Alice in wonderland (2/12): de tranenplas

“Wat vreemd! Oh nee, oh nee”, zei Alice, “Ik ben opeens zo lang! Mijn voeten zijn helemaal daar.” (Want toen ze naar haar voeten keek, moest ze heel ver naar beneden kijken.) “Ik kan niet meer voor jullie zorgen, voeten. Ik ben te ver weg om voor jullie te zorgen!”

Maar ook al kan ik niet voor ze kan zorgen, dan moet ik wel aardig tegen ze zijn”, dacht Alice, “anders lopen ze straks niet meer zoals ik wil. Weet je wat, ik geef ze elke kerst een paar nieuwe schoenen!” Ze stopte om na te denken hoe ze de schoenen zou sturen. “Ze moeten per post”, dacht ze, “en hoe grappig zal het zijn om schoenen naar je eigen voeten te sturen! Wat zal het adres er raar uitzien: Alice’s rechtervoet, Op het kleed, In de buurt van het vuur. (Met liefs van Alice.)”

“Oh nee, oh nee, dit kan toch allemaal niet.”

Toen stootte ze haar hoofd tegen het dak. Ze was nu namelijk bijna drie meter lang. Ze pakte meteen de kleine sleutel en liep terug naar de deur.

Arme Alice! Nu was ze zo lang dat ze maar op één kant kon liggen, om met één oog door de tuin te kijken maar ze kon er weer niet doorheen, dus ging ze zitten en huilde hard.

“Maar schaam je nu”, zei Alice tegen zichzelf, “een grote meid zoals jij, die op deze manier huilt. Stop daar onmiddellijk mee!” Maar ze huilde en huilde maar door totdat er een grote tranenplas om haar heen lag, die tot halverwege de gang reikte.

Toen hoorde ze het geluid van voeten dichterbij komen, dus droogde ze haar ogen in grote haast om te zien wie het was. Het was het Witte Konijn dat was teruggekomen. Hij was gekleed in mooie kleren en had een paar witte fluwelen handschoenen in de ene hand en een grote waaier in de andere. Hij draafde haastig verder en zei tegen zichzelf: “Oh, oh, de hertogin, de hertogin! Oh, oh! Zal ze niet woedend zijn als ik haar heb laten wachten?”

Alice voelde zich zo naar en alleen dat ze, toen het Konijn dichterbij kwam, met zachte, timide stem zei: “Alstublieft, meneer…” Het Konijn schrok, liet de witte handschoenen en de waaier vallen en rende het donker in zo snel als zijn twee achterpoten hem konden dragen.

Alice pakte de waaier en de handschoenen en omdat het behoorlijk warm was in de gang, waaierde ze zichzelf koelte toe terwijl ze doorging met praten. “Lieve hemel! Hoe vreemd zijn alle dingen vandaag! Zou ik vannacht misschien veranderd kunnen zijn? Laat me eens nadenken: was ik dezelfde toen ik vandaag opstond? Het lijkt me dat ik me niet helemaal hetzelfde voelde. Maar als ik niet dezelfde ben, wie ben ik dan toch?” Toen dacht ze aan alle meisjes die ze kende, die van haar leeftijd waren, om te zien of ze voor iemand van hen was verwisseld.

“Ik weet zeker dat ik niet Ada ben”, zei ze, “want zij heeft lang krullend haar en het mijne krult helemaal niet. Ik weet ook zeker dat ik Mabel niet kan zijn, want ik weet van alles, en zij weet heel weinig! Hoe vreemd is het allemaal! Ik zal het eens proberen met alle dingen die ik vroeger wist. Eens kijken: vier keer vijf is twaalf, en vier keer zes is dertien, en vier keer zeven is … oh nee, oh nee, dat is niet goed. Ik moet echt veranderd zijn. Dan zal ik maar proberen een liedje te zingen”, en ze probeerde de tekst te zeggen, maar haar stem was schor en vreemd en de woorden kwamen niet.

“Ik weet zeker dat dit niet de juiste woorden zijn”, zei de arme Alice, en haar ogen vulden zich met tranen terwijl ze verder ging, “dan moet ik toch Mabel zijn, en zal ik in dat nare huis moeten gaan wonen en geen speelgoed hebben om mee te spelen. Nee, ik heb een besluit genomen, als ik Mabel ben, blijf ik liever hier beneden! Ik zal omhoog kijken en vragen: “Wie ben ik dan? Vertel me dat maar eerst, en als het me bevalt, dan kom ik pas naar boven. Zo niet, dan blijf ik hier beneden net zolang tot ik iemand anders ben.” “Maar, oh nee, oh nee”, riep Alice met een nieuwe uitbarsting van tranen, “ik vind het hier beneden helemaal niet leuk. Ik ben deze plek zo zat!”

