De Schipbreuk van Robinson Crusoe

Na bijna vier jaar in Brazilië te hebben gewoond en op mijn plantage zeer goed te gedijen en voorspoed te hebben, had ik niet alleen de taal geleerd, maar had ik ook vriendschap opgebouwd met de medeplanters en de kooplieden van St. Salvador, onze haven. In mijn gesprekken met hen had ik vaak verslag gedaan over mijn twee reizen naar de kust van Guinee. De manier waarop ik handel dreef daar, en hoe gemakkelijk het was om aan de kust kleinigheden te verkopen, zoals kralen, speelgoed, messen, scharen, bijlen, stukjes glas en dergelijke. Ik kocht daar goudstof, Guinea-korrels en olifantentanden om mee te nemen naar Brazilië.

Ze luisterden zeer aandachtig naar mijn verhalen over handel drijven. Dit was in die tijd een ambacht, dat niet veel werd bedreven. De volgende ochtend kwamen een paar kooplieden en planters naar mij toe. Ze hadden lang nagedacht over wat ik hen had verteld en kwamen me een geheim voorstel doen. Ik moest zweren dat het geheim zou blijven. Ze vertelden me dat ze van plan waren om met een schip naar Guinee te gaan. De vraag was of ik het handelsgedeelte aan de kust van Guinee zou willen beheren. Ik zou daar dan een nederzetting krijgen met een goede voorraad. Dit was een eerlijk voorstel voor iemand die geen eigen nederzetting en plantage had om voor te zorgen. Voor mij was de gedachte aan zo’n reis het meeste belachelijke waaraan een mens in die omstandigheden aan kon denken.

Maar ik, die geboren was om uitdagingen aan te gaan, kon het aanbod niet weerstaan. Net zoals ik eerder mijn eigen dwaze plannen niet kon weerstaan en de goede raad van mijn vader in de wind sloeg. Ik zei ze kort maar krachtig dat ik er met heel mijn hart voor ging, als zij voor mijn plantage zouden zorgen tijdens mijn afwezigheid. Ook als ik zou overlijden. Hier waren ze het allemaal mee eens en er werd een verbond op schrift gesteld. Ik maakte een formeel testament om over mijn plantage en bezittingen te beschikken in het geval van mijn dood. Hierbij maakte ik de kapitein van het schip, dat mijn leven had gered, mijn erfgenaam. Hij zou verplicht zijn, in geval van mijn dood, de ene helft van mijn bezittingen naar Engeland te sturen, de andere helft mocht hij houden.

Kortom, ik nam alle mogelijke voorzichtigheid in acht om mijn bezittingen te behouden en mijn plantage in stand te houden als ik op reis ging. Natuurlijk, als ik echt voorzichtig was geweest, was ik nooit weggegaan van zo’n voorspoedige onderneming, om een gevaarlijke reis op zee te maken.

Maar ik was altijd onrustig en gehoorzaamde blindelings aan mijn fantasie in plaats van mijn rede. Dus, toen het schip gereed gemaakt was, ging ik aan boord op een donker uur. Ik vertrok op 1 september 1659, op dezelfde dag waarop ik acht jaar geleden bij mijn vader en moeder in Hull vandaan ging.

Ons schip woog ongeveer 120 ton, droeg zes kanonnen en veertien man, naast de kapitein, zijn maatje en ikzelf. We hadden geen grote lading goederen aan boord, wel speelgoed dat geschikt was voor onze handel en verder kralen, stukjes glas, schelpen en andere kleinigheden. Maar ook handige voorwerpen zoals messen, scharen en bijlen.

Op de dag dat ik aan boord ging, zetten we koers naar het noorden. Het plan was om langs de hele Afrikaanse kust te varen. Tot we ongeveer tien of twaalf graden op noorderbreedte kwamen, leek alles goed te gaan. We hadden heel goed weer, alleen extreem heet. Ter hoogte van Kaap St. Augustino verloren we het land uit het oog en stuurden maar alsof we op weg waren naar het eiland Fernando de Noronha. Op onze koers passeerden we de grens in ongeveer twaalf dagen tijd en waren, volgens onze laatste waarneming, op 7 graden noorderbreedte, toen een gewelddadige tornado ons geheel in zijn macht kreeg. Het waaide zo verschrikkelijk, dat we samen twaalf dagen lang niets anders konden doen dan met de wind meevaren. Ons lot lag daar waar de woede van de wind ons heen zou leiden. Ik hoef je natuurlijk niet te vertellen dat ik gedurende deze twaalf dagen elke dag verwachtte te worden opgeslokt door de zee. Niemand verwachtte nog het schip levend te zullen verlaten.

