Winnie de Poeh en Knorretje vangen bijna een Woezel

Knorretje woonde in een erg groot huis in het midden van een loofboom. De loofboom stond in het midden van het bos. En Knorretje woonde in het midden van het huis. Op een mooie winterdag was Knorretje de sneeuw van zijn huis aan het borstelen. Toen hij even opkeek, zag hij Winnie de Poeh, diep in gedachten verzonken, rondjes lopen en toen Knorretje hem riep, bleef Poeh gewoon rondlopen.

“Hallo!” riep Knorretje, “wat ben je aan het doen?” “Ik ben op jacht”, antwoordde Poeh. “Op jacht? Waar jaag je op dan?” vroeg Knorretje. “Ik ben iets op het spoor”, zei Poeh mysterieus. “Wat ben je dan op het spoor?” zei Knorretje terwijl hij dichterbij kwam. “Die vraag stel ik mijzelf ook steeds… Wat is het?”

“Ik zal moeten wachten totdat ik het heb bijgehaald”, zei Winnie de Poeh. “Kijk daar”, en hij wees naar de grond voor hem. “Wat zie je daar?” “Sporen”, zei Knorretje. “Pootafdrukken.” En enigszins opgewonden vroeg hij: “Poeh! Denk je dat het een… een… een… Woezel is?” “Dat zou kunnen”, zei Poeh. “Soms is het een Woezel. En soms niet. Je weet het maar nooit met pootafdrukken.”

Poeh vervolgde zijn speurtocht. Knorretje, na een minuut of twee naar Poeh gekeken te hebben, rende hem na. Winnie de Poeh stopte abrupt en boog zich met een fronsende blik over de sporen. “Wat is er aan de hand?” vroeg Knorretje. “Het is heel gek”, zei Poeh, “maar het lijkt erop dat er nu twee dieren zijn. Wat we ook op het spoor zijn, ze zijn nu met z’n tweeën. Wil je voor de zekerheid met mij mee Knorretje? Misschien zijn het vijandige dieren.”

Knorretje krabde aan zijn oor en zei dat hij tot en met vrijdag niets te doen. Hij ging dus graag mee, voor het geval het echt een Woezel was. “Je bedoelt, voor het geval het echt twéé Woezels zijn”, zei Winnie de Poeh. “In beide gevallen heb ik niets te doen tot en met vrijdag”, zei Knorretje. En samen gingen ze op pad.

Er was een klein paadje tussen de coniferen en het leek erop dat de twee Woezels, mits het echt Woezels waren, daaromheen hadden gelopen. Dus liepen Poeh en Knorretje achter hen aan en kletsten gezellig. Terwijl ze praatten bleven ze de sporen volgen, totdat Winnie de Poeh opeens stopte. “Kijk!” riep hij uit. “Wat?” vroeg Knorretje en hij maakte van schrik een sprongetje. “De sporen!” riep Poeh. “Er is een derde dier bijgekomen!”

“Poeh”, riep Knorretje. “Denk je dat het nóg een Woezel is?” “Nee”, zei Poeh, “dit zijn andere sporen. Het zijn of twee Woezels en één Wizzel, of het zijn twee Wizzels en één Woezel. Laten we ze blijven volgen.”

Dus liepen ze, enigszins angstig, verder. Poeh dacht er ondertussen aan hoe leuk het zou zijn om Janneman Robinson plotseling tegen te komen. En alleen maar omdat hij zo gek was op Janneman. Ze liepen en liepen totdat Poeh weer uit het niets stopte. Hij likte, angstiger dan ooit, aan het topje van zijn neus. Er waren nu namelijk vier dieren voor hen! “Zie je dat, Knorretje?” Kijk naar de sporen! Drie Woezels en één Wizzel. Er is nog een Woezel bijgekomen!”

“Ik herinner mij opeens iets”, zei Knorretje. Ook hij had aan het topje van zijn neus gelikt, maar het kon hem niet geruststellen. “Ik ben iets, wat ik niet morgen kan doen, vergeten te doen gisteren. Ik moet dus nu echt gaan.” “We doen het vanmiddag samen, dan kom ik met je mee”, zei Poeh. “Het is niet echt iets wat je ‘s avonds kunt doen”, zei Knorretje snel. “Het is echt iets dat je alleen in de morgen kunt doen en het liefste tussen, uhh…, Hoe laat is het?”

“Rond twaalf uur”, zei Poeh, terwijl hij naar de zon keek. “Het moet tussen twaalf en vijf over twaalf gebeuren”, zei Knorretje. “Dus, lieve Poeh-beer, vergeef mij, maar ik moet echt gaan… Wat is dat geluid?” Poeh keek omhoog en hoorde voor de tweede keer een fluitje. Hij keek tussen de takken van de eikenboom en zag daar een vriend van hem. “Het is Janneman Robinson”, zei Poeh. “Ah, dan komt alles goed”, zei Knorretje. “Met hem ben je veilig. Dag Poeh”, en hij rende zo snel als hij kon naar huis, vrij van gevaar.

Janneman Robinson kwam langzaam uit de boom naar beneden. “Gekke beer”, zei hij, “wat was je aan het doen? Eerst liep je alleen tussen de coniferen, toen volgde Knorretje jou, samen bleven jullie maar rondjes lopen en nu liepen jullie voor de vierde keer…”

“Wacht eens even”, zei Poeh, terwijl hij zijn poot omhoog hield. Hij ging zitten en dacht zijn diepste gedachten. Toen wreef hij met één van zijn poten over de sporen, krabde aan zijn neus en stond op. “Ja, ik begrijp het nu”, zei Poeh. “Ik ben dom geweest en misleid. Ik ben een beer zonder hersens.”

“Je bent de allerbeste beer van de hele wereld”, zei Janneman Robinson liefdevol. “Echt waar?” vroeg Poeh hoopvol. En hij voelde zich gelijk een stuk beter. “Hoe dan ook, het is bijna lunchtijd.” Dus liep Poeh naar huis om te eten.


Downloads