen maar om haar te plagen. Maar toen zei ze “ja”, en toen moest ik er natuurlijk wel mee doorgaan. En toen bonden ze me vast. Flauw – ze aapten het na uit “Stalky”, en ik vind het gewoon een gemene streek van hun.’

Hij probeerde zich om te draaien en zijn gezicht tegen de muur te verbergen.

‘Ik dacht natuurlijk niet, dat iemand anders er iets van merken zou, behalve wijzelf,’ zei Bobbie, verontwaardigd antwoordend op Peters onuitgesproken verwijt. ‘Ik wist niet dat de dokter hier zou komen. En ik kan er ook wezenlijk niet tegen, dat iemand zo lang over bloed en wonden praat; dan krijg ik zo’n raar gevoel binnenin me. We bonden hem maar uit de grap vast, dokter. Zal ik je nu weer losmaken, Peter?’

‘Het kan me niks schelen, al maak je me nooit meer los,’ zei Peter. ‘Ik vind het een laffe aardigheid en -’

‘Als ik jou was,’ zei de dokter, hoewel hij eigenlijk niet goed wist wat hij zeggen moest, ‘zou ik me maar laten losmaken, voordat Moeder beneden komt. Jullie wilt het haar nu toch zeker niet lastig maken, is het wel?’

‘Denk eraan dat ik niet beloofd heb, nooit weer over wonden en zowat te praten,’ zei Peter knorrig, terwijl Phyllis en Bobbie de knopen begonnen los te maken.

‘Het spijt me, Peter, dat het zo trof,’ fluisterde Bobbie, terwijl ze tobde om de dikke knoop onder de bank los te krijgen, ‘maar je weet ook niet hoe akelig ik ervan werd.’

‘Je hebt mij akelig gemaakt, dat kan ik je wel zeggen,’ antwoordde Peter nors. Toen schudde hij de touwen van zich af en stond op.

‘Ik kwam hier eigenlijk binnen,’ zei dr. Forrest, ‘om te kijken of ik een van jullie mee kon krijgen naar de apotheek. Er zijn een paar dingen die je moeder dadelijk nodig heeft, en ik heb mijn knecht juist een dag vrijaf gegeven om naar het paardenspel te gaan. Loop jij even met me mee, Peter?’

Peter volgde de dokter zonder zijn zusjes een woord of een blik waardig te keuren.

Zwijgend stapte het tweetal het veld door naar het hekje, dat toegang gaf tot de grote weg. Daar gekomen vroeg Peter: ‘Zal ik uw tas dragen, dokter? – Nou, die is zwaar, hoor! Wat zit er in?’

‘O, messen en lancetten en allerlei instrumenten om mensen mee te pijnigen, en een flesje met ether. Ik moest hem wat ether laten ruiken, weet je; de jongen had ontzettend veel pijn.’

Peter zei niets.

‘Vertel me eens precies hoe jullie die jongen feitelijk gevonden hebt.’

Peter deed het hele verhaal, en toen vertelde dr. Forrest hem verhalen van moedige reddingen; hij was toch een allerleukste man, vond Peter weer, altijd had hij wat interessants te vertellen.

In de apotheek wachtende, was Peter beter dan ooit in de gelegenheid de balans, de microscoop en de maatglazen te bekijken.

Toen al wat Peter mee moest nemen klaar en ingepakt was, zei de dokter opeens: ‘Je neemt me niet kwalijk dat ik er me mee bemoei, hoop ik, maar ik wilde graag eens een woordje met je spreken.’

‘Nou komt het standje los!’ dacht Peter, al verwonderd dat hij er tot nu toe aan ontsnapt was.

‘Over iets wetenschappelijks,’ voegde de dokter erbij.

‘O,’ zei Peter, die met het versteende weekdier speelde dat de dokter als presse-papier gebruikte.

‘Je weet, mijn jongen, dat de man voor het harde, ruwe deel opkomt van al het werk wat er in de wereld gedaan moet worden; dat hij voor niets bang mag zijn, zijn gevoel dus dikwijls verharden moet, en durf een van zijn eerste deugden is. Maar de vrouw is aangewezen om kinderen groot te brengen, de kleintjes te koesteren en te verplegen, waarom we van haar altijd zachtheid en geduld verlangen.’

‘Ja,’ zei Peter, niet begrijpende waar de dokter naartoe wilde.

‘Welnu, jongens en meisjes zijn niet anders dan kleine mannen en vrouwen, is het niet, en wij zijn veel grover van gevoel en veel meer gehard dan zij (Peter vond dat “wij” verbazend leuk van de dokter) – en veel sterker. Dingen die hun pijn doen, voelen wij nauwelijks. Je zult een meisje nooit slaan -’

‘Natuurlijk niet!’ riep Peter verontwaardigd.

‘Ook niet al is ze je eigen zusje; dat komt omdat meisjes zoveel zachter en teerder zijn dan wij. En je weet, dat moeten ze zijn,’ liet hij erop volgen, ‘omdat ze anders niet zo goed voor de kleine kinderen zorgen. Om die reden zijn ook alle mannelijke dieren zo zacht voor het moederdier. Ze vechten nooit met hen, zoals je weet.’

‘Ja,’ zei Peter vol belangstelling; ‘als je twee mannetjeskonijnen bij elkaar in een hok hebt, vechten ze de hele dag, maar een vrouwtje laten ze met rust.’

‘Juist; en wilde beesten, leeuwen en olifanten bijvoorbeeld zijn ook altijd heel zacht voor de vrouwtjesdieren. Dus mogen wij het zeker ook wel zijn, vind je niet?’

‘Ja,’ zei Peter.

‘De harten van vrouwen en meisjes zijn ook veel zachter dan de onze,’ hervatte de dokter, ‘en dingen waar wij niets in vinden, doen hun pijn. Daarom moet een man niet alleen voorzichtig zijn met zijn handen, maar ook met zijn woorden. Meisjes zijn dikwijls heel dapper, zoals je weet,’ vervolgde hij. ‘Denk maar eens aan Bobbie, die daar alleen in die tunnel wachtte bij die arme jongen. Het is iets heel eigenaardigs, Peter, maar hoe zachter en teergevoeliger een vrouw of een meisje is, hoe beter ze zich meestal dwingen kan om datgene te doen wat gedaan moet worden. Ik heb verscheiden moedige vrouwen leren kennen – je Moeder is er een,’ eindigde hij plotseling.