In deze nood hadden we, afgezien van de schrik van de storm, nog meer pech. Eén van onze mannen was omgekomen, en een man en een jongen spoelden overboord. Omstreeks de twaalfde dag, toen het weer wat minder slecht werd, deed de kapitein een observatie, zo goed als hij kon. Hij bemerkte dat hij zich op ongeveer elf graden noorderbreedte bevond, maar dat was ver weg van Kaap St. Augustino. Hij ontdekte dat hij aan de kust van Guyana was gekomen. De kapitein overlegde met mij welke koers hij moest volgen. Het schip was lek en stuk en de kapitein wilde direct terug naar de kust van Brazilië.

Ik was het niet met dat plan eens. Terwijl we samen de kaarten van de zeekust van Amerika bestudeerden, kwamen we tot de conclusie dat er geen bewoond land was waar we onze toevlucht naar konden nemen totdat we binnen de cirkel van de Caribische-eilanden kwamen. We besloten Barbados te laten liggen en op zee te blijven en hoopten in ongeveer vijftien dagen naar de volgende bestemming te zeilen. Onze reis naar de kust van Afrika kon onmogelijk doorgaan zonder hulp.

Met deze verandering van koers probeerden we één van onze Engelse eilanden te bereiken, waar we het schip konden laten repareren. Maar onze reis werd anders bepaald; want op de breedtegraad van twaalf graden kwam er een tweede storm over ons. Deze storm voerde ons met dezelfde onstuimigheid naar het westen. Zo kwamen we niet in de buurt van de gebieden waar we handel wilden drijven. We zouden van geluk mogen spreken als onze levens gespaard zouden blijven en we ooit nog naar ons eigen land terug zouden keren.

In deze nood, terwijl de wind nog steeds erg hard waaide, riep één van onze mannen op een ochtend vroeg: “Land in zicht!” We waren nog maar net uit de hut gerend om naar buiten te kijken, in de hoop te zien waar we ons in de wereld bevonden, of het schip sloeg op het zand, en in een ogenblik, brak de zee over het schip heen. En wel op zo’n manier dat we verwachtten dat we allemaal onmiddellijk zouden zijn omgekomen. We deden ons uiterste best onszelf te beschermen tegen het schuim en de nevel van de zee.

Het is niet gemakkelijk voor iemand die niet in dezelfde toestand is geweest om de schrik en angst van mensen in dergelijke omstandigheden te beschrijven of te begrijpen. We wisten niet waar we waren, of naar welk land we werden toe gedreven. En we wisten niet of het een bewoond of een onbewoond eiland zou zijn. Omdat de wind nog steeds zeer hard was, hoewel iets minder dan eerst, konden we niet lang meer wachten. Het schip zou een paar minuten later door midden kunnen breken, tenzij de wind, door een soort wonder, onmiddellijk zou keren. Kortom, we zaten elkaar aan te kijken en te wachten op de dood die elk moment kon toeslaan. We probeerden ons voor te bereiden op een andere wereld, als we al wisten hoe we dat moesten doen. Maar het schip was nog niet kapot en de kapitein zei dat de wind begon af te nemen. Nu, hoewel we dachten dat de wind een beetje afnam, bevonden we ons in een vreselijke toestand want het schip was op het zand geslagen en kon niet meer vertrekken. We konden niets anders doen dan bedenken hoe we ons leven zo goed mogelijk konden redden. We hadden vlak voor de storm een ​​boot aan onze achtersteven vastgemaakt maar deze werd kapot geslagen tegen het roer en zonk in de zee. Daar konden we dus geen hoop meer uithalen. We hadden nog een boot aan boord maar hoe haar in zee te krijgen was een twijfelachtige zaak. Er was echter geen ruimte meer voor discussie, want we dachten dat het schip elke minuut in stukken zou breken. Er was haast geboden.