Terwijl ze dit zei, keek ze naar haar handen en zag ze dat ze één van de witte fluwelen handschoenen van het Konijn had aangetrokken terwijl ze aan het praten was. “Hoe kan ik dat gedaan hebben?”, dacht ze. “Ik moet weer klein zijn geworden.” Ze stond op en ging naar de glazen tafel om haar lengte te testen en ontdekte dat ze nu niet meer dan zestig centimeter lang was en nog steeds in een ramp tempo kleiner werd. Ze kwam er al snel achter dat de oorzaak hiervan de waaier was die ze vasthield en ze liet hem meteen vallen, anders was ze gekrompen tot de grootte van een mug.

“Hoera, nu pas ik in de tuin!”, en ze rende snel terug naar de kleine deur maar de deur was dicht en de sleutel lag op de glazen tafel, “Oh nee, oh nee, het is nu nog erger dan ooit”, jammerde het arme kind.

Terwijl ze deze woorden uitsprak, gleed haar voet uit en plons: ze lag opeens tot haar kin in het zoute water. Eerst dacht ze dat ze in de zee moest zijn, maar ze had al snel door dat ze in de tranenplas was beland. Tranen die ze had gehuild toen ze drie meter lang was.

“Ik wilde dat ik niet zoveel had gehuild”, zei Alice terwijl ze rondzwom en probeerde de weg eruit te vinden. “Ik zal nu verdrinken in mijn eigen tranen.”

Toen hoorde ze een eindje verderop een plons in de plas en ze zwom er naar toe om te zien wat het was. Eerst dacht ze dat het een walvis moest zijn, maar toen ze bedacht hoe klein ze nu was, zag ze al snel dat het een muis was die in de plas was gegleden.

“Zou het zin hebben om tegen deze muis te praten? Het is hier beneden allemaal zo anders maar het kan geen kwaad ik kan het in ieder geval proberen.” Dus zei ze: “Oh beste muis, weet jij de weg uit deze plas?” De muis keek haar aan en leek naar haar te knipogen maar hij sprak niet.

“Misschien is het een Franse muis”, dacht Alice, dus vroeg ze in het frans “waar is mijn kat” want dat waren de enige woorden die ze kende. De muis sprong snel uit het water en leek erg geschrokken: “Oh, neem me niet kwalijk,” riep Alice. ‘Ik was helemaal vergeten dat je niet van katten hield.”

“Nee, nee geen katten!”, riep de muis met een schrille, harde stem. “Zou jij katten leuk vinden als je mij was?”

“Nou, ik denk het niet”, zei Alice, “maar word alsjeblieft niet boos. En ik wilde dat ik je onze kat kon laten zien, Dinah. Ik weet zeker dat je katten leuk zou vinden als je haar kon zien. Ze is een lieve kat en ze spint bij het vuur en likt haar pootjes en wast haar gezicht en ze is heel goed in het vangen van muizen.”

“Oh nee, oh nee”, riep Alice, want deze keer was de muis erg bang en al zijn haren gingen overeind staan. “We praten niet meer over haar hoor als je het niet leuk vindt.”

“Nee, we praten niet meer”, riep de muis, die trilde tot aan zijn staart. “Alsof ik nog zou praten over zulke gemene beesten als katten! Alle ratten haten ze ook. Laat me de naam kat niet meer horen!”

“Ik zal het niet meer doen”, zei Alice, en ze veranderde haastig van onderwerp. “Ben je wel dol op honden?” De muis sprak niet, dus vervolgde Alice: “Er is zo’n leuk hondje in de buurt van ons huis, die zou ik je graag willen laten zien! Een klein hondje met vrolijke oogjes en lang krullend bruin haar! Als je iets gooit, brengt hij het terug en hij geeft een poot als hij iets lekkers krijgt. En hij doodt alle ratten, en m… oh nee, oh nee!”, riep Alice op een droevige toon. “Ik heb het weer te gek gemaakt!” Want de muis zwom zo snel als hij kon van haar weg en zorgde daarbij nogal voor wat gespetter in de tranenplas.

Dus riep ze met een zachte, vriendelijke stem: “Lieve muis! Kom terug en we zullen niet over katten of honden praten als je dat niet wilt.” Toen de muis dit hoorde, draaide hij zich om en zwom naar haar terug. Zijn kop was helemaal bleek (van woede, dacht Alice) en hij zei met een lage, zwakke stem: “Laten we naar de kant gaan, dan zal ik je vertellen waarom ik een hekel heb aan katten en honden.”

Het was de hoogste tijd om te gaan, want de tranenplas was inmiddels behoorlijk vol met vogels en andere dieren die erin waren geglipt. Alice ging voorop en ze zwommen allemaal naar de kant.

image_pdfDownloadimage_printPrint