‘Ja,’ zei Peter.

‘Zo, dat is alles. Het verwondert je misschien dat ik dit allemaal met je besproken heb, maar iemand kan niet alles weten zonder dat het hem verteld wordt, en je begrijpt wel wat ik meen, is het niet?’

‘Ja,’ zei Peter weer. ‘Het spijt me een beetje dat ik het gedaan heb. Ik had het liever niet moeten doen.’

‘Natuurlijk; de mens ziet zulke dingen altijd in, zo gauw hij ze maar begrijpt. Maar je moet eerst in die wetenschap onderricht worden, is het niet?’

De dokter schudde Peter hartelijk de hand en liet hem gaan.

Bij zijn thuiskomst keken de zusjes hem een beetje twijfelachtig aan.

‘Het is vrede,’ zei Peter, de tamelijk zware mand hard op de tafel zettende. ‘Dr. Forrest heeft wetenschappelijk met me gepraat. Het zou niets geven, of ik het jullie al over vertelde; je zou het toch niet begrijpen. Het komt allemaal daar vandaan dat jullie meisjes, maar arme, zwakke, bange, tere schepsels zijn, net als konijnen; daarom moeten wij mannen ons maar een beetje naar jullie schikken en wat geduld met je zwakheid hebben. Hij zei dat jullie vrouwelijke dieren waren. – Zeg, zal ik die boel naar Moeder brengen, of doen jullie het?’

‘En zal ik je eens zeggen wat jongens zijn?’ viel Phyllis met een kleur als vuur Peter aan. ‘Jongens zijn de naarste, akeligste, onbeleefdste, ruwste -’

‘Wie meen je? Die jongen hierboven zeker, hè? Ga je gang maar, Phyl – ik zal alles wat je zegt geduldig aanhoren, omdat je toch maar zo’n arme, zwakke, bange, kinderachtige -’

‘Houd je mond, of ik trek je aan je haar,’ dreigde Phyllis, op hem toevliegend.

‘Hij heeft gezegd dat het vrede zou zijn,’ zei Bobbie, haar wegrukkende. ‘Zie je dan niet,’ fluisterde ze haar zusje in, toen Peter met de mand de deur uitstapte, ‘dat hij er eigenlijk wel spijt van heeft, maar het alleen maar niet bekennen wil. Toe, laten we maar zeggen dat wij er ook spijt van hebben.’

‘Verbeeld je; ik wil niet zo’n heilige boon zijn,’ zei Phyllis. ‘Hij heeft toch gezegd dat we vrouwelijke dieren waren, en laf en teer en overal bang voor -’

‘Nu, laten we hem dan eens tonen dat we niet te laf zijn om door hem voor heilige bonen te worden aangezien,’ zei Bobbie; ‘en als wij dieren zijn, is hij er ook een.’

Toen Peter even later terugkwam, nog met zijn kin in de lucht, zei Bobbie: ‘Het spijt ons, dat we je hebben vastgebonden, Peter.’

‘Dat dacht ik wel,’ zei Peter hoog.

Dit maakte het excuus niet makkelijk, maar Bobbie hernam moedig: ‘Nu, dan is het nu alles weer gewoon, hè?’

‘Ik zei immers al dat het vrede was, toen ik thuiskwam,’ zei Peter op beledigde toon.

‘Goed,’ zei Bobbie, ‘laat het dan ook vrede zijn. Kom, Phyl, wij gaan voor de thee zorgen. Peter, leg jij het servet vast neer.’

‘Zeg, Peter,’ begon Phyllis, toen de vrede werkelijk getekend was, (niet voordat ze bezig waren de theekopjes af te wassen), ‘dr. Forrest heeft toch niet echt gezegd dat we vrouwelijke beesten waren, is het niet?’

‘Jawel,’ zei Peter, ‘maar ik geloof wel, dat hij bedoelde dat wij mannen ook wilde beesten zijn.’

‘Wat gek!’ zei Phyllis, terwijl ze meteen een kopje brak.

‘Mag ik binnenkomen, Moeder?’ Peter stond voor de deur van Moeders werkkamer, waar Moeder zat te schrijven, met twee kaarsen voor zich. De vlammetjes leken oranje en violet tegen de helder grijs-blauwe tint van de hemel, waaraan al een paar sterren flikkerden.

‘Jawel,’ riep Moeder. ‘Is er iets gebeurd?’ Ze schreef nog een paar woorden, legde toen haar pen neer en begon dicht te vouwen wat ze geschreven had. ‘Ik zat juist aan Jims grootvader te schrijven. Je weet immers dat hij hier in de buurt woont?’

‘Ja, u vertelde het onder de thee. Daarom kwam ik juist. Moet u hem schrijven, Moeder? Kunnen we Jim niet hier houden en het zijn familie pas schrijven als hij weer helemaal beter is? Het zou zo’n leuke verrassing voor hen zijn.’

‘Ja,’ zei Moeder lachend, ‘dat zou het zeker.’

‘Ziet u,’ vervolgde Peter, ‘de meisjes zijn natuurlijk heel goed en best – daar zeg ik niets van, maar ik zou het soms zo heerlijk vinden als ik eens met een andere jongen kon praten.’

‘Ja,’ zei Moeder, ‘ik begrijp heel goed dat het dikwijls saai voor je is, vent, maar ik kan er heus niets aan doen. Een volgend jaar hoop ik je naar kostschool te kunnen sturen – dat zou je prettig vinden, is het niet?’

‘Ja, ik mis andere jongens soms erg,’ bekende Peter, ‘maar als Jim later weer lopen mag, kunnen we het natuurlijk echt leuk met elkaar hebben.’

‘Daar twijfel ik niet aan,’ zei Moeder. ‘Misschien zou hij hier ook wel kunnen blijven, maar je weet, beste jongen, dat we niet rijk zijn; ik kan niet alles voor Jim laten komen wat hij nodig heeft, en hij moest feitelijk een verpleegster hebben.’

‘Maar kunt u hem dan niet verplegen, Moeder? Toe, u kunt het juist zo goed.’

‘Heel prettig om te horen, Peter, maar ik kan niet een patiënt verplegen en tegelijk mijn schrijfwerk doen; dàt is de moeilijkheid.’

‘Dus u moet aan zijn grootvader schrijven?’