In deze nood greep de stuurman van ons schip de boot vast en met de hulp van de rest van de mannen hebben ze deze boot over de kant van het schip geslingerd. Toen we alles in de boot hadden, lieten we los en gaven ons, elf in getal, over aan Gods genade en gingen de woeste zee op. Want hoewel de storm aanzienlijk was afgenomen, sloeg de zee toch vreselijk hoog op de kust. Je zou het een wilde zee kunnen noemen, zoals de Nederlanders zeggen.

Onze situatie was zeer somber. Want we zagen allemaal duidelijk dat de zee zo hoog ging dat de boot niet kon ontsnappen en dat we onvermijdelijk zouden verdrinken. Wat de zeilen betreft, die hadden we niet en we konden ze ook niet maken en het had ook niets uitgehaald. Dus roeiden we met één riem in de richting van het land, hoewel met een bezwaard hart, als mannen die naar de executie gaan. We wisten allemaal dat wanneer de boot de kust naderde, ze in duizend stukken zou worden verpletterd door de bres van de zee. We hebben onze ziel echter maar aan God toevertrouwd.

We wisten niet of de kust rots of zand was en steil of ondiep zou zijn. Onze enige hoop was dat we in een baai of in de monding van een rivier terecht zouden komen. Daar zouden we een grote kans maken om met onze boot binnen te kunnen varen in de luwte van de het land. Maar naarmate we dichter en dichter bij de kust kwamen, zag het land er angstaanjagender uit dan de zee.

Nadat we ongeveer anderhalve mijl hadden geroeid, kwam er een woedende golf, als een berg, achter ons aanrollen, die ons duidelijk de genadeslag zou geven. Kortom, de boot sloeg in één keer om en we werden van de boot en van elkaar gescheiden door de enorme golf. We hadden nauwelijks de tijd om: “Oh God” te zeggen zo snel waren we allemaal verzwolgen door de zee.

Niets kan de verwarring van gedachten beschrijven die ik voelde toen ik in het water zonk. Want hoewel ik heel goed zwom, kon ik mezelf toch niet van de golven bevrijden om adem te halen. Totdat een golf me naar de kust had gedreven, en me, nadat de golf was weggerold, me op het land achter liet. Bijna droog, maar halfdood door het water dat ik had binnenkregen. Ik had zoveel tegenwoordigheid van geest, evenals adem, dat ik zag dat ik dichter bij het vasteland was dan ik had verwacht. Ik ging op mijn voeten staan en trachtte zo snel als ik kon naar het land te gaan, voordat een andere golf zou terugkeren en mij weer zou oppakken. Maar ik kwam er al snel achter dat het onmogelijk was om dit te vermijden. Ik zag de zee achter mij aan komen, zo hoog als een grote heuvel, en zo woedend als een vijand, en ik had geen middelen of kracht om tegen hem te strijden. Mijn enige taak was mijn adem in te houden en mezelf boven water te houden, als ik zou kunnen. Dus door te zwemmen en mijn ademhaling te behouden, en mezelf zo mogelijk naar de kust te sturen, was het nu mijn grootste zorg dat de golf als hij opkwam, me niet weer terug zou brengen naar de zee.

