Alice in Wonderland (1/12): door het konijnenhol

Alice had op de oever naast haar zus gezeten tot ze moe was. Eén of twee keer had ze naar het boek gekeken dat haar zus in haar hand had, maar er stonden geen plaatjes in. “Wat heb je aan een boek zonder plaatjes”, dacht Alice. Daarna vroeg ze zich af, zo goed als ze kon, of het de moeite waard zou zijn om op te staan en wat madeliefjes te plukken, om een ketting te maken, want het was nogal een saaie dag. Op dat moment kwam er een wit Konijn met roze ogen vlak langs haar rennen.

Voor Alice was dit niet zo vreemd, en ze dacht er dan ook niet veel over na toen het Konijn zei: “Oh jee! Oh jee! Ik kom te laat!” Maar toen het Konijn een horloge uit zijn zak haalde, ernaar keek en toen verder rende, stond Alice op, want dit was de eerste keer dat ze een Konijn met een horloge zag. Ze sprong op en rende verder om ernaar te kijken. Ze was net op tijd om het Konijn in een groot konijnenhol bij de heg te zien springen.

Zo snel als ze kon, ging Alice er achteraan, het gat in, en ze dacht er niet één keer over na hoe ze er weer uit moest komen. Het gat liep een eind rechtdoor en draaide toen met een scherpe bocht naar beneden, zo scherp dat Alice geen tijd had om te stoppen totdat ze merkte dat ze in een diepe put viel.

Dat moet niet snel zijn gegaan, of de put moet behoorlijk diep zijn geweest, want het kostte haar veel tijd om beneden te komen. Terwijl ze naar beneden gleed, had ze tijd om naar alle vreemde dingen te kijken die ze tegenkwam. Eerst probeerde ze naar beneden te kijken en te zien wat daar was, maar het was te donker. Toen keek ze naar de zijkanten van de put en zag dat er overal boekenplanken waren en hier en daar zag ze kaarten aan pinnen hangen. In het voorbijgaan pakte ze een pot van één van de planken. Er stond het woord “jam” op, maar er zat geen jam in, dus legde ze het weer terug op een plank toen ze er langs gleed.

“Wel”, dacht Alice bij zichzelf, “na zo’n val als deze vind ik het helemaal niet erg meer om van de trap te vallen. Wat zullen ze me thuis dapper vinden! Wel, ik zou niets zeggen zelfs als ik van het dak van het huis zou vallen.”

Omlaag, omlaag, omlaag, ging ze. Zou er nooit een einde komen aan de val? “Ik zou graag willen weten”, zei ze, “hoe diep ik ben gegaan. Zou het niet vreemd zijn als ik dwars door de aarde zou vallen en eruit zou komen aan de andere kant, waar de mensen lopen met hun voeten omhoog en hun hoofden naar beneden?”

Omlaag, omlaag, omlaag, ging ze. “Dinah, mijn kat, zal me vanavond missen”, vervolgde Alice. “Ik hoop dat ze eraan zullen denken om haar melk te geven. Dinah, mijn liefste! Ik wou dat je hier bij mij was! Er zijn geen muizen hier, maar een vleermuis is er wel, en dat lijkt veel op een muis. Maar eten katten wel vleermuizen?” En toen moest Alice in slaap zijn gevallen, want ze droomde dat ze hand in poot liep met Dinah, en net toen ze haar vroeg: “Nu, Dinah, vertel me de waarheid, eet je vleermuizen?”, klonk het “bonk, bonk” en “dreun, dreun” en landde ze op een hoop stokken en dorre bladeren, en de lange val was voorbij.

Alice was helemaal niet gewond en sprong overeind. Ze keek op, maar alles was donker. Aan het einde van een lange gang voor haar was wel het witte Konijn nog steeds in zicht. Er was geen tijd te verliezen, dus vertrok Alice zo snel als ze kon en was nog net op tijd om het Konijn te horen zeggen: “Oh, mijn oren, wat is het laat!” en toen verdween hij uit het zicht. Ze bevond zich in een lange gang met een laag dak, waaraan een rij brandende lampen hing.