‘Natuurlijk, en aan de directeur van de school ook. We hebben hun allebei een telegram gestuurd, maar ze zijn natuurlijk erg verlangend naar tijding.’

‘Maar, Moeder,’ bedacht Peter opeens. ‘Als nu zijn grootvader de verpleegster eens betaalde; dat zou prachtig zijn! Ik wed dat hij schatrijk is; dat zijn grootvaders in boeken ook altijd,’

‘Maar dit is er geen uit een boek,’ zei Moeder, ‘daar moeten we dus maar niet te veel van verwachten.’

‘Zeg, Moeder,’ begon Peter even later. ‘Het lijkt me zo leuk als we allemaal in een boek voorkwamen dat u schreef. Dan kunt u er allerlei aardige dingen in laten gebeuren; Jims been dadelijk beter maken en Vader thuis laten komen en -’

‘Mis je Vader erg?’ vroeg Moeder, een beetje koel, verbeeldde Peter zich.

‘Vreselijk,’ zei Peter kort.

Moeder sloot juist de tweede brief en zette er het adres op.

‘Ziet u,’ vervolgde Peter langzaam, ‘het is niet alleen omdat hij Vader is, maar ook omdat er nu geen een man meer in huis is, behalve ik – daarom wilde ik zo ontzettend graag dat Jim bleef. – Zou u het zelf niet leuk vinden, Moeder, om een boek te schrijven waar wij allemaal in voorkwamen en Vader er weer bij was?’

Peters moeder sloeg plotseling haar arm om hem heen en drukte hem tegen zich aan. Toen zei ze: ‘Vind je het geen mooier idee te weten dat we in een boek voorkomen dat God bezig is te schrijven? Als ik het boek schreef, zou ik zeker fouten begaan, maar God weet precies hoe de geschiedenis eindigen moet, op de wijze die het beste voor ons is.’

‘Gelooft u dat werkelijk, Moeder!’ vroeg Peter haastig.

‘Ja,’ zei Moeder, ‘ik geloof het stellig – tenminste bijna altijd; alleen wel eens niet, als ik zo bedroefd ben dat ik niets meer geloven kan. Maar zelfs dan nog, weet ik dat het waar is en tracht ik het altijd weer te geloven. Ziezo, vent, breng jij de brieven nu even naar de post en laten we ons niet naar maken. Moed, moed! Dat is wel de beste van alle deugden! Ik denk dat Jim hier in elk geval nog wel veertien dagen blijven zal.’

Het overige deel van de avond gedroeg Peter zich zo engelachtig vond Bobbie, dat ze heus bang was dat hij ziek zou worden, en ze voelde zich bijna verlicht toen ze hem de volgende morgen bezig zag Phyllis’ jurk aan haar stoelleuning vast te knopen.

Even na het ontbijt werd er aan de deur geklopt. De kinderen waren druk bezig, ter ere van Jim, de koperen kandelaars te poetsen.

‘Daar zal de dokter zijn!’ zei Moeder. ‘Ik zal wel opendoen; doe de keukendeur maar dicht, jullie kunt zó niet voor de dag komen.’

Maar het was de dokter niet; dat hoorden ze wel aan de stem en aan het geluid van de laarzen die de trap opgingen; het geluid van die laarzen kenden ze niet, maar ze waren alle drie zeker, dat ze die stem wel kenden.

Gedurende een vrij lange tijd hoorden ze niets; de laarzen en de stem kwamen niet weer beneden.

‘Wie zou het toch kunnen zijn?’ vroegen ze zichzelf en elkaar telkens af.

‘Misschien,’ bedacht Peter eindelijk, ‘is dr. Forrest wel door rovers aangevallen en voor dood blijven liggen, en dat dit de man is die ze getelegrafeerd hebben om de praktijk waar te nemen. Juffrouw Viney zei dat er ook altijd iemand kwam als de dokter vakantie nam, is het niet, juffrouw?’

‘Ja, kind,’ zei juffrouw Viney, uit de bijkeuken.

‘Misschien heeft hij wel een toeval gekregen,’ zei Phyllis, ‘en kan geen menselijke hulp meer baten, en dan is dit natuurlijk de knecht die het nieuws voorzichtig aan Moeder moet komen mededelen.’

‘Onzin!’ zei Peter. ‘Die zou Moeder toch niet mee naar Jims slaapkamer hebben genomen. Daar zou geen enkele reden voor zijn. – Hoor, de deur gaat open! Nu zullen ze wel dadelijk beneden komen; ik zal de deur op een kiertje zetten.’

En hij deed het.

‘Dat is niet afluisteren,’ antwoordde hij verontwaardigd op Phyllis’ tegenwerpingen; ‘niemand zal toch op de trap geheimen behandelen! Dan zou je tenminste al gek moeten zijn, en Moeder kan toch geen geheimen hebben met de knecht van dr. Forrest – en jij zei dat die het was.’

‘Bobbie!’ klonk Moeders stem.

Ze deden de keukendeur open en Moeder stond over de trapleuning gebogen.

‘Jims grootvader is er,’ zei ze; ‘was jullie je gezicht en je handen, dan kun je hem even goedendag komen zeggen. Hij wil jullie graag even zien!’ Daarop ging de slaapkamerdeur weer dicht.

‘Daar nou, wat stom,’ zei Peter, ‘dat we daar niet aan gedacht hebben! Geef me een beetje warm water alstublieft, juffrouw; ik ben zo zwart als roet.’

Ze zagen werkelijk alle drie duchtig vuil, want poetsextract mag koperen kandelaars schoonmaken, je wordt er zelf alles behalve schoon van.

Ze waren nog druk bezig met zeep en nagelschuier, toen ze de laarzen en de stem naar beneden hoorden komen en de eetkamer binnengaan. En toen ze schoon waren, maar nog wel wat vochtig, want goed handen afdrogen duurt zo ontzettend lang, en ze verlangden alle drie even hard de grootvader te zien – kwamen ze achter elkaar de kamer in.

Moeder zat in de vensterbank, en in de leren armstoel, die Vader in het vorige huis altijd gebruikte, zat –

Hun eigen Oude Heer.

‘Hoe kan dat nou?’ riep Peter, even voordat hij zei: ‘Dag meneer.’

Zoals hij later uitlegde was hij te verrast geweest om zich ook maar te herinneren, dat er zoiets als beleefdheid bestond.