De golf die op me afkwam, begroef me meteen twintig of dertig voet diep in de zee. Ik voelde dat ik met een enorme kracht en snelheid naar de kust gedragen werd. Ik hield mijn adem in en probeerde met al mijn kracht nog steeds vooruit te zwemmen. Ik stond op het punt te barsten van het inhouden van mijn adem toen ik, terwijl ik mezelf voelde opstaan, tot mijn onmiddellijke opluchting merkte dat mijn hoofd en handen boven het wateroppervlak uitstaken. Het waren maar twee seconden maar het gaf me adem en nieuwe moed. Ik verdween een hele tijd weer onder water, maar niet zo lang, en ik hield het uit. Toen ontdekte ik dat het water wat rustiger werd en zich begon terug te trekken. Ik voelde weer grond met mijn voeten. Ik bleef een paar ogenblikken stilstaan ​​om op adem te komen, en toen zette ik af met met mijn hielen en rende, met de kracht die ik nog had, verder naar de kust. Maar dit zou me ook niet verlossen van de woede van de zee, die weer achter me aan kwam. Ik werd nog twee keer door de golven opgetild. De laatste keer van deze twee was me bijna fataal geweest; want de zee liet mij landen, of beter gezegd, sloeg mij tegen een stuk van een rots. Dit ging zo hard dat het me bewusteloos maakte. Ik was volstrekt hulpeloos maar gelukkig herstelde ik een beetje voordat de golven terugkeerden. Ik hield me vast aan een stuk van de rots en kon zo de golven weerstaan. Omdat de golven niet zo hoog waren als eerst en omdat ik dichter bij het land was, nam ik een aanloop die me nog dichterbij de kust bracht. En met een laatste stukje rennen, bereikte ik het vasteland, waar ik, tot mijn grote troost, de kliffen op kon klimmen en op het gras kon gaan zitten. Helemaal buiten het bereik van het water.

Ik was nu geland en veilig aan wal, en begon omhoog te kijken en God te danken dat mijn leven was gered. Een paar minuten eerder had ik daar niet op durven hopen. Ik geloof dat het onmogelijk is om uit te drukken wat de extase en vervoeringen van de ziel zijn, wanneer je uit het graf gered wordt. Dit geeft nog meer blijdschap dan alle uitstellingen van betalingen bij elkaar.

Ik liep rond op de oever, mijn handen opheffend, en duizend gebaren en bewegingen makend, die ik niet kan beschrijven. En ik dacht na over al mijn kameraden die verdronken waren, en dat er niet één ziel gered was behalve ikzelf. Er was geen enkel teken meer van hen behalve drie van hun hoeden, een pet en twee schoenen.

Ik probeerde het gestrande schip te zien, wat nauwelijks mogelijk was, zo ver weg en met zoveel schuimende golven. Heer hoe was het mogelijk dat ik aan wal was gekomen!

Nadat ik mezelf getroost had met het feit dat ik nog leefde, begon ik om me heen te kijken, om te zien in wat voor soort plaats ik was. Maar na mijn blijdschap van de redding sloeg de angst toe. Ik was nat, had geen kleren om me te verschonen, noch iets om te eten of te drinken, of iets anders als troost. Ik zag geen ander vooruitzicht dan dat ik van honger zou omkomen of door wilde beesten zou worden verslonden. Het kwelde met helemaal erg dat ik geen wapen had om op een dier te jagen en het te doden voor mijn levensonderhoud, of om mezelf verdedigen. Kortom, ik had niets anders dan een mes, een tabakspijp en een beetje tabak in een doos. Dat was alles. Ik was zo bang dat ik er bijna gek van werd. Toen de nacht kwam, begon ik met een bezwaard hart na te denken over wat mijn lot zou zijn als er hongerige beesten in dat land waren, aangezien ze ’s nachts altijd te voorschijn komen voor hun prooi.

De enige remedie was het idee, om in een dikke, bossige boom te klimmen, zoals een doornige spar. Ik besloot daar de hele nacht te gaan zitten en de volgende dag te overwegen wat voor dood ik zou sterven. Want ik zag geen enkel vooruitzicht op leven. Ik liep een heel eind van de kust af om te zien of ik vers water kon vinden om te drinken, wat ik tot mijn grote vreugde kon vinden. Nadat ik gedronken had en een beetje tabak in mijn mond stopte om de honger te stillen, ging ik naar de boom. Ik ging er zo in zitten dat ik er niet uit zou vallen als ik zou slapen. Nadat ik van een korte stok een wapenstok had gesneden, voor mijn verdediging, nam ik mijn onderdak in de boom. Ik was buitengewoon vermoeid en viel snel in slaap. En ik sliep een slaap die zo goed was als maar weinigen meemaken.

Luister naar het verhaal De Schipbreuk van Robinson Crusoe

[Total: 0 Average: 0]
0 replies on “De Schipbreuk van Robinson Crusoe”