Aan alle kanten waren deuren, maar toen Alice alle deuren langs was gegaan en ze allemaal had geprobeerd te openen, ontdekte ze dat ze allemaal op slot zaten. Ze liep heen en weer en probeerde te bedenken hoe ze eruit moest komen. Eindelijk kwam ze bij een tafel die helemaal van glas was gemaakt. Er zat een kleine gouden sleutel op en Alice’s eerste gedachte was dat dit misschien een sleutel was van één van de deuren van de hal.

Maar toen ze de sleutel in elk slot had geprobeerd, ontdekte ze dat de sloten te groot waren of de sleutel te klein – het paste in elk geval niet. Maar toen ze nog een keer door de gang liep, kwam ze bij een laag gordijn dat ze eerst niet had gezien. Toen ze dit opzij schoof, vond ze een kleine deur, niet veel meer dan dertig centimeter hoog. Ze probeerde de sleutel in het slot, en tot haar grote vreugde paste het!

Alice ontdekte dat de deur naar een gang leidde ter grootte van een rattenhol, ze knielde neer en keek er doorheen, in een tuin met prachtige bloemen. Wat verlangde ze ernaar om uit die donkere hal te komen en in de buurt van die heldere bloemen te komen maar ze kon niet eens haar hoofd door de deur krijgen. “Als mijn hoofd er doorheen zou gaan, zou het nog geen nut hebben want de rest van mij zou nog steeds te groot te zijn om er doorheen te gaan. O wat zou ik graag willen dat ik klein was!”, dacht Alice.

Het leek geen zin te hebben om bij de kleine deur te wachten, dus ging ze terug naar de gang in de hoop dat ze een sleutel van één van de grote deuren zou vinden, of anders misschien een boek met regels die haar zouden leren “klein” te worden. Deze keer vond ze er wel een klein flesje waarvan ze zeker wist dat het er eerst niet was. Om de hals van het flesje was een label gebonden met de woorden: “Drink mij.”

Dat klonk goed maar Alice was te wijs om het overhaast te doen. “Nee, ik zal eerst kijken”, zei ze, of er geen “vergif” op staat. Ze had geleerd dat als je veel drinkt uit een fles met het opschrift “vergif” dat je dan zeker ziek zult worden. Op dit label stond dat niet, dus durfde ze het te proeven, en omdat ze het lekker vond, het smaakte naar taart, ijs, gebraden gevogelte en warme toast, dronk ze het snel allemaal op.

“Wat voel ik me toch vreemd”, zei Alice. “Ik weet zeker dat ik niet zo groot ben als ik eerst was!”

En zo was het. Ze was nu opeens nog maar dertig centimeter lang en haar gezicht lichtte op bij de gedachte dat ze nu de juiste lengte had om door de kleine deur naar die mooie tuin te gaan.

Arme Alice! Toen ze bij de deur kwam, ontdekte ze dat ze de sleutel op de tafel had laten liggen, en toen ze terugging om hem te halen, merkte ze dat ze er absoluut niet meer bij kon. Ze kon het door het glas zien en ze deed haar best om op een poot van de tafel te klimmen, maar het lukte niet en toen ze moe was, ging ze zitten en huilde.

“Kom, het heeft geen zin om zo te huilen”, zei Alice zo streng mogelijk tegen zichzelf. “Stop er nu mee!”

Al snel viel haar oog op een kleine glazen doos die op de grond lag. Ze keek erin en vond een kleine taart waarop, met druiven geschreven, de woorden stonden: “Eet mij.”

“Nou, ik zal het maar opeten”, zei Alice, “en als ik er weer lang van word, kan ik bij de sleutel, en als ik er van krimp, kan ik onder de deur door kruipen. Eén van deze twee manieren zal werken.”

Dus ging ze aan het werk en at al snel de hele taart op.

image_pdfDownloadimage_printPrint