‘Onze eigen oude meneer!’ juichte Phyllis.

‘O, is u het!’ riep Bobbie uit, en toen bedachten ze dat ze niet heel beleefd waren, en zeiden zij behoorlijk goedendag.

‘Dit is Jims grootvader, mijnheer -’ zei Moeder, de naam van de heer noemende.

‘Wat enig leuk!’ zei Peter; ‘dat is nu net precies als in een boek, hè, Moeder?’

‘Ja,’ zei Moeder glimlachend; ‘soms gebeuren er in het werkelijke leven wel eens dingen, die net zijn als in boeken.’

‘Ik ben toch zo vreselijk blij, dat u het juist is,’ zei Phyllis. ‘Als je bedenkt hoe een massa oude heren er in de wereld zijn – zou het net zo goed iemand anders hebben kunnen zijn.’

‘Maar mijnheer,’ vroeg Peter, ‘u komt Jim toch niet weghalen?’

‘Nog niet,’ zei de oude heer. ‘Je moeder is zo vriendelijk geweest erin toe te stemmen, dat hij hier blijft. Ik was eerst van plan een verpleegster te sturen, maar je moeder wil hem zelf verplegen, wat ik bijzonder waardeer.’

‘Maar haar schrijfwerk dan?’ had Peter al gevraagd eer iemand het kon voorkomen. ‘Als Moeder niet schrijft, hebben we niets te eten.’

‘Dat is al geschikt,’ zei Moeder.

De oude heer keek Moeder erg vriendelijk aan.

‘Ik zie,’ zei hij, ‘dat u uw kinderen vertrouwt en in vertrouwen neemt.’

‘Natuurlijk,’ zei Moeder.

‘Dan mag ik hun misschien de kleine schikking die we gemaakt hebben, wel eens vertellen,’ zei hij. ‘Jullie moeder, kinderen, heeft erin toegestemd, haar schrijfwerk een poos te laten rusten en directrice van mijn ziekenhuis te worden.’

‘O!’ zei Phyllis, niet wetende wat ze daarvan maken moest; ‘en moeten we dan hier weg, van “Spoorzicht” en van de spoorbaan en alles?’

‘Nee, nee, kindje,’ zei Moeder haastig.

‘Het ziekenhuis zal heten “Spoorzicht”,’ zei de oude heer, ‘en mijn ongelukkige Jim is de enige patiënt en zal dat hoop ik ook blijven. Jullie moeder zal directrice zijn met een keukenmeid en een tweede meisje onder haar bevelen – tot Jim weer beter is.’

‘En gaat Moeder dán weer schrijven?’ vroeg Peter.

‘Dat zullen we nog eens zien,’ zei de oude heer, met een vluchtige blik op Bobbie; ‘misschien gebeurt er wel eens iets heel prettigs en hoeft het dan niet meer.’

‘Maar ik schrijf gráág,’ zei Moeder.

‘Dat weet ik,’ zei de oude heer, ‘maak u maar niet ongerust dat ik er u in verhinderen zal, maar men kan nooit weten. Er gebeuren soms heel wonderlijke, verrassende en heerlijke dingen, is het niet? En het grootste deel van ons leven hopen we toch op zulke mogelijkheden. Mag ik nog eens terugkomen, Mevrouw, om naar de jongen te zien?’

‘Zeker,’ zei Moeder, ‘en ik weet niet, hoe ik u danken zal voor uw grote vriendelijkheid, die mij in staat stelt hem te verplegen.’

De oude heer stond op.

‘Pas maar goed op je moedertje, jongens,’ zei hij, ‘ze is er een uit duizenden!’

‘Ja, dat is waar!’ zei Bobbie zacht.

‘God zegene haar,’ zei de oude heer, Moeders beide handen in de zijne nemend. ‘God zegene haar! En dat zal hij ook; ik geloof het zeker! – Drommels, waar heb ik nu mijn hoed gelaten? Bobbie, ga jij mee tot aan het hekje?’

Onderweg op het veld bleef hij staan en zei: ‘Je bent een beste meid, hoor – ik heb je brief gekregen, maar het was niet nodig geweest. Toen ik het hele verslag van je vaders zaak in de kranten volgde, kreeg ik al vermoedens, en zolang ik jullie gekend heb, ben ik ook bezig geweest inlichtingen te verzamelen en achter de waarheid te komen. Veel heb ik nog niet gedaan, maar ik heb hoop, lieve kind, veel hoop.’

‘O!’ zei Bobbie en haar stem beefde.

‘Ja, ik mag veilig zeggen: véél hoop. Maar bewaar je geheim nog een beetje langer. Het zou niet goed zijn, je moeder al met een valse hoop te vleien, wel?’

‘Maar hij is niet vals!’ riep Bobbie. ‘Ik weet vast en zeker dat u het kunt doen. Ik wist het wel toen ik u schreef. Het is geen valse hoop, is het wel?’

‘Nee,’ zei hij, ‘ik geloof niet dat het een valse hoop is, en ik vond dat je gauw verdiende te weten dat er hoop was.’

‘En u gelooft toch niet dat Vader het gedaan heeft, wel? Och, toe, zeg toch, dat u het niet gelooft.’

‘Lieve kind,’ zei hij, ‘ik ben absoluut zeker dat hij onschuldig is.’

En mocht het nog een valse hoop blijken, ze gaf in elk geval warmte en licht in de dagen die volgden, en verhelderde Bobbies gezicht, zoals een lampion verlicht wordt door de kaars die erin brandt.


Hoofdstuk 14: Het Einde

Nadat de oude heer zijn kleinzoon was komen bezoeken, werd het leven op ‘Spoorzicht’ nooit meer zoals vroeger. Hoewel de kinderen nu zijn naam wisten, noemden ze hem daar nooit bij. Voor hen was en bleef hij de oude heer, en dat moet hij voor ons ook maar blijven, vind ik. Jullie zouden hem toch niets duidelijker voor je zien, wel, al vertelde ik je, dat zijn naam Snooks of Jenkins was (en zo was hij niet), en ik mag toch ook wel één enkel geheim voor mezelf houden, is het niet? Alleen maar dit ene; overigens heb ik jullie alles verteld, behalve wat ik jullie nog in dit hoofdstuk ga vertellen: het allerlaatste.

Nu, zoals ik al gezegd heb, was het leven op ‘Spoorzicht’ nooit meer geheel hetzelfde. De dienstmeisjes waren heel aardig, maar ze zeiden tegen Moeder dat ze juffrouw Viney best missen konden en ze een oude, onhandige stumperd was. Het werd dus zo veranderd, dat juffrouw Viney nog maar twee dagen per week kwam om te wassen en te strijken.

Een paar dagen later verklaarden de dienstmeisjes dat ze het werk best af konden, als de kinderen zich er maar helemaal buiten hielden, en dus hoefden Phyl en Bobbie nooit meer klaar te zetten, af te wassen en stof af te nemen.

Dit zou een grote leegte in hun leven gegeven hebben, hoewel ze heel dikwijls beweerd hadden, dat ze huishoudelijk werk ‘afschuwelijk’ vonden. Maar nu Moeder niet meer hoefde te schrijven en haast niets in de huishouding hoefde te doen, hield ze veel tijd over voor lessen, en die gaf ze de kinderen geregeld. Hoe aardig de persoon ook is die je les geeft, lessen zijn toch lessen en altijd nog vervelender dan aardappelschillen of een kachel aanmaken.

Maar aan de andere kant had Moeder, nu ze tijd kreeg om les te geven, ook meer tijd om spelletjes te doen en kleine rijmpjes te maken, zoals vroeger. Sedert ze op ‘Spoorzicht’ gekomen was, had ze maar een heel enkel gedichtje voor hen gemaakt.

Bij die lessen was iets heel eigenaardigs. Wààr de kinderen ook mee bezig waren, ze wilden altijd juist iets anders doen. Als Peter een Latijnse thema maakte, dacht hij, dat het juist zo leuk zou zijn een geschiedenisles te leren, zoals Bobbie. Bobbie had dan toevallig net zo’n zin in rekenen, waar Phyllis mee bezig was, en Phyllis leek natuurlijk op dat ogenblik Latijn zo buitengewoon prettig.

Op zekere dag, toen ze aan hun werk zouden beginnen, vond elk een klein versje op zijn bord. Ik zet de versjes hierin om je te laten zien, dat hun moeder werkelijk wel wist hoe kinderen over verschillende dingen denken en ze ook wist welke woorden ze veel gebruiken, wat lang niet alle grote-mensen weten. De meesten hebben, vrees ik, een slecht geheugen, en zijn totaal vergeten hoe en wat zij voelden toen ze klein waren. De versjes waren zo gemaakt alsof de kinderen er zelf in spraken.

Peter.

Eerst dacht ik: ‘zo’n beetje grammatica,
Wat stom, om dat niet te snappen,’
Maar het valt niks mee als je verder komt,
Met die werkwoorden kon ik het niet lappen,
Ik geef het je cadeau, hoor, dat gore Latijn,
Geschiedenis leren, dát is pas fijn!

Bobbie.

Als die jaartallen niet bestonden,
Vond ik geschiedenis niet zo naar,
Maar ik haal al die oude datums
Zo wanhopig door elkaar.
Wat kan mij het ook eigelijk bommen,
Wie de Franse troon besteeg,
En of Oostenrijk of Spanje
Er een stukje land bij kreeg.
Rekenen, dat is een lekker vak!
Sommen maak ik met gemak!

Phyllis.

Wat een misselijke sommen
Van die knikkers en dat geld!
Het komt niet uit, want ik weet het antwoord;
Ik heb het al zóó vaak opgeteld!
En die van die lamme appels
Is ook fout, tenminste aan het end,
Hoe ik ook tel en tel en uitvlak,
Ik houd maar zeven repetent.
O, is het niet om dol te worden?
Niemand heeft het zóó zuur als ik,
Mocht ik maar Latijn gaan leren,
Dan was ik zeker in mijn schik.

Zo’n aardigheid maakte de lessen natuurlijk veel prettiger. Het is net of het een beetje helpt, als de persoon die je les geeft, zelf begrijpt dat het niet altijd zo van een leien dakje voor je gaat, en het niet enkel domheid is, die je het lessen leren moeilijk maakt.

En een poosje later, toen Jims been beter werd, was het heerlijk naar verhalen van zijn school te luisteren. Er was daar één jongen, die Jacob Parr heette en voor wie Jim een grenzeloze minachting scheen te hebben, en een andere jongen, de kleine Wigsby, voor wiens opinies Jim grote eerbied koesterde. Ook waren er drie broers Paley op Jims school, waarvan de jongste ‘Paley Drie’ genoemd werd.

Peter hoorde al die verhalen met groot genot aan en Moeder scheen er ook belangstellend naar geluisterd te hebben, want op een keer gaf ze Jim een velletje papier, waarop ze een rijmpje over Jacob Parr gemaakt had en waarin Paley en Wigsby ook te pas waren gebracht. Jim vond het ‘ontzettend leuk’; hij had nog nooit een versje bezeten, dat iemand bepaald voor hem gemaakt had. Hij leerde het uit het hoofd en stuurde het toen aan Wigsby. Het heette:

De nieuwe Jongen.

Zijn voornaam ‘Jacob’ zei hij dadelijk
De eerste middag aan de thee,
Hij drinkt dan zoet zijn beker melk
En doet nooit aan iets joligs mee.

Hij is doodsbenauwd voor natte voeten,
Trekt altijd overschoentjes aan,
En spreekt bij het Frans precies mesjeu na,
Al in de piep voor het overgaan.

Zijn ‘Pa’ komt het ventje trouw bezoeken,
Zijn oudste zus knipt zelf zijn haar,
Waagt hij het op het voetbalveld te komen,
Dan wordt je van zijn schoppen náár.

Om bij de ‘baas’ een pluim te krijgen,
Likt hij hem vaak tot walpens toe;
In juni laat hij pas zijn jas uit,
Hij mag niet eerder van zijn ‘Moe’.

Met Drie durfde hij niet vechten,
Druipstaartend koos hij het hazenpad,
Hij kan nóg niet ons clublied fluiten,
Elk laat hem schieten, dat is glad!

De kleine Wigsby wil beweren,
Dat elke nieuweling zo begint,
Ik geloof het nooit, maar dat is zeker
Dat ieder hem een mispunt vindt.

Jim kon maar niet begrijpen hoe Peters moeder zoiets bij elkaar kon krijgen, maar de ‘Spoorzicht’-kinderen vonden het heel gewoon; ze waren hun leven lang gewend geweest aan een moeder die op alles rijmpjes maakte.

De jongens zaten heel dikwijls te dammen, te domineren of te schaken, wat Peter van Jim leerde, en het was helemaal een prettige, gezellige, rustige tijd.

Maar toen Jims been steeds beter en beter werd, kregen Bobbie, Peter en Phyllis alle drie zo het gevoel, dat ze eens iets nieuws moesten bedenken om hem te amuseren: geen gewone spelletjes, maar eens iets bijzonders. Maar het was erg moeilijk zoiets te verzinnen.

‘Het geeft toch niet!’ zei Peter, toen ze alle drie gedacht en gedacht hadden tot ze er suf van waren; ‘als we niets kunnen bedenken om hem plezier mee te doen, kunnen we het doodgewoon niet, en dan is het uit. Misschien gebeurt er wel eens iets zo vanzelf dat hij prettig vindt.’

‘Ja soms gebeuren er wel eens dingen zo maar vanzelf, zonder dat je er iets voor gedaan hebt,’ zei Phyllis, op een toon, alsof gewoonlijk alles wat er gebeurde haar bedrijf was.

‘Ik wou dat er eens iets héél bijzonders gebeurde,’ zei Bobbie peinzend, ‘iets heel wonderlijks en heerlijks.’

En er gebeurde iets heel wonderlijks en heerlijks, precies vier dagen nadat Bobbie het gewenst had. Ik wou dat ik zeggen kon dat het drie dagen later gebeurde, omdat in sprookjes de dingen ook altijd drie dagen later gebeuren, maar dit is geen sprookje, en buitendien was het werkelijk vier en niet drie dagen later, en ik houd me vóór alles aan de strikte waarheid.

De kinderen schenen in die dagen wel helemaal geen Spoorwegkinderen, en ze kregen langzamerhand zelf een gevoel alsof er in dat opzicht iets niet in de haak was, een gevoel dat Phyllis op een morgen uitte door te zeggen: ‘Zou de spoorbaan ons ook missen? We komen er tegenwoordig haast nooit meer.’

‘Het lijkt wel erg ondankbaar,’ zei Bobbie: ‘toen we niets beters hadden, gingen we er zo dolgraag heen.’

‘Perks komt telkens eens naar Jim vragen,’ zei Peter, ‘en het kind van de seinwachter is beter geworden; dat heeft hij me verteld.’

‘Ik vind niet aardig,’ zei Bobbie op de vierde dag, een dinsdag, ‘dat we niet meer naar de trein van 9.15 gaan kijken om de groeten aan Vader mee te geven.’

‘Laten we er vanmorgen weer mee beginnen,’ stelde Phyllis voor. En zo gebeurde het.

De grote verandering, die er had plaatsgehad door de komst van de dienstmeisjes en doordat Moeder voorlopig niet meer schreef, deed de dagen veel langer schijnen dan vroeger, toen ze voor allerlei te zorgen hadden; zoals die eerste morgen, heel in het begin, toen ze zo extra vroeg waren opgestaan en de bodem uit de ketel was gebrand, en ze appeltaart aan het ontbijt hadden gegeten, en voor het eerst de spoorbaan zagen.

Het was nu september, en het gras op de helling naar de spoorbaan toe werd dor en droog. Lange, fijne grashalmen stonden als stukjes koperdraad overeind, tere, blauwe klokjes beefden op hun taaie, slanke stengeltjes; paarse kattenstaarten staken hun torentjes in de lucht, en de goudgele sterretjes van het St. Janskruid schitterden nog langs de rand van de poel, halverwege tussen het huis en de spoorbaan. Bobbie plukte een paar handenvol van de veldbloemen, denkend hoe mooi ze zouden staan op het kleurige zijden dekentje, waarmee Jims gebroken been nu luchtig bedekt was.

‘Maak voort!’ riep Peter, ‘of we missen hem nog!’

‘Ik kan niet gauwer,’ zei Phyllis. ‘Ajakkes, daar gaat mijn veter alwèèr los!’

‘Als jij trouwt,’ zei Peter, ‘zal je veter natuurlijk juist losgaan als je de kerk in komt, en dan valt de man waar je mee trouwt erover en staat hij met een kapotte, bloedende neus op, en dan zeg je misschien nog, dat je zo niet met hem trouwen wilt en dan maar liever een oude vrijster blijft.’

‘O, nee,’ zei Phyllis. ‘Ik zou nog veel liever trouwen met een man met een gebroken neus, dan met helemaal niemand.’

‘Het lijkt mij toch wel afschuwelijk, hoor, zo’n verbrijzelde neus,’ zei Bobbie. ‘Hij zou niet eens de bloemen kunnen ruiken bij de trouwerij. Vreselijk jammer!’

‘Schei toch uit!’ riep Peter. ‘Kijk, het sein is al neer; we moeten hollen.’

Ze vlogen de heuvel af en wuifden nog eens weer hun zakdoeken voor de trein van 9.15, zonder zich er om te bekommeren of die vuil waren of niet.

‘De groeten aan Vader!’ riep Bobbie, en de anderen riepen ook zo hard ze konden: ‘De groeten aan Vader!’

De oude heer wuifde terug uit zijn eersteklascoupé. Hij wuifde bijna woest. Dat was nu op zichzelf zo buitengewoon niet, omdat hij altijd gewuifd had, maar wel iets heel bijzonders was, dat uit alle raampjes zakdoekjes wapperden, kranten zwaaiden of handen wuifden. Rommelend en dreunend stoof de trein voorbij, de kiezeltjes sprongen en dansten ertegenop en de kinderen keken elkaar verbaasd aan.

‘Wat zou dát betekenen?’ vroeg Peter, zonder dat hij antwoord verwachtte.

‘Ik weet niet,’ zei Bobbie. ‘Misschien had de oude heer wel aan de mensen aan het station gezegd, dat ze naar ons moesten kijken en wuiven, omdat hij wist dat we dat zo prettig vinden.’

En wel heel toevallig, was dit werkelijk het geval. De oude heer, die iedereen in de omgeving kende en hoogachtte, was ‘s morgens al bijtijds aan het station geweest en had bij de doorgang gewacht, waar de man altijd staat met dat leuke machientje om de kaartjes te knippen; en toen had hij tegen iedere reiziger die er doorging iets gezegd. En nadat ze geknikt hadden bij wat de oude heer zei – met gezichten, die alle graden van verrassing, belangstelling, twijfel, blijdschap en instemming uitdrukten – was elke reiziger even op het perron blijven stilstaan om een bepaald stukje van hun ochtendblad met de grootste aandacht te lezen. En toen de reizigers in hun coupé stapten, vertelden ze het nieuws weer aan de reizigers die er al in zaten, en toen grepen die reizigers ook dadelijk naar hun krant en lazen met verbazing, en de meesten met blijdschap, hetzelfde bericht.

Toen de trein voorbij de afrastering stoof, waar de kinderen op de uitkijk stonden, wuifden alle inzittenden als dollen met hun handen, kranten of zakdoeken, tot de hele kant van de trein een witte beweeglijke streep vertoonde, zoals je het wel eens in een bioscoop ziet, wanneer er een plaat komt van een vorstelijke intocht of zoiets. De kinderen vonden het net alsof de trein zelf leefde.

‘Wat een typisch leuk gezicht, hè?’ zei Peter.

‘Ja, typisch,’ echode Phyllis.

Maar Bobbie zei: ‘Vonden jullie niet dat de oude heer een beetje bijzonder wuifde, anders dan anders? Zo veelbetekenend?’

‘Nee,’ zeiden de anderen.

‘Ik wel,’ zei Bobbie. ‘Ik dacht dat hij ons iets beduiden wilde met zijn krant.’

‘Beduiden? Wat dan?’ vroeg Peter, heel natuurlijk.

‘Ik weet niet,’ zei Bobbie, ‘maar ik heb zo’n vreemd, naar gevoel in me; net of er iets iets heel bijzonders moet gebeuren.’

‘Wat er gebeuren zal, is, dat Phyllis haar hele kous verliest,’ zei Peter.

Dat was maar al te waar. In de agitatie van het wuiven was de knoop van haar lijfje gesprongen; Bobbies zakdoek werd om Phyllis’ been gebonden en zo keerden ze naar huis terug.

De lessen vielen Bobbie die dag buitengewoon moeilijk; ze kón er haar aandacht niet bij bepalen, ja ze tobde zo onbegrijpelijk met een doodgemakkelijk sommetje, dat Moeder haar bezorgd aankeek.

‘Voel je je misschien niet goed, kind?’ vroeg ze.

‘Ik weet het niet,’ klonk Bobbies onverwacht antwoord. ‘Ik weet niet wat ik voel. Het is heus niet, dat ik er te lui toe ben, maar – mag ik vandaag eens geen sommen maken, Moes; ik heb telkens zóó’n raar gevoel, dat ik het liefst alleen buiten zou zijn.’

‘Goed, neem dan maar vrijaf,’ zei Moeder, Bobbie onderzoekend aankijkend, ‘maar -’

Klets! daar liet Bobbie haar lei vallen; ze barstte in drie stukken en kon nooit meer gebruikt worden. Zonder die zelfs op te rapen, stoof ze de kamer uit. In de gang, waar ze zenuwachtig tussen de mantels grabbelde naar haar tuinhoed, kwam Moeder nog even bij haar.

‘Wat is er, lieveling?’ vroeg Moeder. ‘Je voelt je toch niet ziek, wel?’

‘Ik weet het zelf niet,’ antwoordde Bobbie, een beetje gejaagd, ‘maar ik wilde het allerliefste maar alleen zijn, dan gaat dat rare, griezelige, benauwde gevoel in mijn hoofd en hier van binnen misschien wel over.’

‘Was het niet beter als je een uurtje naar bed ging?’ vroeg Moeder, Bobbies haar naar achteren strijkend.

‘Nee, ik ga liever in de tuin,’ zei Bobbie.

Maar ze had geen rust in de tuin. De dahlia’s en de asters en de late rozen schenen allemaal op iets te wachten. Het was een van die heldere, héél stille najaarsdagen, waarop het net lijkt, alsof de hele natuur in afwachting is.

En Bobbie kón niet rustig wachten.

‘Ik geloof dat ik maar eens met Perks ga praten,’ dacht ze, en ze liep naar het station.

Onderweg kwam ze de oude juffrouw uit het postkantoortje tegen die haar riep en haar een kus gaf, maar tot Bobbies verbazing niet anders zei dan een: ‘God zegen je, lieve kind!’ en toen, na een korte stilte: ‘Loop maar hard – gauw maar!’

De jongen uit de manufacturenwinkel, die dikwijls vrij onbeleefd, ja soms zelfs brutaal geweest was, kwam nu aan zijn pet, en zei opvallend vriendelijk: ‘Goeiemorgen, jongejuffrouw.’

De smid, met een krant in de hand uit zijn smederij schietende, deed nog vreemder.

Lang voordat hij bij haar was, vertrok hij zijn mond tot een brede lach – anders volstrekt zijn gewoonte niet – en wuifde hij haar met het opengevouwen blad toe. En toen hij haar voorbijging, zei hij: ‘Goeiemorgen, jongejuffrouw; ik feliciteer u – dat doe ik.’

‘O,’ zei Bobbie, en het hart klopte haar tegen de keel; ‘er moet vast en zeker iets gebeuren. Ik weet het nu zeker! Iedereen doet zo vreemd – net als in een droom.’

De Stationschef schudde haar de hand of die een pompslinger was, maar verklaarde die ongewone hartelijkheid niet. Het enige wat hij zei was: ‘De 11.54 is wat laat, Roberta – dat komt met al die extra bagage na de vakanties,’ en toen verdween hij in zijn geheimzinnig heiligdom, waarin zelfs Bobbie hem niet durfde volgen.

Perks was nergens te zien, en Bobbie deelde de eenzaamheid van het perron met de stationskat. Zelfs deze grijs met bruin gevlekte jonge dame, meestal tamelijk teruggetrokken van aard, kwam nu naar Bobbie toe, om zich langs haar bruine kousen te wrijven, onder het opzetten van een hoge rug, het zwaaien van haar staart en een aanhoudend gesnor.

‘Wat gek!’ zei Bobbie, terwijl ze zich bukte om het dier te strelen. ‘Hoe is iedereen toch zo extra vriendelijk tegen me vandaag – jij ook al, Poes!’

Perks verscheen niet, voordat het sein voor de 11.54 gegaan was, en toen had hij, net als alle andere mensen die morgen, een krant in de hand.

‘Zo!’ zei hij, ‘ben je daar? Nou, als dit de trein is, zal er wat te koop zijn! God zegen je, beste kind. Ik lees het daarnet, en ik weet niet dat ik in jaren zo in mijn schik geweest ben.’ Hij keek Bobbie even van terzijde aan en liet er toen op volgen: ‘u neemt mij de vrijheid niet kwalijk, is het wel, maar op een dag als vandaag,’ – en meteen gaf hij haar een kus, eerst op de ene, en toen op de andere wang.

‘U neemt het toch immers niet kwalijk, jongejuffrouw – want och, op zóó’n buitengewone dag -’

‘Nee, hoor, ik neem het helemaal niet kwalijk,’ zei Bobbie; ‘we houden net zoveel van je of je een oom van ons was, maar wát voor buitengewone dag meen je?’

‘Zo’n dag als vandaag!’ zei Perks. ‘Ik zei immers dat ik het daarjuist in de krant gelezen had!’

‘Wàt dan toch?’ vroeg Bobbie, maar juist stoomde de 11.54 het station binnen, en de Stationschef keek al naar al de plaatsen waar Perks behoorde te zijn en niet was.

Bobbie bleef alleen staan, terwijl de kat haar, van onder de bank op het perron, met haar goudgele ogen vriendelijk toeknipte.

Natuurlijk hebben jullie allang geraden wàt er gebeuren zou. Maar Bobbie was niet zo vlug. Ze had alleen maar dat wonderlijke, onverklaarbaar vreemde gevoel van verwachting, dat je wel eens in je dromen krijgt. Wat ze eigenlijk verwachtte weet ik niet – misschien wel precies hetzelfde wat jullie en ik weten dat gebeuren zou – maar met helder bewustzijn verwachtte ze niets. Integendeel haar gedachten waren juist zo vaag, zo zwevend; het was of haar hoofd helemaal dof en leeg was, net zoals je maag wel eens is, na een heel lange wandeling, wanneer je ver over de gewone etenstijd thuiskomt.

Er kwamen maar drie mensen uit de trein van 11.54. De eerste was een man uit het dorp met twee manden vol levende kuikens, die hun roodbruine kopjes angstig tussen de tenen spijltjes doorwrongen, de tweede een juffrouw Peckith, de nicht van de kruideniersvrouw, met een blikken bus en drie in bruin papier gewikkelde pakken onder haar armen; en de derde –

‘O, Vadertje, Vadertje!’ Die kreet sneed de passagiers in de trein als een mes door het hart; de mensen staken hun hoofden uit de raampjes om naar die lange, bleke man met die pijnlijk gesloten mond te kijken, en naar het meisje, dat snikkend aan zijn hals hing en dat hij zo vast in zijn armen klemde.

‘Ik wist dat er iets bijzonders zou gebeuren,’ zei Bobbie, toen ze het veld doorliepen, ‘maar dat het dit zou zijn! O, Vadertje toch, wat heerlijk, wat héérlijk is het!’

‘Maar heeft moeder dan mijn brief niet gekregen?’ vroeg Vader.

‘Er zijn vanmorgen geen brieven gekomen. O, o, Vader, is u het wel wezenlijk?’

Zijn krachtige handdruk nog niet vergeten, bevestigde opnieuw de gelukkige waarheid.

‘Nu moet jij straks vooruitlopen, Bobbie, en Moeder heel kalm proberen te vertellen dat alles in orde is. De schuldige is eindelijk gevat, en iedereen weet nu, dat je vader het niet gedaan heeft, kind.’

‘Dat wist ik altijd wel!’ riep Bobbie. ‘Moeder en ik en onze oude meneer.’

‘Ja,’ zei Vader, ‘we hebben het aan hem te danken. Moeder schreef me dat jij het ontdekt had en ze schreef me ook wat je voor haar geweest was; mijn lief, dapper dochtertje!’ Toen stonden ze even stil.

En nu zie ik in mijn gedachten het huis al meer en meer naderen. Bobbie gaat naar binnen, haar best doende om haar ogen niet te laten verraden het heerlijke, blijde nieuws dat ze Moeder ‘heel kalm’ moet trachten mede te delen; de tijding dat al die ellende, dat stille verdriet, die zorgen en die vreselijke scheiding voorbij zijn – dat Vader terug is!

Ik zie Vader vol verlangen in de tuin wachten – wachten. Hij kijkt naar de bloemen, en elke bloem is als een wonder voor die ogen, die de hele zomer niets anders gezien hebben dan stenen vloeren en gangen en grint, met hier en daar een armzalig beetje gras misschien. Maar zijn blikken keren telkens weer haastig naar het huis, en nog even later loopt hij de tuin door en vat hij post achter de dichtstbijzijnde deur. Het is de achterdeur en de zwaluwen zwieren in cirkels over de plaats; ze maken zich al gereed om weg te vluchten voor de naderende koude winden, naar het land waar het altijd zomer is. Het zijn diezelfde zwaluwen, waarvoor de kinderen de nestjes maakten.

Daar gaat de deur open. Bobbie roept:

‘Kom maar, Vader, gauw, gauw!’

De lange, bleke man stapt naar binnen en de deur gaat dicht. Wij zullen die liever niet weer opendoen om hem te volgen. Ik denk dat ze ons daar binnen nu wel missen kunnen, en het lijkt mij het beste maar stilletjes weg te sluipen. Aan het eind van het veld, tussen de hoge, gouden grassprieten, de blauwe klokjes, de kattenstaarten en het St. Janskruid kunnen we dan nog eens voor het laatst omkijken naar het witte huis, waar het Geluk zo juist is weergekeerd.


Auteursvermelding

E. Nesbit (1858–1924) was een Britse schrijfster die vooral bekend werd door haar levendige en ontroerende kinderboeken, waaronder *The Railway Children* (1906), waarop dit verhaal gebaseerd is. Het boek verscheen oorspronkelijk als feuilleton in het tijdschrift *London Magazine* en wordt beschouwd als een van de meest geliefde Engelstalige kinderklassiekers. De Nederlandse vertaling bleef trouw aan Nesbits unieke mix van avontuur, humor en diepgaand gevoel voor kinderbeleving.